Geplaatst op

Boef

Als enigkind wilde ik graag een hond in huis, maar mijn moeder was een echte dierenliefhebber die niet zo maar een hond zou aanschaffen omdat haar zoon daar om vroeg. Een hond in huis halen is immers een project voor een lange termijn en zij vond terecht dat een negenjarige jongen daar niet over kon beslissen. In plaats van een eigen hond, kreeg ik een leenhond. Een bouvier die op de fabriek van mijn vader dag en nacht aan een lange ketting lag met als doel de fabriek te behoeden voor inbraak.

Waarschijnlijk had hij, omdat het een rashond was, bijna net zo veel namen als een lid van de koninklijke familie, maar aangezien ik niet over zijn stamboompapieren beschikte, noemde ik hem Boef. Niet dat hij daar op reageerde, want hij reageerde vrijwel nergens op. Zodra je wat zei, stond hij je volkomen uitdrukkingsloos aan te staren. Gooide je op het veldje een stok of een bal meters weg, dan volgde hij de worp met zijn ogen om je daarna weer even uitdrukkingsloos aan te staren, maar er was geen beweging in te krijgen.

Wilde je hem aaien, dan liet hij zijn gele tanden zien. Ging je verder met aaien, dan begon hij te grommen. Dan was de lol er wel zo’n beetje af.

Wel vloog hij bij het minste geluid buiten in de gordijnen en blafte zo knetterhard dat hij een beetje op onze zenuwen begon te werken. Mijn moeder legde mij uit dat de hond niet gewend was met mensen om te gaan en dat we een soort resocialiseringstraject voor hem moesten bedenken. Lange wandelingen waren uiteraard het uitgangspunt. De hond had immers goedbeschouwd uitsluitend in een kooi geleefd.

Tijdens die wandelingen bleek hij toch over enige persoonlijkheid te beschikken, want hoe strak we de ketting ook aangetrokken hielden, zodra hij een Surinamer, Antilliaan, Marokkaan, Turk of Griek aan de andere kant van de straat zag, dan wist hij zich als een ware Houdini uit zijn ketting te werken en vloog hij wild blaffend de straat over. Niet dat hij die mensen beet, maar hij bezorgde ze wel een trauma voor het leven door in alles te doen alsof hij ze in tweeën zou scheuren. Wijde broekspijpen waren in de mode in die tijd en Boef vond het ook heerlijk om mensen aan een broekspijp over het trottoir te sleuren.

Het enige wat die hond dus wel kon, zou je nu etnisch profileren noemen. Op ministerieel niveau, zeg maar, want hij sloeg geen ‘vreemde’ over.

Mijn vader, die als een van de eerste ondernemers gastarbeiders naar Nederland had gehaald, keurde dat niet goed maar moest er wel heel hard om lachen. Mijn moeder zag het probleem niet en zei: ‘Ja, maar waarom moeten die mensen zich ook zo anders gedragen? Geen wonder dat die hond daar niet tegen kan.’

Ik kan me niet herinneren hoe lang Boef bij ons is gebleven. Niet veel langer dan na de eerste persoon die een aanklacht indiende bij de politie. Daar hielden mijn ouders niet van.

Als kind vind je het gedrag van je ouders normaal, zeker als ze kunnen beargumenteren wat ze vinden, dus ik had geen enkel besef dat ik in een racistisch gezin opgroeide. Pas later, veel later, begon ik te beseffen dat ik ook een behoorlijke tic van hun manier van denken had meegekregen. Ik hoorde mezelf dingen zeggen die gewoon niet in orde waren en heel langzaamaan ben ik daar steeds meer op gaan letten, maar hoe verder ik van die opvoeding af kwam te staan, des te groter werd ook de kloof tussen mij en mijn ouders. Al deed ik nog zo mijn best gezellig te doen, als volwassene bij hen op bezoek, bij de eerste uitspraak zoals ‘Eigen Volk Eerst’ of zo, stapte ik zo snel mogelijk op de trein naar huis.

Daardoor heb ik mijn ouders eigenlijk amper gekend. Ik zag ze twee, drie keer per jaar. Om niet al te hufterig over te komen heb ik zowel mijn vader als mijn moeder verpleegd toen ze terminaal waren, maar ook niet geheel van harte. Zeker niet toen mijn moeder zorg weigerde van welwillende vrouwen met een hoofddoekje.

Als ik nu zie hoeveel latent racisme opborrelt bij de rellen rond de avondklok, dan vraag ik mij oprecht af hoeveel mensen van mijn generatie niet zoals ik zijn opgevoed, zonder dat ze daar kennelijk enige heldere conclusies uit hebben getrokken. Vandaag nog opperde een man op Facebook om leeuwen los te laten op Marokkanen.

Geplaatst op 1 Reactie

De grijze ridders van het laatste uur

Een aantal weken geleden ontving ik een e-mail van Mr. Carl Everaert, secretaris van stichting OpNieuw, dat het ‘einde van de rit’ was bereikt. Hij doelde daarmee op mijn functie als hoofdredacteur van het buurttijdschrift OpNieuw. De reden om de samenwerking op te zeggen was ‘de toon van mijn e-mails’. Daar kan ik niets tegenin brengen, want ik kan ongelooflijk vals uit de hoek komen als ik het gevoel heb dat er over me heen gelopen wordt. Toch enigszins verward liep ik vervolgens naar de brievenbus en daarin trof ik het aanvraagformulier aan voor een AOW-uitkering. Het werd mij langzaam duidelijk dat het universum mij iets probeerde te zeggen.

Wat ging eraan vooraf? Vorig jaar had ik de redactie van OpNieuw overgenomen van eindredacteur Roos Hendriks, die zichzelf graag als ‘Koningin van de Nieuwmarktbuurt’ ziet. Ik kan mij niet herinneren dat iemand anders haar ooit zo noemde, maar dat kan aan mijn beperkte sociale contacten liggen. Zij stond tien jaar lang met verve garant voor vier uitgaven van OpNieuw per jaar. Haar strategie was even eenvoudig als doeltreffend. Ze hield niet van schrijven en ze had naar eigen zeggen geen verstand van beeld. Echt een uitgever, zoals uitgevers nu eenmaal zijn, dacht ik meteen. Zo anderhalve maand voor deadline begon zij mensen aan hun jasje te trekken dat het tijd werd een bijdrage te leveren en zo kwam na enig aandringen het blad wel vol. Zelf zegt ze over die periode: ‘We hadden vaak maar één goed onderwerp en de rest was bladvulling.’

Ja, dat geloofde ik wel. Als mensen gratis, maar wel in opdracht schrijven, in plaats van spontaan bijdragen te leveren, dan krijg je inderdaad een bak vol bladvulling. Het was een kleurrijk groepje scribenten die zij zo bijeen geharkt had. Haar ‘Hoofd Groen’, een vrouw die hovenier was en over alles wat groeide en bloeide schreef, geloofde heilig dat de gemeente de stad aan het ontbossen was om 5G-zendmasten beter door te laten komen. De vaste medewerker literatuur, door mij snel van de bijnaam Harry Mulish voorzien, legde uit wat het verschil was tussen proza en poëzie op zo’n manier dat je meteen sympathie ging voelen voor mensen die nooit meer een boek willen lezen. Het was een allegaartje zolderkamerjournalisten voor wie middelmaat het hoogst haalbare was dat echter zelden gehaald werd. Zo hoort dat ook bij een buurttijdschrift. Per slot van rekening was ik ook maar van de straat geplukt en waarom zou ik daar op neerkijken?

Toch wou ik bij de overname graag van die bladvulling af. Ik wilde een tijdschrift dat ook daadwerkelijk buurtbewoners centraal had staan en niet alleen omdat ze zojuist overleden waren en daardoor alsnog geschikt materiaal waren voor bladvulling. De veranderingen die ik langzaamaan doorvoerde vielen goed bij de meeste mensen, maar uiteraard waren de scribenten die jarenlang garant hadden gestaan voor de bladvulling minder gelukkig. De haatmails van ex-medewerkers vlogen me om de oren. De toon van die e-mails was vele malen valser dan die van mij in mijn meest donkere uren. Volgens Roos was dat normaal. Ze meldde me dat ik meer positieve mails had gekregen in één nummer dan zij in tien jaar. Ze deed daar heel sportief over, maar ik kan me goed in haar rol verplaatsen en dat moet niet makkelijk zijn geweest. Ik betwijfel ook of dat echt zo was. Ik neem aan dat mensen haar ook regelmatig gecomplimenteerd hebben, maar complimenten vergeet je nu eenmaal makkelijker dan beledigingen.

