Menu Sluiten

De zachte werkelijkheid

© Alfred Cheney Johnston

Als jongen van 17 jaar werkte ik bij een portretfotograaf. Het was een bedrijf dat van vader op zoon was overgegaan. De vader bevond zich weliswaar nog in het pand, maar hij had geen beslissingsbevoegdheid meer. Hij was een interessante Duitser van in de negentig, die de zaak in 1922 had opgericht. Zodra zijn zoon in de buurt kwam vluchtte hij naar zijn zolderkamertje. Was zijn zoon echter ‘op reportage’ oftewel bezig het zoveelste huwelijk vast te leggen, dan schoof hij bij mij aan en mopperde hij wat over die moderne fotografie op filmrolletjes. Dat was maar niets in zijn ogen.

Hij was een man van fotografie op glasplaten en hij had er zichtbaar plezier in dat zijn oude, houten camera’s mij fascineerden. Zo kwam het dat ik als een van de weinige mensen van mijn generatie leerde fotograferen op glasplaten. Ook leerde hij mij hoe ik met een zacht potlood op deze glazen negatieven kon retoucheren. Door piepkleine rondjes te draaien kon ik met veel geduld diepe schaduwen verzachten en al te geprononceerde rimpels verwijderen. Was de retouche te duidelijk zichtbaar in de uiteindelijke afdruk, dan leerde hij mij hoe ik dat met een penseeltje en wat eiwitlazuurverf weer kon corrigeren.

Eiwitlazuurverf werd ook in de ‘moderne fotografie’ van zijn zoon gebruikt maar uitsluitend om witte puntjes, veroorzaakt door stof bij het afdrukken van zwartwitfoto’s, te verwijderen.

Zijn zoon vertegenwoordigde met zijn Hasselblad het moderne leven. Zoals de vader zichzelf vooral zag als vakman, zo voelde de zoon zich bovenal een kunstenaar. In zijn vrije tijd fotografeerde hij Surinaamse en Antillaanse vrouwen naakt en de meest kuise beelden kregen wel eens een plekje achter in de etalage, dit tot niet geringe ergernis van zijn echtgenote. Alle foto’s in koe-leur, uiteraard, want men mocht zich – ook toen al – niet tegen vooruitgang verzetten.

De oude baas vond dat allemaal maar niets. Die kleine filmrolletjes en het moeizaam te beïnvloeden proces van kleurenfoto’s afdrukken was in zijn ogen duur, omslachtig en goeddeels overbodig. Bovendien waren de foto’s in zijn ogen niet scherp of gedetailleerd genoeg.

Daar zat wat in. Als je op een glasplaat van 13 bij 18 centimeter fotografeert, krijg je veel meer detail dan wanneer je met een filmrolletje werkt. Voordeel van dat gebrek aan detail bij film was wel dat portretfoto’s bijna niet geretoucheerd hoefden te worden. Een haartje uit een neusgat, of een beginnende pukkel, dat viel allemaal keurig weg in de textuur van de film, die naar de smaak van de tijd vaak wat korrelig werd afgewerkt.

Ik denk nu regelmatig aan beide mannen, vooral als iemand op internet gaat lopen zeuren dat fotografie geen echte fotografie meer is sinds de komst van Photoshop.

Allereerst begrijp ik niet zo goed waarom sommige mensen zo hechten aan realiteit. De werkelijkheid is vaak niet zo prettig en het belang ervan wordt mijns inziens zwaar overschat. Dat een journalistieke foto zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid moet liggen, dat snap ik dan weer wel. Zouden fotografen beeld van nieuwsgebeurtenissen gaan manipuleren, dan is het einde zoek, alhoewel dat ook slechts een halve waarheid is, want alleen al de aanwezigheid van een persfotograaf beïnvloedt de situatie die hij of zij fotografeert.

De ene volksbevrijder, voorzien van een machinegeweer, ziet in de aanwezigheid van de pers een goede aanleiding om tien mensen door het hoofd te schieten met als doel een krachtige boodschap te sturen naar de kijker die zich veilig ver van het tafereel bevindt. Een andere vrijheidsstrijder zal bij de aanwezigheid van een cameraploeg besluiten het verkrachten van een groepje jonge maagden op het dorpsplein nog maar een dagje uit te stellen om de goede zaak niet al te veel te schaden.

Tot zover de onvolprezen authenciteit van de persfoto. Meer woorden wil ik er niet aan besteden.

Inmiddels is het modern doen van de kwieke vijftiger indertijd hopeloos ouderwets geworden en werken we als fotografen met camera’s die qua detail eigenlijk weer veel lijken op de camera’s met glasplaten van 13 bij 18 centimeter. Een camera met een sensor van 40 megapixels levert een te gedetailleerd beeld, tenzij je met een opsteekflitsertje alle stofweergave naar de ratsmodee klikt. Perspectivisch sluiten die beelden sowieso al niet aan bij de werkelijkheid, maar daarnaast levert het beeld meer nuances op dan het menselijk oog zou waarnemen. Precies om die reden gebruiken we Photoshop of filters op onze smartphones.

Dan kunnen bleeding hearts gaan roepen dat troepen jongeren zich voor de trein werpen omdat ze zich niet kunnen meten aan de geïdealiseerde beelden in de media, maar dan begrijpen zij de essentie van fotografie niet. Fotografie is nog nooit een adequaat middel gebleken om de werkelijkheid vast te leggen, net zo min als journalistiek ooit de kern van wat dan ook heeft weten te raken. Voor de onversneden werkelijkheid kunt u nog altijd het beste terecht in literatuur of beeldende kunst, al klinkt die uitspraak op het eerste gehoor wat tegenstrijdig.

De fotografische werkelijkheid kan een streven zijn, maar een narekenbare wetenschappelijke realiteit zal het nooit worden. Die prachtige foto van uw betovergrootmoeder met haar mooie vollemaansgelaat en haar lelieblanke huid? Het is goed mogelijk dat zij in werkelijkheid inktzwart dons op de bovenlip had en dat iemand zoals mijn oude leermeester dat met een potloodje heeft verwijderd. En niemand die daar in de tijd van die foto zelfmoord voor pleegde. Daar is meer narigheid voor nodig.
 

2 Comments

  1. Cor Bruin

    Je hebt hebt weer prachtig verwoord Hans. Mooi dat je die glasplatentechniek nog hebt geleerd. Ik had vroeger een buurman die honderden orginele glasplaten had. Kan me nog heel goed herinneren hoe scherp die afdrukken waren met o.a. stoere stoomlocomotieven er op. Alleen herken ik de maat niet zo goed. Zou het kunnen dat deze voor de 13×18 nog groter waren?

    • Hans van der Kamp

      Eerlijk gezegd ken ik die maten niet uit mijn hoofd. Er zullen zeker grotere platen geweest zijn, afhankelijk van de cameraproducent. Natuurlijk ook maten in inches en centimeters. Het laatste gangbare formaat vlakfilm waar ik mee gewerkt heb was 4×5 inch op de Sinar P. en Cambo. Niet mijn specialiteit, overigens. Maar in de reclamefotografie van de jaren zeventig was dat een heel gangbaar formaat voor productfotografie. Ik had als assistent meer ervaring met die camera’s opzetten, dan ermee fotograferen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.