Een vrij platform

Kennelijk hebben we een vrij platform nodig om te kunnen discussieren over wie er wel, en vooral wie er niet een vrij platform gegund mag worden. Je ziet die discussies met name op Twitter, waar linkse en rechtse Gutmenschen met elkaar bakkeleien over wie de megafoon mag hanteren.

Prof. Dr. Pietje P. roept dan dat Thierry Baudet zijn mond had moeten houden op televisie. Ik heb zelf geen televisie, maar daar ben ik het dan helemaal mee eens. Klik! Love! Alsof het niks is. Daaronder staat dan weer het commentaar van zo’n lieve, homoseksuele jongen, die heel moedig zegt dat hij wel Baudet gaat stemmen. Waarschijnlijk is hij als de dood dat hij ├ęcht niet meer hand in hand boodschappen kan gaan doen met zijn vriend en dat hij – god betere – misschien wel als een ordinaire heteroseksuele echtgenoot gewoon met een veel te zware boodschappentas achter zijn partner aan moet gaan lopen sjouwen.

Dat wil je zo’n jongen dan ook weer niet aandoen, dus gaat je cursor als vanzelf weifelend over het hartje. Je wilt zeggen: Ik snap je angst en ik zal er voor vechten dat het nooit gaat gebeuren, maar je kunt niet klikken, want dan zeg je indirect dat je het met Thierry Baudet eens bent. Terwijl je dat alles zit te overwegen, walsen drie zoveelste-golf-feministen, die duidelijk niet zo snel als ik een lief, bang homoseksueel jongetje weten te herkennen, dwars over hem heen, noemen hem een fascist en leggen vervolgens nog eens uitgebreid uit waarom fascisten gewoon publiekelijk te kakken gezet dienen te worden in het belang van een betere maatschappij.

Toch is het pas half tien ‘s ochtends. Je kijkt naar je kop koffie die koud staat te worden.

Twee slokken koffie en je besluit dan maar wat sympathylikes of -loves uit te delen aan mensen waar je mogelijk qua werk en inkomen nog wat aan kunt hebben. Hier heb je ze,  poederspuiters! Klik, klik, klik, love, love, love!

Heel even heb je het gevoel dat je wat productiefs gedaan hebt. De kop koffie was inderdaad lauw, maar de vieze smaak in je mond heeft daar weinig mee te maken.


Normaal zou ik me op dat moment gaan voorbereiden op een actie binnen mijn eigen vakgebieden, maar nu stel ik het toch nog even uit. We leven immers ten tijde van Corona.

Inmiddels is het half elf en een gevoel van baldadigheid overvalt me. Ondanks het feit dat ik mijn halve leven binnen heb gezeten achter een scherm, voelt die hoedanigheid opeens ondraaglijk aan. Niet dat ik echt naar buiten wil gaan. Daar ben ik veel te bang voor met de longklachten die ik al sinds mijn jeugd heb. Ik kijk wel uit. Ook als het sein veilig gegeven wordt, zal ik waarschijnlijk nog zeker drie maanden binnen blijven.

Het idee dat ik niet naar buiten mag van de minister-president, dat stoort me. De man lijkt  als twee druppels water op een corpsstudent die ooit midden in de nacht just for the heck of it in dronkenschap mijn etalageruit ingooide. De volgende dag kwam hij, nog steeds met bolle tong, zijn excuses aanbieden en hij was stomverbaasd dat ik die excuses niet wilde accepteren voordat de ruit vergoed zou worden. Hij begreep dat niet. ‘Maarrrr,’ opende hij met zijn lijzige stem, ‘Mijn vadurhh vergoedt altijd allesss! Allesss! U bent onrrredelijkh!’ En meteen daarna dat wijzende vingertje, waar Rutte ook zo goed in is. Iedere keer als ik het hoofd van de premier zie, heb ik dat beeld van die dronken corpsbal weer voor ogen. Heel beklemmend, alsof ik aan de Spaanse wurgpaal zit.

Twaalf uur. Vooruit dan maar, in het archief op zoek naar Die Geschichte Josefine Mutzenbacher Teil 1 bis Teil 5. Vrolijk rondhossende half geklede of geheel ontklede Oostenrijkse deernen, wie wordt daar nou – buiten oorlogstijd – niet vrolijk van? Over een dwingende erectie hoef ik mij geen zorgen te maken, want daar is op mijn 64ste heel wat meer voor nodig dan porno bieden kan.

Na Teil Drei heb ik het wel gezien en alweer voel ik mij bijzonder productief, want ik heb mezelf ervan weerhouden om cryptische one-liners op Twitter of Facebook te gooien in de hoop iemand op de zenuwen te werken. Heel even voel ik mij zelfs een verantwoordelijk burger.

Twee uur ‘s middags. Ik waag mij weer langzaam op social media en ik zie dat de discussie over wie wel en wie niet zijn mond mag opendoen, nog steeds doorgaat en ik moet nog een hele middag uitzitten voordat ik echt wat kan gaan doen. Klinkt vreemd misschien, maar dat is een oude kwaal van me. Ik kan pas echt productief worden als ik zeker weet dat de kantoormensen eten, slapen, neuken of televisie kijken. Ik heb geen zin gestoord te worden door telefoontjes, notificaties of E-mail.

Het besef dat ik mezelf het slachtoffer heb gemaakt van mijn eigen decennia lange liefde voor het Internet dringt, zoals elke dag weer, in alle hardheid tot me door.


Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.