Voorafgaand aan mijn komst waren verschillende redactionele bijdragen geplaatst waarin gesmeekt werd om een nieuwe redactie. Dat is de ergste fout die je als eindredacteur kunt maken. Desnoods schrijf je onder tien namen de pannen van het dak af, maar je zo zwak opstellen zorgt ervoor dat niemand nog een uitdaging ziet in je uitgave. Wie wil immers een halfdood paard berijden?

Ik had met haar te doen en meldde mij als mogelijke opvolger met een lang CV vol bladen die aanzienlijk imposanter waren dan OpNieuw en ik kreeg ‘de baan’. Dat kwam mij goed uit, want het leverde vrijwel niets op, maar het ontsloeg mij wel van de sollicitatieplicht die ik als 65-jarige in het land van de Participatiewet nu eenmaal heb. En zeven dagen in de week werken doe ik toch wel, of ik nu betaald word of niet. Sinds ik jaren geleden met genotsmiddelen en vreemdgaan ben gestopt, is werken mijn vaste verslaving geworden.

Al snel begon ik ondanks de tegenwerking echt van het blad te houden. Mijn laatste nummer geeft daar ook echt blijk van. Ook kon ik het vaak goed vinden met Roos. Ze had echter één makke en dat was dat ze vrijwel alles wat gezegd en afgesproken werd, de volgende dag gewoon weer was vergeten. E-mails sturen om haar ergens op te attenderen had ook geen zin, want alle e-mails werden door haar keurig na lezing gewist. Opgeruimd staat netjes.

Orde en logica zag zij als haar sterkste kanten. Ook stond zij vaak op uitzenden en zelden op ontvangen. Aan haar gehoorapparaat kan het niet gelegen hebben, want dat ding kon werkelijk alles. Ze schakelde naadloos door van natuurlijk geluid naar haar telefoon alsof het niets was. Zelden heb ik een bezitter van een gehoorapparaat zo handig met het hulpmiddel om zien gaan. Ze was ook een van de weinige IT-specialisten van haar leeftijd. Ook daarin was vormgeving niet haar sterkste kant, maar vind maar eens een vrouw van zeventig die code kan lezen alsof het proza is. Daar zijn er niet veel van. Dat was echt een verademing om mee te maken. Dat ze daar ondanks vele afspraken en een schriftelijke overeenkomst niets mee deed, werd pas op den duur irritant.

Waar ik me wel enorm aan stoorde was dat ze onbewust haar stempel op het blad bleef drukken, terwijl ze haar taken als voorzitter/uitgever liet versloffen. Haar input werd vaak wel op prijs gesteld, maar liever had ik een slagvaardig voorzitter gezien. Meer dan eens heb ik uitgeroepen: ‘Als iedereen nu eens zijn eigen werk gaat doen, in plaats van dat van een ander, dan gaat er misschien wat minder tijd verloren.’

In het begin zag ik haar vooral als de expert van de Nieuwmarktbuurt, maar gaandeweg werd mij steeds duidelijker dat zij de buurt op een uiterst subjectieve manier zag. In haar beleving was de buurt vooral wit, oud en heteroseksueel. Ja, er was wel eens wat aandacht besteed aan Chinezen, maar dat leverde de redactie – mijns inziens terecht – het verwijt op racistisch te zijn.

Ik had een overeenkomst dat mijn redactie onafhankelijk zou zijn. De eerste die daar met zijn grote, ongeveegde voeten overheen slofte was de secretaris die ook advertentieverkoper was. Hij gaf in korte zinnetjes commando’s via e-mail, waarin hij hele redactionele pagina’s weggaf als ‘douceurtjes’, zoals hij dat noemde. Hij was nota bene ook de man die de paragraaf redactionele onafhankelijkheid in de overeenkomst had opgenomen.

Citaat: ‘De lezers kunnen wat mij betreft verrekken. Het is een gratis blaadje. Dan gaan ze er maar geld voor betalen.’

Roos belde mij vrijwel om de dag en het waren lange, gezellige gesprekken, maar nogal eenzijdig. Hoewel zij vrijwel voortdurend aan het woord was met steeds dezelfde verhalen die ik al tientallen keren eerder had gehoord, vond zij ook dat ze ‘te vaak in de rede werd gevallen’. Telefoneren kon ik dus ook al niet in de ogen van de voorzitter. Nu heb ik de bijzonder kwalijke eigenschap dat wanneer mensen niet naar me willen luisteren dat ik ze ga e-mailen. Reageren ze daar dan niet op, dan mail ik ze nog een keer en dan wordt mijn toon een tikje valser. Kennelijk ben ik zo verknocht aan communicatie dat ik door roeien en ruiten ga. Mensen kunnen beter gewoon even goed naar mijn allereerste milde verbale versie luisteren, want dat bespaart ze later veel leed in hun inbox.

De koningin van de Nieuwmarktbuurt was vooral verbaal lawaaierig en ontactisch te noemen en als zij haar zin niet kreeg, dan moest er een mannetje opgetrommeld worden die ging uitleggen hoe zij, ondanks haar grote mond en haar nare uitspraken, toch gezien moest worden als een slachtoffer. Dat werd dan steevast de oude charmeur Mr. Carl Everaert die zich als een onvermoeibare ridder voor Damsels in distress opwierp. Hij was dan overduidelijk volledig blind op een missie. Wat de oorzaak van de problemen ook was, dat interesseerde hem in het geheel niet. Roos had gewoon gelijk en moest gered worden. U kent dat soort mannen in de zeventig vast wel. Ooit waren ze populair bij de meisjes en op hun oude dag moet elke vrouw binnen hun blikveld ‘gered’ worden. De grijze ridders van het laatste uur.

Laten we hem de eer gunnen dat hij mij daarmee succesvol uit mijn positie gepest heeft en ik vergeef het hem van harte. Hij is echt een aardige man. Waarschijnlijk is hij vooral vaak verdrietig dat hij niet de man meer is die hij ooit was. ‘Mag ik je zoenen?’ vroeg hij Roos eens na Corona gehad te hebben en gevaccineerd te zijn midden in een lockdown. Nee, dat mocht hij niet. Kennelijk had hij zijn klassieken niet helemaal op een rijtje, want van ridders wordt nu eenmaal platonische liefde gevraagd.

Een maand geleden was hij nog op pad gestuurd om penningmeester Joost uit het bestuur te werken, ook een lang gekoesterde wens van Roos, maar dat is op de een of andere manier mislukt. Waarschijnlijk had hij te veel macht om als een schooljongen weggestuurd te worden. Het fijne weet ik daar niet van. Bij mij lukte het in ieder geval wel binnen een dag. Ik had al eerder met hem als onderhandelaar namens Roos te maken gehad en wijs geworden door die ervaring weigerde ik hem over wat dan ook inhoudelijk te woord te staan. Wel heb ik hem een nietsnut van een advertentieverkoper genoemd, wat feitelijk geheel juist was, maar milder verwoord had kunnen worden.

Zoiets doe je een jurist die ooit zijn eigen kantoor heeft gehad niet aan. Dan heb je jezelf buitenspel gezet in de sterk op sociale rangorde gebaseerde grachtengordel.

So be it. Ik verlies liever mijn goede naam dan mijn principes.

Geplaatst op

De Pfizertjes

Jaren geleden zat ik enigszins aangeschoten in de trein, toen bij een tussenstop twee jonge vrouwen instapten. Uit hun verhalen bleek dat ze recent een marketingopleiding hadden afgerond en nu in de journalistiek werkten. Ik geloof voor de Volkskrant online. Zij hadden een geanimeerd gesprek over Ebola.

‘Heb jij dat nu ook,’ zei de ene, ‘dat je dan een bericht doorkrijgt dat er misschien een Ebolabesmetting is in een ziekenhuis en dat je dan stiekem hoopt dat het deze keer nu eens geen vals alarm is?’

