Onsje minder

Hij is allang dood, maar ik had een oom die bijzonder vermogend was. Dat was ook aan hem te zien. Hij woog zo’n 200 kilo en zijn mond had zich in vorm aangepast aan de vette Havana die steevast tussen zijn lippen bungelde, zelfs wanneer hij sprak.

De man had de basis van zijn vermogen gelegd in de Tweede Wereldoorlog als slager door o.a. worstennat dat op de bon was met water aan te lengen. Na de oorlog begon hij panden op te kopen en die per kamer aan studenten door te verhuren. Bij zijn dood bezat hij iets van vijftig monumentale panden op A-locaties in het hart van de stad.

Het was een goedlachse man die altijd in driedelig kostuum door het leven ging. In mijn herinnering was geld zo’n beetje zijn enige gespreksonderwerp. Hij had een even moddervet zoontje dat sprekend op hem leek en ook al in een pak liep op zijn achtste levensjaar.

Omdat hij nu eenmaal mijn neef was, werd ik vaak met hem opgescheept tijdens verjaardagen en andere feestelijkheden binnen de familie.

Hoogtepunt van de avond in het huis van mijn oom was het klaverjassen om centen. Ik bedoel dit letterlijk. We hadden ze toen nog; munten van een cent.

Ik was zeven, mijn neefje was acht. Hij mocht om geld spelen, ik niet. Dat gaf een enorm buitengesloten gevoel, hoewel ik een hekel had aan kaarten. Het wekte ook mijn ergernis op dat mijn neefje alles wat zijn vader zei vrijwel letterlijk herhaalde met een grote blik van bewondering in zijn ogen.

Op een van die avonden vond ik het opeens toch wel gezellig. Of ik was het zat om de hele avond lang met mijn moeder en mijn tante in de voorkamer te zitten, dat kan ook.

Midden in de avond veegde mijn oom plotsklaps de kaarten bijeen en beëindigde het spel. “Waarom?” vroeg ik.

“Moeder de vrouw vindt dat het tijd is.” Ik keek naar de voorkamer, maar zag dat zij nog geanimeerd in gesprek was met mijn moeder.

“Dat moet u toch zelf bepalen wanneer u ophoudt te spelen?” zei ik met alle eigenwijsheid van een Montessori-koter. Er barstte een daverend gelach uit aan tafel en toen dat eindelijk uitgestorven was, keek mijn neefje me lachend en tegelijk minachtend aan. “Ik begrijp het echt niet,” zei ik nog eens ten overvloede.

“Nou,” antwoordde het neefje stralend. “Daar kom je dan later wel achter als je zelf een vrouw hebt.” Weer barstten de kaarters in lachen uit.

Ik was nu inmiddels woedend. “Als ik later groot ben, dan ga ik nooit doen wat mijn vrouw van mij vraagt!” Er volgde nog meer hatelijk gelach en ik stormde de trap op naar mijn kamer.

Mijn neefje groeide op tot een perfecte kopie van zijn vader en werd registeraccountant. Hoe hij zelf in de praktijk met vrouwen omgaat is voor mij niet na te gaan. De laatste keer dat ik hem zag was hij bijna veertig en nog steeds vergeefs op zoek naar een vrouw.

Ik heb me aan dat voornemen van die avond gehouden. Ik ben dan ook vaker gedumpt door vrouwen dan me lief is.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.