Valse sentimenten

Ik begrijp Nederlanders niet en ik heb ze nooit begrepen ook. Dat is raar, want ik ben zelf een echte Nederlander, een houten Haarlemmer nog wel, zoals dat heet. Geboren in de Florakliniek op een snikhete zomerse dag in 1955 uit een moeder die geen tangbevalling wilde en daardoor uren lag te worstelen. Elke verjaardag zou ze me dat blijven verwijten. ‘Je had een veel te groot hoofd!’

Ze had gelijk. Ik zou graag een hoed dragen, maar mijn maat is zelden leverbaar. ‘Uw hoofd is gewoon te groot,’ zei een verkoper laatst nog tegen me, toen ik vrijwel alle hoeden in zijn winkel had gepast. ‘Ja, vertel mij wat, luilebal!’ riep ik, terwijl ik met een klap de deur van zijn winkel achter mij sloot.

Ik ben zo ongelooflijk Nederlands dat ik het als kind doodnormaal vond dat er thuis geproken werd over ‘nikkertjes die alleen maar brillen dragen omdat ze er ook wel eens intelligent uit willen zien’. Dat vond ik doodnormaal. Ik wist niet beter. Net zo normaal vond ik het ook dat ik naar het Gymnasium ging, net zoals alle andere kinderen in mijn klas die ouders met een bovengemiddeld inkomen hadden. Toen men mij bij het toelatingsexamen vertelde dat ik hoog gescoord had, barstte ik in lachen uit. Ik dacht dat ze een grapje maakten. Want het merendeel van de andere jongens die de toets doorstaan hadden, waren ongeveer net zo dom als ik. Vooral Jan, de aannemerszoon. Die kon echt niet tot tien tellen en hij zou pas veel later, na veel falen, uiteindelijk notaris worden en daarmee puissant rijk worden.

Al na een paar weken Gymnasium kreeg ik een ongeluk waardoor ik in een kliniek belandde waar ik, zoals toen gebruikelijk was, regelmatig seksueel werd misbruikt. Niet zo vaak als de Downpatienten die daar ook verpleegd werden, maar de pijn zit misschien niet in het aantal keren, maar hoe je er later in je leven mee om kunt gaan.

In diezelfde kliniek stak men bij wijze van experiment een dikke naald van veertig centimeter lang in mijn scrotum en mannen in loden schorten bleven wrikken en duwen, terwijl een luid brommend apparaat radioactieve tracers in mijn beschadigde heupgewricht spoot. Dit alles zonder verdoving of narcose, want dat zou het experiment niet ten goede komen.

Ik had op mijn dertiende dus nogal wat meegemaakt en ik kwam die kliniek uit als een beschadigd wezen. Aan de buitenkant was eigenlijk weinig aan me te zien, behalve een wat manke gang die ruimschoots gecompenseerd werd door een gezicht met zeer regelmatige gelaatstrekken en een aangenaam figuur. De nare streken die ik uithaalde, werden toegewezen aan de puberteit of later aan mijn excentriciteit. Dat ik zo gek was als een deur, daar wilden de meeste mensen niet aan. Ik eigenlijk ook niet, al weet ik inmiddels wel beter. Het lijkt een contradictie, maar je moet eerst redelijk geestelijk gezond worden om in te zien hoe gestoord je eigenlijk was.

De hele duur van mijn verblijf in die kliniek had ik mij voorgenomen dat ik, zodra ik eenmaal ontslagen was, van alles weg zou lopen. Dat ik zo’n obsessie voor lopen en weglopen had ontwikkeld, dat lag voor de hand. Meer dan een half jaar lang had ik immers van mijn borstkas tot aan mijn tenen in het gips gelegen.

Het fysieke lopen of weglopen, dat wordt vroeg of laat vermoeiend, dus ik vond na mijn gedeeltelijke genezing al snel honderd andere manieren om van alles weg te lopen. Nog voor mijn twintigste levensjaar had ik meer LSD gepopt en wiet gerookt dan de gemiddelde rockster op zijn dertigste en veel later, op mijn 55ste, overleefde ik, tot niet geringe verbazing van artsen, voor de derde keer een zwaar delirium. Niet dat ik altijd dronken was, maar ging ik eenmaal drinken, dan pakte ik dat maanden achtereen uiterst professioneel aan met hoeveelheden die extravagant waren.

Het gouden uur kwam dan in de ochtend, om een uur of elf als ik de vijfde wodka met Seven-Up achter de kiezen had. Dan was ik even gelukkiger dan ik ooit geweest was. De rest van de dag was ik vooral brak, ziek en onuitstaanbaar. Desalniettemin verlang ik nog wel eens terug naar dat gouden uur.

Ik vat het allemaal kort samen, want tussen mijn zeventiende en mijn 55ste ben ik aan zo’n beetje alles wat ongezond is verslaafd geweest, met uitzondering van heroïne, want dat snapte ik meteen, toen ik daar mijn eerste ervaring mee had. Dat was gewoon té lekker. Bovendien moest het allemaal wel met geld uit eigen inkomen gefinancierd kunnen worden. Heroïne, zo had ik mij voorgenomen, daar zou ik pas vlak voor mijn levenseinde aan beginnen, een beetje zoals mensen nu morfine krijgen als palliatieve zorg.