‘Hou op,’ zei de ander, ‘hoe vaak ik al niet aan een stuk heb zitten werken dat uiteindelijk toch niet online kon, omdat er niets aan de hand was.’

‘Frustrerend,’ zei de eerste. ‘Je gaat gewoon hopen dat je nu eens een keer niet voor niets zit te werken.’

De trein doorsneed een typisch Hollands landschap dat recent nog in het nieuws was geweest met beelden van bulldozers die vers gedode varkens in open vrachtwagens kieperden. Pootjes stijf omhoog. Vlees dat niet gegeten zou worden, maar verbrand. Gevaarlijke besmettelijke ziekten waren er dus al, alleen troffen ze nog zelden mensen.

Ook de nieuwsmedia waren kennelijk niet helemaal gezond meer, getuige het feit dat marketingmensen nu ook journalistieke bijdragen mochten schrijven.

Ik moest aan die twee meisjes en hun Ebolaleed denken, toen ik deze week te midden van een roedel bejaarden op het terras zat. Het was de eerste dag van de versoepeling van de Coronamaatregelen en de gesprekken gingen dan ook uitsluitend over vaccineren. De oudsten onder hen hadden uiteraard Pfizer gehad en daar waren ze zo tevreden over dat ze niets meer met mondkapjes en de afstandsregels hadden. Helemaal zeker van hun zaak waren ze kennelijk ook weer niet, want vrijwel alle gesprekken gingen over medische aangelegenheden.

Geheel onverwacht boog een vrouw naast mij, die nogal met consumptie praatte, zich naar me toe en fluisterde in mijn oor: ‘Die man tegenover mij, die mag wat mij betreft wel wat verder naar achteren gaan zitten, want die heeft Astra Zenica gehad en dat beschermt voor geen meter. Zo iemand heb ik eigenlijk liever niet te dicht bij me zitten.’

Geplaatst op

Vergeefs uitleggen

Pieter Bruegel de Oude (uitsnede)


Ik heb niet meer zoveel met de dood. Vroeger lag ik als kerngezonde jongeman soms nachten wakker van het idee dat mijn leven eindig was. Nu ik dichter bij de dood kom of de dood dichter bij mij, begrijp ik dat het einde ruwweg slechts vier scenario’s kent.

1/ Het gaat snel en onverwacht, zoals door een zware hersenbloeding of hartstilstand, nét op het moment dat je midden in de nacht je koelkast opentrekt om te kijken of er nog iets te snaaien of te zuipen valt. Je ligt vanuit volle beweging opeens pats-boem roerloos op de keukenvloer met je dertig kilo overgewicht en alles wat zo mooi tijdelijk leek, is in één enkele handomdraai tijdloos geworden.

2/ Je krijgt een nare, slopende ziekte en je kunt nog minstens drie maanden of een half jaar het middelpunt op social media zijn met dagelijkse verslagen van het leed dat je doorstaat, zoals zovelen dat met verve kunnen doen. Ik vermoed dat ik in zo’n geval zal zwijgen en aan mijn archief zal gaan werken, terwijl ik mij tevens te buiten ga aan drank en pijnstillers, maar ik heb wel eens vaker tegen beter weten in gehandeld, dus ik kan geen garanties geven.

3/ Je wordt zo oud dat je de verstandigste beslissing ooit maakt door je gehoorapparaat uit te zetten, omdat je nog heel veel verhalen te vertellen hebt, maar geen behoefte meer voelt om naar het inhoudsloze geklets van anderen te luisteren. Vermoed je echter, als geoefend rakende liplezer, dat mensen per ongeluk toch een interessante vraag aan je stellen, dan breng je je hand naar je oor en je kijkt die persoon aan met een blik alsof iemand zojuist een ongeschuurd stuk hout in je achterste heeft geschoven. Na al je verhalen honderden keren verteld te hebben, ga je uiteindelijk op een dag ‘s avonds naar bed en word je – zoals de echte Amsterdammer dat zo mooi formuleert – ‘s ochtends dood wakker.

4/ De vierde optie is de hard core versie van de tweede. Je krijgt een nare, slopende ziekte en een aantal millennials in een ziekenhuis, die te veel uit hun eigen pillendoos snoepen, besluit dat je nog best te redden bent en zij laten een shitload tests en behandelingen op je los met alle gifmengerij en invasieve apparatuur die ze maar aan kunnen slepen. Na maanden vreselijke vernederingen te hebben doorstaan, komt dan uiteindelijk toch het rinkelende karretje morfine voorrijden. Lig je dan eenmaal reutelend te sterven op een voor jouw doen veel te lage dosis morfine, dan zeggen je dierbaren: ‘Kan er niet wat aan dat gereutel worden gedaan? Volgens mij heeft hij pijn.’
‘Nee, dat hoort zo,’ zegt de verpleegkundige dan kordaat, ‘dat versnelt het stervensproces.’

Als optie vier je einde wordt, dan kun je de hoogste bergen beklommen hebben, de wildste zeeën bevaren hebben, met filmsterren hebben geneukt, of miljoenen hebben vergaard, maar dan verlaat je het leven als een stotterende orator die struikelend de bühne verlaat. Dan zal elk verhaal wat er over je te vertellen valt, verbleken bij de gefluisterde anekdotes over je laatste dagen. Dan hebben medici jouw laatste voorstelling gestolen en daar bovendien ook nog eens verdomd goed aan verdiend, al klagend over werkdruk en bezuinigingen van de overheid.

Toch verbleekt je eigen dood altijd bij de dood van een goede vriend aan wie je bijvoorbeeld al veertig jaar vergeefs probeerde uit te leggen dat je tijdens zijn werkreis in 1979 echt niet – zoals hij onwrikbaar bleef geloven – met zijn echtgenote hebt geslapen. Dan is die vriend niet alleen dood gegaan, maar ook nog eens gekristalliseerd in zijn eigen waanbeelden en jij staat dan moederziel alleen op zijn begrafenis met zijn onterechte verdachtmakingen te vechten, terwijl je normaal op een begrafenis, eigenlijk zoals ieder ander, hoofdzakelijk aan je eigen sterfelijkheid hoort te denken.

Geplaatst op

Proefkonijn


Als jongen van twaalf jaar ben ik, zonder toestemming van mijn ouders, als proefkonijn gebruikt voor radioactieve tracers die via een lange naald vlak naast mijn balzak in mijn lijf gespoten werden, terwijl specialisten in loden schorten om mij heen stonden en met die naald langs mijn heupgewricht schraapten. Ik was niet plaatselijk verdoofd en ik was ook niet onder narcose. Ik heb deze gebeurtenis eerder in detail beschreven op deze website en het is slechts belangrijk als achtergrondinformatie. Misschien kunt u zich beter in mijn standpunt verplaatsen als ik zeg dat ik niet sta te springen opnieuw een proefkonijn te zijn, maar nu voor gentherapeutische middelen die uit marketingtechnische redenen vaccins genoemd worden, wat ze in de strikte betekenis van het woord niet zijn.

Mijn opstelling hierin heeft mij meteen het predicaat ‘wappie’ bezorgd en daar kan ik op zich mee leven, maar wat ik als lastiger ervaar is de druk die op mij uitgeoefend wordt door mensen die zich kritiekloos hebben laten ‘vaccineren’ omdat dit nu eenmaal ‘in het maatschappelijk belang is’, waarmee dus bovenop het predicaat wappie ook nog eens gesuggereerd wordt dat ik a-sociaal ben.

Laat ik meteen maar melden dat ik, nadat ik een overtollige dosis Astra Zenica van de huisarts heb geweigerd, meteen op schrift heb laten zetten dat ik afzie van behandeling op een IC als daar een Covid-gerelateerde reden toe mocht zijn. Ook beperk ik mijn contacten met anderen tot een minimum en draag ik als een van de weinige mensen altijd een mondkapje. Ik gebruikte al mondkapjes in de tijd dat Van Dissel van RIVM ze nog als ‘mogelijk gevaarlijk’ en ‘schijnveilig’ beschouwde. Een kijk op bescherming van de ademwegen die nu alleen nog populair is in wappiekringen.

