Menu Sluiten

In Amsterdam (2)

Dit is een vervolg op In Amsterdam (1)

De foto’s die ik in het geblindeerde kamertje stond af te drukken, met de huilende baby in de kinderwagen nog steeds naast me, leken veel op wat men van modefoto’s zou verwachten, zoals de poses, de kleding en de locaties. Met de modellen scheen echter iets vreemds aan de hand te zijn. Ze waren veel ouder dan je van een fotomodel zou verwachten.

Nu vond ik als zestienjarige mensen al snel oud, maar deze vrouwen leken toch echt de leeftijd van mijn moeder te hebben. Ook waren ze beslist niet de schoonheden die je in een modetijdschrift zou verwachten. Een van de vrouwen glimlachte me in close-up aan vanuit de spoelbak. Een paar snijtanden schenen in eerste instantie te missen totdat ik de foto wat lichter afdrukte en zag dat er slechts sprake was van een groot kleurverschil tussen de tanden onderling.

Om twee uur ‘s nacht had ik mij door de stapel negatieven heen gewerkt. De fotograaf was nog niet terug en de moeder van de baby ook niet. Ik besloot in de keuken op zoek te gaan naar eten voor het kind. Ik vond een half potje Olvarit dat ik opwarmde en haalde de baby uit de kinderwagen waarna het huilen terstond stopte. De zwaar geworden katoenen luier verving ik door een theedoek die redelijk schoon leek te zijn. Het was goed dat ik wel eens op de kinderen van de buren had gepast.

Zo zaten we daar op de skai leren bank, een boerende baby die wat begon in te doezelen en ik, de zestienjarige Jean-Luc Godard, die zich afvroeg hoe de sfeer in huize Van der Kamp zou zijn. ‘Waar is onze Hans?’ hoorde ik mijn moeder in gedachten roepen, maar dat leek me na enige overpeinzingen wat te romantisch. Waarschijnlijk hadden Pa en Ma het veel te druk met elkaar van alles en nog wat te betichten om zich druk te maken over mijn verdwijning.

Voordat ik in navolging van de baby in slaap viel, hoorde ik geklos in het trappenhuis en even later stond een mij onbekende vrouw in het vertrek. Ze droeg een lang Oosters gewaad. Ze zag er eigenlijk een beetje uit als de meisjes op de school die ik achter me gelaten had. Alleen had ze een dikke laag pancake op haar wangen en ze droeg oogschaduw in alle kleuren van de regenboog. Haar wimpers leken onwerkelijk lang. Uit haar paars gestifte lippen bungelde een sigaret bij de mondhoek.

‘En wie mag jij dan wel zijn,’ zei ze, terwijl ze de baby onder mijn arm vandaan haalde.

‘Ik ben de assistent fotograaf,’ antwoordde ik. Het voelde goed om mezelf voor het eerst in mijn leven niet met mijn naam maar met mijn functie voor stellen.

Ze blies een wolk rook in mijn gezicht, knoopte haar Oosterse gewaad van boven los en begon de alweer krijsende baby borstvoeding te geven. Ze had haar sigaret uitgedrukt en was op het salontafeltje pal voor me gaan zitten. ‘O ja, Fred en zijn assistenten,” zei ze, terwijl ze me een verse sigaret in handen duwde die ik – als ik haar gebaren goed begreep – voor haar aan moest steken.

Het werd een moeizaam gesprek, omdat ik krampachtig probeerde niet haar borst te kijken, maar haar tegelijkertijd wel beleefd wilde aankijken als ik antwoord gaf op haar vragen. Pijn in mijn nek kreeg ik ervan en ik wilde nu eindelijk wel eens slapen.

‘Je ken wel gewoon hier op de bank slapen,’ opperde ze, ‘maar dan zit je zo wel midden in het gezeik als Fred van het gokken op de Dijk terug komt, niets gewonnen heeft en hier een uurtje of wat moeilijk gaat lopen doen.’ Ze moet de blik op mijn gezicht goed ge├»nterpreteerd hebben want ze haastte zich er vergoelijkend aan toe te voegen dat Fred ook wel een iets won. ‘Dan is het echt een schatje,’ zei ze. ‘Mijn Fred, nooit te beroerd om te delen. Maar ja, hij is eigenlijk wel voor het ongeluk geboren. Daarom ken hij dat gokken niet laten, denk ik wel eens. Hij moet elke dag weer opnieuw met zijn nare karma in gevecht, al was het alleen maar om de volgende dag zeker te weten dat hij het allemaal zelf moet doen. Dat niets hem komt aanwaaien, zeg maar. Want verdienen ken hij wel, hoor…’

Ik dacht aan de merkwaardige bijna echte modefoto’s die ik had staan afdrukken en vroeg me af hoe een fotograaf zo zijn geld kon verdienen. Toen ze aanstalten nam de baby van borst te wisselen, haastte ik me te zeggen dat ik bij nader inzien vast wel bij vrienden kon logeren en ik verliet wat onhandig langs een schemerlamp manoeuvrerend de woning uit.

Vrienden? Ik kende niemand in Amsterdam. Ik stond pal voor het Tropenmuseum en dacht dat ik me voor het Rijksmuseum bevond, zo goed kende ik de stad. Het duurde dan ook even voordat ik door andere nachtbrakers te volgen op het Rembrandtplein belandde. Ik liep door De Passage, zag de junkies, de dealertjes, de tasjesdieven en pooiertjes in het grauwe licht van etalages en neonbuizen, maar voor mij waren het helden uit een film over de toekomst. Ik zoog mijn longen vol met lucht en ik wist het zeker. ‘Dit is mijn nieuwe leven. Dit gaat allemaal goed komen.’

Even later had ik al een conflict met een Duitse speed junkie. Waar het over ging weet ik niet meer, maar wel dat ik zelden zo hard heb gelopen met een man achter me aan die dreigde me in elkaar te slaan met een fietsketting. Op de hoek bij de taxistandplaats vluchtte ik een telefooncel in en draaide het nummer van mijn ouderlijk huis. Er werd niet opgenomen. De junkie die me achtervolgde had het opgegeven. Te veel getuigen bij de taxistandplaats.

(wordt vervolgd)

3 gedachten over “In Amsterdam (2)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.