‘Live fast and die young,’ had ik jaren op mijn T-shirt staan, maar het leven laat zich niets afdwingen en voordat je het weet ben je een brave man van 64, die terugkijkt op al die verslavingen en vervolgens tot de conclusie komt dat het eigenlijk allemaal wel ontzettend hard werken was. Behalve die periode van een jaar of vijftien dat ik seksverslaafd was en minimaal drie of vier keer per dag op jacht moest. Daar kijk ik dan toch nog wel met enig genoegen op terug. Niet dat ik er trots op ben. Ik heb veel mensen nodeloos leed berokkend, maar het was wel een van de weinige verslavingen waar je zelf minder last van hebt dan je omgeving.

Nu ben ik al jaren clean. Ik heb alleen nog dwangmatigheden die maatschappelijk geaccepteerd zijn. Zoals workaholic zijn. Het heeft mijn werk overigens geen goed gedaan. De foto’s die ik maakte toen ik nog steevast stontlazarus was, waren veel beter dan de foto’s die ik nu maak. De teksten die ik schreef in tijden dat ik drie of vier gram cannabis per dag gebruikte, waren beter dan de teksten die ik nu schrijf. Maar het gedoe, het eeuwige gedoe rond alcohol en andere middelen, mis ik in het geheel niet. Wat me nu wel verbaast, is dat ik al die jaren zo productief ben geweest, ondanks dat voortdurende ziek zijn. Nu met het min of meer verplichte binnenzitten vanwege een pandemie, ben ik bijna voortdurend met mijn archief bezig en dan val ik van de ene verbazing in de andere. Steeds weer diezelfde gedachte: ‘Heb ik dat dan ook nog gedaan?’

Maar nog steeds begrijp ik Nederlanders niet. Misschien begrijp ik de mensheid als geheel niet, omdat ik mezelf te lang niet heb begrepen. Nu tijdens de pandemie al helemaal niet meer. Wat een watjes overal! De uit angst geboren saamhorigheid, die je vrijwel overal ziet. En die vreselijke minister president, die nog niet zo lang geleden mensen die voor 95% procent arbeidsongeschikt waren, door een aangeboren hersenafwijking of iets anders gruwelijks, onder een dwangsom toch nog via de Participatiewet aan het werk wou krijgen zonder redelijke vergoeding. Die zonder blikken of blozen beweerde dat iedereen zijn eigen gezondheid in de hand had. Die het zorgstelsel tot op het geraamte kaalvrat. Die huisartsen en zorgpersoneel vogelvrij maakte voor verzekeringsmaatschappijen. Opeens is hij populair bij mensen die hem jarenlang een naar fietsongeval toegewenst hebben. Hoe dociel kan het klapvee worden?

De nood is kennelijk zo hoog dat zelfs onze enige echte voor de buitenwereld herkenbare eigenschap van krenterigheid in de steek gelaten wordt. Opeens hoeven we niet te wachten met de aanschaf van eerste levensbehoeften totdat ze in de aanbieding zijn.

Dit land gaat niet ten onder aan deze pandemie, dit land was al decennia comateus. Het werd bevolkt door levende lijken die op social media hartjes en duimpjes om zich heen strooiden in de hoop dat iemand hun bibberende handjes vasthield. Er heerst een bijna ruikbare angst onder mensen die hun leven lang te bang waren om te leven, en te bang waren om dood te gaan.
 

Dit bericht heeft 2 reacties.

  1. J.Raadhetnooit

    Dat ongeluk dat kwam toch door een paard, althans dat had ik toen begrepen.
    Maar hoe dan ook – alsnog – grijpt me dit wel aan wat je is overkomen. Dat verklaart ook dat je misschien DIS hebt. (even googelen). Je leven moet wel een achtbaan zijn af en toe.
    Toen je 30 was vond ik je hebberig en je had een gladde babbel om alles van mensen gedaan te krijgen. Dat heeft je waarschijnlijk heel veel vriendschappen gekost.
    Gelukkig heeft je toenmalige partner, E. van O., je een zoon gegeven. En gelukkig kreeg je het zelf voor elkaar dat je op latere leeftijd een kunstheup kreeg omdat je altijd pijn had, nog steeds, door dat ongeval in je jeugd. Hans, je moet gedisciplineerd blijven en niet toegeven aan dat andere persoontje die in je zit. Je maakt prachtig werk. Erwin Olaf kan daar een puntje aan zuigen. Je bent een Kunstenaar.

  2. Hans van der Kamp

    Nee, ik raad nooit wie dit is. Kenmerkend aan dit bericht was de interpunctie, steeds een spatie voor de komma. Dat ken ik van twee of drie mensen. Ik heb dat aangepast. Ik ken overigens maar één iemand die voor iedereen een diagnose klaar heeft liggen.
    Anoniem plaatsen en daar mijn oude E-mailadres voor gebruiken: info@hvdk.com is ook veelzeggend.
    Ik ken mijn diagnose al jaren, maar desalniettemin bedankt voor de alternatieve diagnose.
    Erwin Olaf is een bijzonder groot fotograaf, al mis ik soms wat empathie in de manier waarop hij mensen verbeeldt.
    En het was inderdaad een ongeluk met paardrijden, maar als ik dat tegenwoordig zeg, dan denkt men dat ik het verzin, dus laat ik het maar achterwege.
    Volgende keer onder eigen naam, zou ik zeggen.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.