Maakt u zich overigens geen zorgen, ik geloof niet in complottheorieën. De hele ideologie van de wappies zegt mij niets. Als de overheid regels stelt, dan hou ik mij daar braaf aan. Zonder te mopperen ben ik als ZZP-er naar de bijstand verkast, omdat ik mijn hoofdberoep niet naar behoren kan uitoefenen. Ik heb ook even in de ToZo-regeling gezeten, maar dan ben je vrijwel full time bezig te corresponderen met overbelaste ambtenaren en aangezien ik mij een half jaar van de AOW-gerechtigde leeftijd bevind, voel ik daar weinig voor. Er is immers ook geen verschil in inkomen tussen de Bijstand en de ToZo-regeling.

Dat ik op mijn twaalfde niet alleen proefkonijn ben geweest, maar in diezelfde kliniek slachtoffer geworden ben van veel meer volstrekt onacceptabele narigheden, van geweld tot en met misbruik, dat heeft niet alleen mijn leven gevormd, maar ook mijn kijk op medici en verpleegkundig personeel, die machteloos stonden toe te kijken en niets durfden te zeggen uit angst voor hun baantje. Veel later pas durfden twee van hen te schrijven dat ze nog lang wakker hadden gelegen van wat mij daar overkomen was. Dit laatste uiteraard pas nadat ze ergens anders werkten.

Vanuit de kennis die we nu hebben, ligt het voor de hand dat de radioactieve tracers voor de nodige fysieke ellende hebben gezorgd. Niet alleen ging ik tijdens die behandeling in shock, maar het gebied waar de naald naar binnen is gegaan is altijd een zwakke plek gebleven. Ik zal u de details besparen.

Ik heb die gegevens van dat medische experiment met tussenpozen geprobeerd op te vragen, maar dat is mij nooit gelukt. Het dossier was steeds zoek en uiteindelijk brandde het archief van die kliniek af. Het enige bewijs wat ik heb is de rekening die mijn ouders in 1967 is toegestuurd, ten behoeve van de verzekering.

De maatschappij die nu van mij vraagt wederom proefkonijn te spelen, heeft mij nooit enige steun geboden, of begrip getoond voor mijn leed. Medici zijn nu eenmaal onkreukbaar en we hebben in dit land geen traditie van verhaal halen bij medisch falen, of wangedrag door verpleegkundigen of masseurs, zoals fysiotherapeuten toen nog heetten.

De mensen die zich nu vrolijk hebben laten vaccineren met argumenten als vrijheid, gemeenschapszin en een lang gezond leven, wil ik er voorzichtig op wijzen dat, wanneer ze op de lange termijn toch negatieve gevolgen ervaren van hun ‘vaccin’, dat er dan geen vangnet zal zijn. Medici zullen altijd een oorzaak buiten de experimentele behandeling vinden die de oorzaak is van uw kwalen. Verwacht van de maatschappij voor wie u uw gezondheid in de waagschaal hebt gelegd, ook niet al te veel. Onze premier heeft het al zo vaak gezegd: ‘Uw gezondheid heeft u zelf in de hand.’

U heeft uw handtekening bij het kruisje gezet en daarmee doet u onbetaald mee aan de grootste klinische trial, die ooit eerder op de wereldbevolking is losgelaten. Maar laten we vooral hopen dat het ‘vaccineren’ u slechts de beloofde voordelen zal opleveren.

Ook ik zal binnen enkele weken, geheel tegen mijn gezonde verstand in, volledig gevaccineerd zijn, eenvoudigweg omdat ik mijn werk zal moeten kunnen uitoefenen, wil ik niet aan andere kwalen ten onder gaan.
 
 

Geplaatst op 3 reacties

De verfbom

Mike von Bibikov, kraker en activist

Of het in 1979 of 1980 gebeurde, dat weet ik niet meer. Ik herinner me dat ik, voor mijn doen, vroeg was opgestaan, want ik ging naar het gebouw van de Geïllustreerde Pers op de Stadhouderskade om een voorschot te innen op een reportage waar ik nog geen foto voor had gemaakt. Dat was nu eenmaal mijn manier van werken. Ik had een drukbezet nachtleven en was het geld eenmaal op, dan ging ik nieuw geld halen door een idee in te dienen bij de redactie van de Nieuwe Revu. Pas daarna ging ik daadwerkelijk aan het werk en met volle overgave. Ik besteedde veel meer dagen aan mijn reportages dan de meeste collega’s en ik raakte steevast al mijn onkostenbonnetjes kwijt, dus al met al was ik weliswaar té speels en té genotzuchtig te noemen, maar echt duur voor de redactie was ik niet.

In die tijd was er nog echt een kassabalie met een kassier in het gebouw en daar stond ik dan met een opdrachtbonnetje van de redactie. Voor mij in de rij stond Stan H. van Radio Stad Amsterdam ook een bedrag te innen en dat verbaasde mij, want er zaten meer redacties in het gebouw, maar niemand had iets met radio te maken.

Op weg naar de uitgang liep ik nog even naar de redactie om een pilsje te pakken uit de koelkast, waar toen nog een A4-tje op hing met de tekst ‘Vóór 12:00 geen sterke drank!’. Zoiets is ondenkbaar nu, maar toen was dat vrij normaal.

Ik vroeg terloops wat Radio Stad Amsterdam in het pand deed en ik zag de koppen van de redacteuren oplichten. ‘Er komen rellen vanavond! Glimmerveen gaat vergaderen in hotel-restaurant Die Port van Cleve en we gaan de kraakbeweging inlichten. We moeten die fascist een lesje leren! Op tafel lagen de flyers al klaar. Ik keek ernaar en het was eigenlijk niet meer dan een kort persbericht waar iemand een anarchistenteken op had geplakt. Dat velletje papier zou nog een paar honderd keer gefotokopieerd worden en dan zou Stan zorgen dat die bij de belangrijkste krakersbolwerken afgeleverd zouden worden.

‘Wat zal die Glimmerveen opkijken, als straks de hele kraakbeweging hem staat op te wachten!’ riep de redacteur van Foto’s, Nieuws en Feiten opgetogen.

Nu weet waarschijnlijk niemand meer wie Glimmerveen was, maar hij was een populistische politicus die zich, vanuit deze tijd bekeken, qua politiek ruim ter linkerzijde van Dijkhoff, Baudet en Wilders bevond.

Stan H. verdient inmiddels ook wat toelichting. Hij zit nu regelmatig op Facebook pogingen te doen om gerapporteerd of geblokkeerd te worden, maar toen had hij een belangrijkere functie. Met zijn Radio Stad Amsterdam verving hij bij krakersrellen min of meer de functie van social media nu. Krakers en op rellen beluste sympathisanten wisten via dat radiokanaal wat de bewegingen van de politie waren, hoe die te omzeilen en wat de beste plekken waren voor een confrontatie.

In dit specifieke geval leverde Stan H. een rel op bestelling aan. Journalistiek maatwerk, zeg maar.  Nog wel pal voor deadline ook, zodat andere tijdschriften en misschien zelfs de Telegraaf het nakijken zouden hebben. De sfeer op de redactie was uitgelaten.

Mijn eerste flappen voorschot werden, zoals de traditie dat nu eenmaal wilde, uitgegeven aan zaken waar ik hier niet dieper op in hoef te gaan, maar al banjerend door de stad zag ik overal krakers lopen met dat papiertje in hun hand.

Ik besloot de redactie vanuit zo’n oude telefooncel te bellen en vroeg of ik bij Die Port van Cleve mocht fotograferen. Daar werd wat lacherig op gereageerd, want er liepen al genoeg fotografen van ons rond, maar als ik dat zo graag wilde, was dat wat hen betreft geen probleem. Ik was immers een studiofotograaf en zeker geen echte persfotograaf, dus niemand verwachtte dat ik met interessant materiaal zou terugkeren.

Glimmerveen zou ‘s avonds in Die Port van Cleve arriveren, maar al om een uur of vijf konden er bijna geen trams meer passeren op de Nieuwezijds Voorburgwal. Het zag zwart van de krakers die alvast begonnen waren het straatmeubilair af te breken en uiteraard kwam de politie in vrijwel even grote getale opdagen met schel blaffende honden. Ik herinner me een wijze, oude agent die met een walkie-talkie vergeefs het hoofdbureau probeerde te overtuigen dat de politie-aanwezigheid daar op dat moment de zaak alleen maar verergerde.

Het werd een stand-off. Beide partijen beschikten over megafoons en schreeuwden elkaar toe, terwijl de spanning bleef oplopen. Af en toe vloog er een baksteen door de lucht. Ik wist mij door de menigte naar de portier van Die Port van Cleve te wringen om hem te vragen of er eigenlijk wel een vergadering met Glimmerveen ingepland was. Daar kon hij ‘beroepshalve’ geen antwoord op geven. Ik gaf hem een fikse fooi en toen kon hij wel bevestigen dat er voor de hele avond geen enkele vergadering was ingepland.

Inmiddels was het acht uur geweest en alle trams kwamen tot aan het CS vast te staan. De ruimte tussen politie en krakers was nu nog slechts een paar meter en in dat niemandsland opereerden wij. De situatie werd dusdanig bedreigend dat er beelden op het journaal verschenen. Dat moet ook het moment zijn geweest dat Glimmerveen voor het eerst hoorde dat hij een vergadering in Die Port van Cleve zou hebben. Drie kwartier later kwam hij in een taxi, of misschien in een gewone auto met chauffeur, voorrijden. Hij stapte uit en riep met gebalde vuist wat leuzen naar de menigte en de politie schoot pijlsnel toe om de politicus in veiligheid te brengen en af te voeren.

Dat zette kwaad bloed bij de krakers die zichzelf als ‘goed’ zagen en Glimmerveen als ‘fout’. Kortom de menigte vond dat ‘de fascist’ in bescherming werd genomen, terwijl de krakers honden op zich afgestuurd kregen. Ik was uiteraard niet op tijd bij de auto van Glimmerveen om een foto te maken, maar ik belandde daardoor wel samen met de cameravrouw van de NOS in het segment naast de Nieuwe Kerk, waar de eerste schermutselingen tussen ME en krakers begonnen. Op televisie en nu op filmpjes van burgerjournalisten krijg je niet goed mee met hoeveel lawaai zo’n clash gepaard gaat en hoe beangstigend dat is.

Na een houw van een wapenstok over mijn voorhoofd, volgde een enorme knal en meteen was het volledig stil in mijn hoofd. Ook kon ik in het geheel niets meer zien. Ik bracht mijn handen naar mijn hoofd en dacht bloed te voelen. Ik veegde dat ‘bloed’ uit mijn ogen en ik zag dat een ME-er met een bespat scherm de cameravrouw van de NOS een paar klappen met een wapenstok gaf. Haar camera viel en werd opzettelijk kapot getrapt door de ME. Dat moet ook zo ongeveer het moment zijn geweest dat ik mij realiseerde dat we in het epicentrum van een fikse verfbom hadden gestaan, want ik zag nu ook dat iedereen om ons heen witte klodders verf op zijn lijf had. Hoewel ik inmiddels wel weer kon zien, was ik nog steeds stokdoof. Ik begon te schreeuwen, willekeurige klanken, in de hoop iets te horen, bang als ik was voor altijd doof te blijven. Toen dat niet het gewenste resultaat had, zakte ik door mijn knieën en begon hysterisch te huilen. Ik weet nog dat ik, ondanks mijn hysterie, vooral ook bang was dat collega’s zouden zien wat voor slappeling ik was. Dat ze me zouden uitlachen, maar in plaats daarvan haastten drie fotografen zich naar me toe, droegen me naar een café, waar ze me geruststellend toespraken en de ene na de andere jenever in mijn keel goten om me weer rustig te krijgen.

‘Altijd vanuit de zijstraatjes werken,’ zei de oudste van hen, terwijl hij met proppen toiletpapier de verf van mijn gezicht verwijderde. ‘Eerste keer?’

Ja, het was de eerste keer en meteen ook de laatste. Een redacteur nam me de volgende dag apart en ik wilde mijn verhaal vertellen, maar hij onderbrak me en zei: ‘Je kunt mooi meisjes fotograferen, maar dit is duidelijk niets voor jou.’

Ik zou nooit meer rellen fotograferen.

Geplaatst op

La Dolce Vita (1)

Op mijn zestiende verboden mijn ouders me om een weekje met mijn vriendin naar Terschelling op vakantie te gaan. Niet omdat zij daar zelf een bezwaar tegen hadden, maar omdat de conrector van het gymnasium ‘s avonds op de deur had geklopt en mijn ouders vermanend had toegesproken. Er mocht geen sprake zijn van een relatie tussen dat meisje en mij, omdat wij niet uit hetzelfde milieu kwamen. Mijn vader was hoofd personeelszaken bij het plaatselijke waterleidingbedrijf en haar vader was directeur van verzekeringsbedrijf AGO dat later AEGON zou heten.

Het is nu amper nog denkbaar dat kinderen van twee families op zo’n manier van elkaar gescheiden werden, maar in het Leeuwarden van 1971 was dat niet opzienbarend. De familie van mijn vriendin had in verkiezingstijd een VVD-affiche voor het raam hangen en wij eentje van het CDA. De conrector was niet de eerste die bezwaar aantekende tegen onze kalverliefde. Haar vader had ook al een aangetekende brief aan de mijne verstuurd, waarin de man het einde van onze relatie probeerde af te dwingen. Hij was van oorsprong jurist en de brief stond vol met loze dreigementen, zoals het eisen van dwangsommen bij geen gehoor geven aan zijn verzoek.

Later zou hij zijn dochter eerst naar een kostschool in Engeland sturen en toen dat niet niet mocht baten, wilde hij haar ook nog naar een opleiding in Zwitserland sturen. Het zou onze liefde alleen maar spannender maken.

Onze gezinnen leken ook zo op elkaar. Haar moeder was alcoholist en mijn vader ook. Bovendien woonden we zo’n beetje in dezelfde straat.

De beste manier, zo had ik bedacht, om toch naar Terschelling te gaan, was mijn ouders om een Interrailkaart vragen en ze wijs te maken dat ik de wereld wilde verkennen. Met een Interrailkaart konden jongeren in die tijd vier weken voor weinig geld door Europa reizen. Mijn vader was een echte spoorwegfanaat dus ik kreeg nog zakgeld mee ook. Zo kwam het dat ik eerst met de Bergland Expres naar Innsbruck reisde om daar een ansichtkaart naar mijn ouders op de bus te doen en met het hetzelfde treinstel weer terug te reizen naar Nederland, waar ik me uitgeput bij mijn vriendin op Terschelling voegde.

Waarom zo omslachtig, zult u zich afvragen. Nou, mijn moeder was niet alleen behoorlijk helderziend, maar zij had ook nog een feilloze inschatting van de streken die ik zoal kon uithalen om toch mijn zin te krijgen. Haar zwakte lag in een ietwat sentimentele aard. Innsbruck en omgeving, dat was waar mijn ouders op huwelijksreis waren geweest. Die voor haar vast onverwachte zet van mij moest haar wel op het verkeerde been zetten.

Van die vakantie op Terschelling weet ik mij niet veel meer te herinneren dan dat seks, als je maar genoeg joints achter elkaar rookte, ongelooflijk prettig kon zijn. Voor die bewuste week was seks iets geweest dat voor mij behoorlijk ingewikkeld was. Ik kwam sowieso te vroeg klaar en met te vroeg bedoel ik ook letterlijk te vroeg. Ergens halverwege de penetratie. Mijn seksualiteit zou nog bijna een halve eeuw daarna gecompliceerd blijven, maar daar op die camping was er even een gevoel van ontspanning. Met de juiste middelen in mijn bloed was de hele exercitie aanzienlijk minder stressvol.

Na die week moest ik natuurlijk wel nog drie weken door Europa om de nodige vakantiefoto’s te maken en ansichtkaarten te versturen aan de familie in het zuiden van het land. Mijn moeder was heel secuur in dat soort dingen. Ik besloot me er makkelijk vanaf te maken en verstuurde in één keer een drietal kaarten aan iedereen en gaf die af bij de beheerder van een camping in de buurt van Venetië. Hij zou ze de volgende dag nog op de post doen. De kaarten kwamen minstens een half jaar later pas in Nederland aan en daarmee haalde ik mij heel wat verdenkingen op de hals. Was Hansje niet stiekem toch naar Terschelling gegaan?

Een ander probleem was dat ik niet zo goed in de gaten had gehouden wanneer mijn Interrailkaart zou verlopen, dus toen ik verder wilde reizen, was mijn kaart opeens niet meer geldig en mijn geld ook bijna op. Dat ik mij in Venetië bevond was trouwens geen toeval, want ik had in de bioscoop de film Death in Venice gezien van Luchino Visconti. Ik had niet veel van die film begrepen, zelfs niet dat het over de liefde ging die een oudere heer koesterde voor de veel te jonge, blonde Tadzio. Laat staan dat ik opgepikt had dat de oudere man met de naam Aschenbach een componist was die Gustav Mahler moest verbeelden.

Ik had bij het verlaten van de film onbedaarlijk moeten huilen en ik kon op geen enkele manier verklaren waarom, terwijl ik toch een redelijk goedgebekte jongeman was.

Terwijl ik zo doelloos zonder geld door Venetië slenterde, zag ik de ene na de andere parallel met de film. Je hoefde er geen symfonieën van Mahler bij te horen om de dreiging, die toen in Venetië hing, op de huid te voelen. Er lag een immens vliegdekschip voor anker en voor het eerst hoorde ik Amerikaanse toeristen de zwarte militairen op dat schip ‘boy’ en ‘nigger’ noemen.

Er heerste geen pest in Venetië zoals in de film, maar wel lagen overal verspreid door de stad zieltogende, of reeds gestorven katten. Ik sprak een paar woorden Italiaans, maar het werd mij bij navragen niet duidelijk wat de ziekte was waar de katten aan leden. Zichtbaar was dat ze tumoren hadden, dus gaf ik zelf maar een naam aan die ziekte. Builenpest. De sfeer van de film zat er nu goed in en toen een oudere man op het San Marcoplein me uitnodigde om een kop Cappuccino met hem te drinken en hij vervolgens ook nog vertelde dat hij klassiek pianist was, kon ik film en werkelijkheid niet meer van elkaar scheiden. Daar had ik trouwens sowieso minstens tot mijn dertigste ernstig last van, maar nu was ik me er zelfs niet eens echt van bewust.

Het is moeilijk voor te stellen, maar ooit was ik een betrekkelijk onschuldig jongetje.

Als een echte Tadzio zorgde ik dat ik verleidelijk genoeg was, maar ik sloeg zijn uitnodiging om hem te bevredigen af. Kennelijk heb ik dat niet met de juiste overtuiging gedaan, want hij nodigde mij uit om met hem mee te reizen naar Wenen waar hij een optreden zou hebben. Ik wist sowieso niet wat ik moest doen zonder geld, dus ik ben met hem meegegaan. Na een lange tocht in een gehuurde Porsche bleek de bestemming niet Wenen te zijn maar Graz. Daar kwam ik in een soort kruising tussen een conservatorium en een vakantieoord waar het barstte van de Amerikanen en andere toeristen die allemaal dezelfde liefde deelden: klassieke muziek.

De pianist die naar mijn beste weten Johnny Matthis heette, bleek daar met veel anderen afgesproken te hebben. Zo viel hij voortdurend om de nek van allerlei dames met een zwaar Amerikaans accent en stelde hij mij voor aan een Rus van wie beweerde dat het zijn kunstbroeder was. Borovski heette de man. Een bebaarde reus die zo de rol van Tolstoi in een film had kunnen spelen en gebroken Engels sprak. Daar waar ik de Amerikaan makkelijk van mij af kon houden, was de Rus wat vasthoudender. Elke nacht stond hij dronken op mijn deur te bonzen met het verzoek binnengelaten te worden, maar de deur was gelukkig van binnen afsluitbaar en overdag was hij nuchter en een absolute heer.

Langzaamaan begon ik te begrijpen waar het allemaal om draaide in dat conservatorium annex vakantieoord. Rijke Amerikanen, die zich in het thuisland met muziek bezighielden, konden daar voor veel geld overnachten en voor een fikse meerprijs een optreden krijgen in het door hun zo bewonderde Wenen op een niet geringe locatie. Zo ook mijn Amerikaan die tijdens een matineeconcert o.a. ‘Ich ruf zu Dir, Herr Jesu Christ’ van Bach ten gehore zou brengen. Maar voordat het zo ver was, moest er nog het een en een ander gerepeteerd worden. Ik zag mijn veilige positie daar aardig in het geding komen, want ik moest steeds vaker benadrukken tijdens uitjes dat ik geen geld had en Borovski’s acties ‘s nachts werden steeds vervelender. Ik klaagde daar over en Matthis zei: ‘Maar wat doe je hier dan? Je kunt toch weg wanneer je wilt.’

‘Ja, maar ik wil piano leren spelen,’ loog ik.

Dat was een van de meest onhandige leugens die ik had kunnen bedenken, want nu zat ik elke dag een uur lang met mijn pianist achter een witte vleugel, terwijl hij voortdurend mijn handen masseerde door ze in zijn kruis te drukken, terwijl hij me hijgerig aankeek. Ik wist dat ik daar weg moest, maar ik had, onervaren als ik was, geen idee hoe je zonder geld weer thuiskwam. Ja, liften, zoals dat in die tijd gangbaar was, maar hoe moest ik dan eten?

Terwijl ik al die beslissingen voor me uit zat te schuiven en ruim gefêteerd werd door de pianist, brak ook de dag aan van het matineeconcert. Ik leefde in de waan dat ik daar niet bij hoefde te zijn, maar ik werd naar het centrum van Wenen gereden. Daar kreeg ik een soort smoking en even later zat ik op de eerste rij met naast mij een meisje van mijn leeftijd dat ik nooit eerder had gezien. Tot op die dag had ik alleen ouderen gezien en ik vraag me nog steeds af waar ze haar toen vandaan hebben gehaald. Ook zij kwam uit Texas, Tennessee of een ander oord in het zuiden van de VS. Ze wilde amper een woord met me wisselen, maar week geen moment van mijn zijde. Ook werd zij voortdurend aan bezoekers voorgesteld als mijn ‘girl friend’.

Hoogtepunt of dieptepunt van het optreden was het moment dat mijn pianist tijdens een korte pauze opstond en als een ware salonjonker een diepe buiging maakte en uitriep: ‘Ich ruf zu Dir, Mein Herr!’, terwijl hij verlekkerde blikken in mijn richting wierp.

Dat was de druppel. In de receptie die op het concert volgde stortte ik mij bijna in de armen van een oudere Amerikaanse dame, van wie ik vond dat ze sprekend op Bianca Castafiore uit Kuifje leek. Voor wie Kuifje niet paraat heeft, dat was een dikke operazangeres die graag in de spiegel keek en daarbij: ‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel’ zong.

Ze had regelmatig even verlekkerd naar mij gekeken als mijn pianist, maar zij leek mij aanzienlijk minder gevaarlijk. Ik trok een pruillipje en vertelde haar dat ik honger had, in de hoop dat zij me uit het gezelschap zou bevrijden en mij uit eten zou nemen. Tot mijn stomme verbazing lukte dat. Ze nam mij mee naar een bijzonder chic restaurant en daar zaten we dan, ik opgelucht dat ik me van de pianist en Borovski had bevrijd en zij helemaal blij met mijn aandacht.

Toen de ober met de rekening kwam, legde hij die bij mij neer, maar ik wees inmiddels geroutineerd naar haar. Zij schoof de rekening echter terug naar mij en keek mij uitdagend aan. Ik wist nu echt niet hoe ik moest reageren en vluchtte naar het toilet. Na een minuut of wat daar gezeten te hebben, besloot ik dat er een einde moest komen aan die hele klaploperij en sloeg ik een ruit stuk in de toiletruimte en vluchtte via een pleintje achter het restaurant Wenen in.

(Wordt vervolgd)

Geplaatst op

De eigen waarheid

Ik was op bezoek bij een kunstenaar die zich zorgen maakte over de vele complottheorieën die circuleren. Zo halverwege het gesprek begreep ik dat hij ook simpele feitelijke onjuistheden als complottheorieën bestempelde. Daarmee impliceerde hij dat elke feitelijke onjuistheid een complot is. Dat was ook het moment waarop ik mij zachtjes aan hem begon te ergeren. Ik realiseerde mij dat ik, zijn gedachtelijn volgend, eigenlijk alles wat hij over zijn visie op kunst had gedeeld, dus ook een complottheorie genoemd mocht worden, omdat zoveel daarvan in de dertig jaar dat ik hem gekend had, op feitelijke onjuistheden gebaseerd was. Je hoefde maar twee of drie subsidie-aanvragen van hem uit de kast te trekken om dat met harde bewijzen te onderbouwen.

Zo had de kunstenaar in vrijwel elke aanvraag opgenomen dat werkeloze jongeren in zijn projecten ook een plek konden krijgen om werkervaring op te doen en hij naderde nu de tachtig en ik kon mij niet herinneren dat hij, in de halve eeuw dat hij kunstenaar was, ook maar één enkele jongere aan werkervaring had geholpen. Hij zou dat privé ook ruiterlijk toegeven, maar hij begreep tegelijkertijd donders goed dat zo’n wortel voor de neus onweerstaanbaar is voor de subsidieverstrekker.

Een belangrijke reden om iets als onwaarheid te bestempelen, is namelijk dat het andermans onwaarheid betreft. Dat begrijpen wij allemaal. Ons eigen gelijk is heilig en dat van een ander natuurlijk wat minder. Dat gaat voor vrijwel alle mensen op. We worden nu eenmaal niet graag voor dom versleten.

Ik kom eerlijk gezegd nooit mensen tegen die denken dat de aarde plat is en ik heb ook geen kennissen die denken dat Hillary Clinton een seksnetwerk voor pedofielen runt vanuit een pizzazaak, maar als ik die mensen wel zou kennen, dan zou ik ze hun eigen waarheid gunnen. Zo ken ik een ambtenaar bij de gemeente Amsterdam die oprecht gelooft dat we de Wallen moeten opschonen om mensenhandel de wereld uit te helpen. Het is een kijk op zaken die vrij makkelijk met feiten te weerleggen is, maar als dat nu eenmaal de consensus is geworden voor een aantal mensen, dan laat je ze gewoon lekker doorlullen.

Want als we mensen hun eigen waarheid niet meer kunnen gunnen, dan hebben we een Waarheidspolitie nodig die iedereen met afwijkende ideeën streng beboet en dat is logistiek alleen haalbaar door ruime digitale mogelijkheden te creëren, waarmee mensen elkaar kunnen verlinken. Iedereen kletst namelijk wel eens uit zijn of haar nek. Het is onmogelijk om op alle fronten even goed geïnformeerd te zijn. Zij die dat wel pretenderen te zijn, lijden aan zelfoverschatting.

Daar komt nog bij dat de waarheid van vandaag nog niet meteen de waarheid van morgen hoeft te zijn. Draait de aarde om de zon, of draait de zon om de aarde? In het verleden zijn voor het ‘verkeerde antwoord’ op die vraag, mensen op beestachtige wijze geëxecuteerd.

Natuurlijk erger ik mij ook aan mensen die anderen in gevaar brengen door een gedachtegoed dat kant noch wal raakt, zoals nu met Covid-19, maar het alternatief is die Waarheidspolitie. Ik ben op een leeftijd gekomen dat ik de complexiteit van het leven goed doorleefd heb, dus ik durf niets meer met zekerheid te stellen, maar de Waarheidspolitie lijkt me een slecht idee, want die moet dan weer aangestuurd worden door mensen die over de meeste macht beschikken en dat zijn over het algemeen ideologisch gezien niet de meest betrouwbare lieden.

President Trump heeft indertijd geprobeerd om – met enig succes – een eenpersoons Waarheidspolitie te vormen. Door bij alles, waar of onwaar, ‘fake news’ te brullen heeft hij een grote schare volgelingen gecreëerd die je vrijwel alles wijs kunt maken, als het maar ter meerdere eer en glorie van Trump is, of op zijn minst diens belangen dient.

In ons eigen land hebben we politieke partijen die, ondanks de scheiding tussen kerk en staat, geloven in een witte man met een baard die over water kon lopen, terminale zieken met handoplegging genas, water in wijn liet veranderen (!) om vervolgens gekruisigd te worden om drie dagen later weer levend rond te lopen. Is dat nu zo veel gekker dan het pedonetwerk van Hillary Clinton?

We gunnen die politici dat en ze doen geen vlieg kwaad in de Tweede Kamer.

Geplaatst op

De grootste plofkraak van 2020

De Nederlandse Vereniging van Klaplopers en Wanbetalers, meestal kortweg aangeduid als ‘ondernemers’ komt steeds vaker in het nieuws met ‘creatieve oplossingen’ voor de Coronapandemie. Nu wil ik zeker niet bestrijden dat mensen die zich gespecialiseerd hebben in klaplopen en wanbetalen een tekort aan creativiteit hebben. Integendeel, op de creatieve ladder staan ondernemers treden hoger dan de gemiddelde stakker die met een veel te licht autootje vergeefs een betaalautomaat ramt, daarmee de hele omgeving recht overeind in bed laat zitten om vervolgens, nog steeds blut, hinkend huiswaarts te keren.

De Nederlandse ondernemers hebben met hun eindeloze creativiteit de grootste en meest geruisloze plofkraak van 2020 gepleegd. Ze hoefden er geen voertuig voor op te offeren en ze mikten niet op een schlemielig kantoortje van de SNS-bank, maar zij koersten al in de eerste dagen van de pandemie schaamteloos af op de goedgevulde Staatskas. Met succes. Een eindeloze stroom geld verdween in de zakken van mensen die allang hadden zien aankomen dat hun winkel of uitgaansgelegenheid op een te dure plek in de stad langzaam maar gestaag de V&D achterna ging. Nog voor het einde van het jaar zullen zij alsnog onderuit gaan, maar niet voordat ze het karkas van hun onderneming kaalgevreten hebben, of doorverkocht hebben aan een partij die wel handel ziet in de herstart van hun uitzichtloze bedrijfsvoering, om zo wat kapitaal wit te wassen.

Dat is een zure manier om naar de zaken te kijken en het zal onze hardwerkende premier pijn doen dat er mensen zoals ik rondlopen die daar zo over denken, want ondernemers liggen hem immers zo na aan het hart. Hoewel de brave man zelden enige empathie toont, krijgt hij bij het woord ‘ondernemers’ echt een brok in de keel. Zijn secondant, het Brabantse klefbekje Klaas Dijkhoff, zal ongetwijfeld vergelijkbare sentimenten kennen, alhoewel hij vooralsnog zijn eigen platform lijkt te bouwen op ideeën die in de jaren dertig populair waren, zonder hem daarmee meteen de best geklede Neonazi van Nederland te willen noemen.

Gaat er iemand afgerekend worden op deze grootste plofkraak van 2020? Ja en nee. Het zullen in ieder geval niet de ondernemers zijn. Minder creatieve geesten, zoals politici, zullen gewoontegetrouw een bevolkingsgroep ergens op de rand van de armoedegrens of net daaronder aanwijzen als de nagel aan onze economische doodskist. Met de berg werklozen die onze ondernemers achterlaten in hun slipstream op weg naar nieuwe uitdagingen onder nieuwe rechtsvormen, lijkt nu al duidelijk te zijn welke groep in de maatschappij straks het mes op de keel krijgt gezet.

Zo hoort het ook. Tenminste, zo gaat dat in een land dat geregeerd wordt door lieden die het pseudo-liberalisme omarmen. Dat de kiezers zelf geen flauw benul hebben dat ze indertijd op die groep liberalen gestemd hebben, doet er niet toe. De meeste kiezers van de VVD wilden gewoon op een man stemmen die op een nette manier buitenlanders het leven zuur zou maken, zonder er tegelijkertijd zo bij te blaten als Baudet en Wilders. Je wilt immers niet dat de buren in de gaten krijgen dat je een misantroop bent. In overdrachtelijke zin zou je kunnen stellen dat de VVD een bruin overhemd draagt, maar dan wel gecombineerd met een fleurige stropdas.

Ik heb me daar al lang bij neergelegd en het enige wat ik kan doen, is stemmen op een oppositiepartij. Een beetje zoals Russen pal achter de kandidaat van de oppositie staan, terwijl ze heus wel weten dat Poetin onherroepelijk voor de zoveelste keer herkozen zal worden.

Maar ere wie ere toekomt, VVD’ers zijn goed in onderhandelen. Het levert zelden productieve resultaten op, maar partijen in hun kielzog gaan daardoor steevast kopje onder. Dat zijn eigenlijk meer ‘interne successen’ voor de partij, want als burgers hebben wij daar niet zoveel aan.

We begonnen de uitbraak van Corona in dit land met miljoenen virologen en die ontwikkeling op social media werd meteen stevig de kop ingedrukt, want er was alleen kennis te halen bij een man van het RIVM die veel ervaring heeft opgedaan met leprozen in Zuid-Amerika. Opdat we maar wél even goed begrepen wie het voor het zeggen had.

Zelf nadenken en conclusies trekken, zoals hardop zeggen dat je een verkoudheid hebt opgelopen in een trein door het voortdurende niezen van een passagier naast je, dat mocht nog net wel, maar beweren dat je Corona opgelopen hebt in een trein, omdat die sloddervossen van de NS met hun ranzige voertuigen ook anderhalve maand na de uitbraak nog steeds niet aan ontsmetting deden, dat wordt gezien als happen naar het baasje. Zonder erg zet je jezelf dan neer als viroloog zonder de benodigde papieren.

Ga je een stap verder en beweer je iets dergelijks bij de GGD, dan noteren ze waarschijnlijk stoïcijns dat je het virus thuis hebt opgelopen.

Daar stevenen we nu wel op af. De grootste kans op besmetting loop je thuis. Het wordt herhaald en herhaald bij elke gelegenheid. Is dat soms kinnesinne, omdat die paragraaf in het wetsvoorstel, waarin de politie bij verdenking van besmetting je huis kon binnenstormen, niet door de Eerste Kamer kwam? Of wordt er een nieuwe schijnrealiteit gecreëerd in de lijn van ‘ga gerust op vakantie want in een vliegtuig loop je geen Corona op. Daar hebben ze denkbeeldige luchtfilters die dat voorkomen. In je gezicht gehoest worden tijdens een vlucht naar Playa Hiero of Playa Daaro kan ook geen kwaad, want zelfgemaakte mondkapjes werken, eenmaal achter de douane, opeens wel. En die anderhalve meter? Ha, kom op zeg. Je bent op vakantie en dan moet je je toch in de lange rij voor het inchecken alvast een beetje kunnen ontspannen?

Twijfelt u aan de redelijkheid van die gedachtegang, dan twijfelt u meteen ook aan Ruttes noeste inspanning om met miljarden van uw eigen geld dit immense geluk voor u te realiseren. Dat u tijdens die drie kabinetten Rutte wel vaker een sigaar uit eigen doos gepresenteerd heeft gekregen, dat is oude koeien uit de sloot trekken.

Ik snap gewoon niet hoe ik in mijn eentje of met een partner, braaf thuis werkend, met boodschappen die aan huis geleverd worden, Corona kan oplopen. Wie bedenkt die onzin eigenlijk?

Ik begin de overheid ervan te verdenken dat ze een extern Bureau Creatieve Nonsens ingeschakeld hebben ten bate van het in stand houden van al veel te lang noodlijdende delen van de economie.

Nu is het dilemma ook gigantisch. Geef je de volksgezondheid voorrang? Of vind je als pseudoliberaal dat economie eigenlijk synoniem is voor volksgezondheid? Zelfs mensen zoals ik zullen niet ontkennen dat een gezonde economie soms ook voor meer gezonde mensen zorgt, behalve in de Verenigde Staten dan, want daar ga je huppend van bull market naar bull market toch altijd nog gemiddeld een jaar of zeven eerder dood dan de gemiddelde Mediterrane man, die in zijn leven niet veel meer heeft gedaan dan een olijfboom bewateren, zijn vrouw bezwangeren en op gepaste tijden een glaasje wijn of een aperitiefje achterover kieperen. U weet wel, al die bezigheden waar wij op middelbare leeftijd – bij gebrek aan tijd en levenslust – bloedverdunners en cholesterolremmers voor slikken. 

Geplaatst op

Het Forum

Voor het gemak neem ik even aan dat ik niet de enige persoon ben die wat vaker geïrriteerd raakt in deze tijd van regeltjes en virologen die overal uit de struiken kruipen om ons voor te lichten met een keur aan tegenstrijdige berichten.

Nu heb ik van nature al een kort lont, dus ik zou mij eigenlijk helemaal niet op social media, door mij steevast afgekort als SM, moeten begeven. Ik beschik bovendien over een zeker talent om mensen diep te kwetsen met meningen die ik zelf als bijzonder zuiver, eerlijk en oprecht zie.

Toch ontkom ik niet aan mijn dagelijkse portie SM, want mensen schijnen nu eenmaal te denken dat hun platform het enige platform van enig belang is en als ze je willen benaderen doen ze dat vanaf hun voorkeursplatform. Heel onhandig is het om mij iets te schrijven via Instagram, want dan moet ik mijn leesbril zoeken. Ik heb er meestal wel een stuk of tien her en der door het huis verspreid liggen, maar ik vind ze zelden, tenzij ik er per ongeluk bovenop ga staan.

Heb ik dan zo een half uurtje tevergeefs lopen zoeken naar mijn leesbril, dan heb ik de persoon in kwestie in gedachten al minstens twee, of drie keer gekielhaald, gevierendeeld of in de traditie van Count Vlad The Impaler over een scherpe paal laten zakken.

Dat is het voordeel van een ruime fantasie, want tegen de tijd dat ik ga antwoorden met leesbril op de neus, ben ik weer helemaal rustig en luister ik braaf naar wat men mij zoal te melden heeft, ook al had ik veel liever een E-mail gekregen, die ik op een tijdstip dat het mij uitkwam, zou kunnen beantwoorden.

Maar ik snap de makers van social media wel. Zelf heb ik midden jaren 90 een forum beheerd met een paar duizend vaste bezoekers. Niemand op zo’n forum wil dan gekwetst raken en daar heb je dan in het begin moderators voor die al te botte reacties op posts verwijderen of nare gebruikers blokkeren, maar al snel krijg je in de gaten dat een sociaal platform waar alles pais en vree is na een tijdje voor niemand meer interessant is. Het merendeel van de mensheid heeft nu eenmaal een licht masochistische inslag.

Voordat je het weet ben je overal waar het maar enigszins mogelijk is, bezig conflicten te laten escaleren, want dat levert pas echt resultaten op in de statistieken. Heb je een beetje ‘n rottig karakter, zoals ik, dan kun je binnen een paar dagen je bezoekersaantal verdubbelen door de zwakste mensen in de groep af en toe een trapje na te geven.

Dat werkt ongeveer hetzelfde als in klaslokalen waar het afzeiken van de zwakste leerling altijd voor veel hilariteit en een prettig gevoel van saamhorigheid zorgt. Dat daar dan iemand voor opgeofferd moest worden is van secundair belang. Het collectief vraagt nu eenmaal altijd om offers.

Dorsey van Twitter en Zuckerberg van Facebook hebben dat basisidee tot ongekende hoogte of diepte – hoe u het ook maar wilt zien – uitgewerkt. Het is vrijwel onmogelijk meer dan een uur posts te bekijken zonder op z’n minst licht gedeprimeerd te raken. Je maakt een stofje in je hersenen aan dat voor die mineurstemming zorg draagt en dat stofje is, zoals alle stofjes die je hersenen beïnvloeden, bijzonder verslavend.

Voordat u het weet zit u toch voor de vijfde keer naar het filmpje te kijken van een zwarte man die door een handvol agenten gewurgd wordt. Dit terwijl u net zo braaf bezig bent geweest om uw avondmaaltijd zo mooi mogelijk te fotograferen, waarmee u 16 ‘likes’ of ‘loves’ scoorde bij mensen die medelijden met uw kookkunsten hebben, terwijl de gewurgde man overal viraal gaat. Gewoon omdat iemand dood zien gaan nu eenmaal veel interessanter is dan uw Spaghetti Bolognese met een verkeerd gekozen wijntje erbij.

Hoed u voor uw eigen brein, het staat dag en nacht klaar om u via uw telefoon of tablet een naar gevoel te bezorgen.