Geplaatst op

Het studentenweekblad (2)

De telefoon ging. Het was oud-redacteur Panda. ‘Het is toch niet te geloven?’ zei ze. ‘Zijn ze soms blind daar op die redactie?’

Haar stem was hees van opwinding en niet het soort opwinding waar je als man op een landerige zondagmiddag op zit te wachten.

‘Wat is er gebeurd dan?’

‘Ik kreeg een telefoontje van Adriaan Jaeggi. Ze hebben een winnaar voor de Keefmanbokaal.’ Ik hoorde haar een Gauloise opsteken en ze sprak nu vanuit haar mondhoek. ‘Wat voor verhaal, heb ik hem gevraagd. Toch niet door Van der Kamp? Nee, zei hij, daar was het veel te goed voor. Ik naar de redactie en daar lag het stuk op tafel. Een verhaal over een manke man. Dat móet jij geschreven hebben! De sukkels…’

Of het haar manier was om me te feliciteren, weet ik niet. Ze ergerde zich vooral aan de redactie. Dezelfde redactie die ze dagen daarvoor nog fel verdedigd had. Zoals ze elke redactie van Propria Cures zou verdedigen. Dat is deel van de PC-traditie. Je valt nooit een zittende redactie af als oud-redacteur. Nu waren het wel heel even sukkels omdat ze een weddenschap met mij verloren had.

In zeker opzicht waren het ook sukkels, dat had ik al veel eerder ingezien, maar ik ben zelf ook niet helemaal lekker bij mijn hoofd.

De toenmalige redactie bestond uit drie redacteuren. De grootste mond behoorde toe aan Casper Schoemaker. Hij was zonder meer hoogbegaafd en extreem gevat. Hij was zijn tijd ver vooruit met het ongegeneerd gniffelen over rassentheorieën die sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer hardop besproken werden. Qua gedachtenwereld was hij een beetje een Thierry Baudet avant la lettre. Hij had een minimale, maar voelbare sociopathische inslag. Dat verklaarde misschien ook waarom hij voor de studie psychologie had gekozen. Zijn geest vroeg onbewust waarschijnlijk om genezing.

Dan was er Adriaan Jaeggi, een Leidse Corpsstudent die ook Jazzmuzikant was. Ik heb Jazz nooit helemaal goed begrepen, dus we hadden weinig conversatie. Hij was volgens mij vergeleken bij Schoemaker wel redelijk geestelijk gezond. Zijn enige zwakte was die van alle Leidse corpsstudenten: hij was uitermate competitief en onuitstaanbaar wanneer hij zijn zin niet kreeg.

Het moet echt een ramp voor hem zijn geweest dat hij naast de telefoon zat als journalisten belden om mij te spreken, de nare man die hij geen plaats gunde in de redactie. Terwijl hij, dichter Jaeggi van de koddige strofen, uitermate productief was maar volledig genegeerd werd. Hij zou heel jong overlijden aan darmkanker. 

Wel viel hem nog enige jaren voor zijn overlijden de eer te beurt om uitgeroepen te worden tot de aantrekkelijkste schrijver van Nederland bij een damestijdschrift. Dat laatste deed mij twijfelen aan mijn biseksualiteit, want dat was wel het laatste dat ik in hem zag. Voor mensen die een zwak hebben voor corpsballen, had hij zeker een bijzonder sympathiek voorkomen. Daarover bestond geen twijfel, maar aantrekkelijk? Hij klaagde tijdens zijn gehele redactieperiode over een gebrek aan seks.

Er zijn mensen in mijn omgeving die denken dat er een causaal verband bestaat tussen het vroegtijdig overlijden of het mank, of doodziek worden van mensen die hun best gedaan hebben om mij het leven zuur te maken, maar in het geval van Jaeggi kan mij niets verweten worden, want zijn vader was ook al heel jong aan dezelfde kwaal overleden.

En last but not least hadden we nog het PC-meisje. Voordat u mij seksisme verwijt; ik ben haar naam oprecht kwijt. Zij was op alternatieve wijze de redactie binnengekomen. Niet door een gedegen stuk te schrijven, maar door een foto van zichzelf naar de redactie te faxen. Gekleed neem ik aan, want selfies, smart phones en E-mail bestonden nog niet. Ze was zonder meer aantrekkelijk te noemen en ik herinner me haar vooral als de redacteur die bij voortduring hulp kreeg van Casper of Adriaan, die dan over haar heen leunend nuttige aanwijzingen gaven om haar werk te verbeteren. Dat kon toen nog.

Die aandacht had ze beslist niet nodig, want zij zou in tegenstelling tot Schoemaker, na haar redacteurschap nog minimaal twee volwassen romans schrijven, of verhalenbundels, geen idee eigenlijk. Ik was de enige in dat redactiehok die ze straffeloos durfde te kleineren, dus dan ga ik later niet nog eens door de regen naar een boekhandel fietsen om haar werk aan te schaffen.

Ze omschreef zichzelf graag als een ‘kept woman’ en in een ander universum hadden we het prima met elkaar moeten kunnen vinden, want ze was minstens even promiscue als ik. Er mocht dan weliswaar geen onderlinge aantrekkingskracht bestaan, maar we hadden wel dezelfde smaak als het mannen betrof.

Ik heb de tijd genomen om u even uitgebreid aan deze redactie van het roemruchte studentenweekblad Propria Cures voor te stellen, omdat ik met hen na het kort geding nog een korte, maar uiterst heftige periode heb doorlopen.

Door twee prijzen achter elkaar in de wacht te slepen, moest de redactie me wel op de een of andere manier tegemoet komen. Er werd ook milde druk uitgeoefend vanuit de Stichting Propria Cures. Niet alleen was ik de eerste stukjesschrijver in 102 jaar PC, die twee opeenvolgende prijzen in de wacht had weten te slepen, maar ik had het weekblad ook weer eens het woord ‘roemrucht’ waar laten maken, inclusief kort geding dat voor de verandering eens gewonnen was in plaats van verloren.

Voordat er echter over mijn positie gesproken kon worden, moest er eerst nog een uitreiking van de Keefmanbokaal plaatsvinden in het Muiderslot.

(wordt vervolgd)

Geplaatst op

Het studentenweekblad (1)

Bij mijn eerste werkgever, Nieuwe Revu, werd voor de komst van SP’ers als Fons Burger en Derek Sauer nog bijzonder opgekeken naar het studentenweekblad Propria Cures. Een van de hoofdredacteuren ging er prat op wel drie stukken voor PC geschreven te hebben en de chef redactie had geloof ik slechts een stuk geschreven voor PC, maar het werd altijd wel even vermeld. Dit vanuit de gedachte: als jullie soms denken dat wij alleen fotobijschriften kunnen schrijven, dan hebben jullie het goed mis.

De minst geïnspireerde redacteur van Propria Cures die ik ooit gekend heb, schopte het al vrij snel na zijn vertrek bij PC tot hoofdredacteur Panorama. Het is maar dat u weet dat er niet uitsluitend genieën gewerkt hebben voor Propria Cures. Verder heeft het studentenweekblad ongekend veel succesvolle mensen opgeleverd. De lijst is veel te lang om hier, zelfs in de kortst denkbare vorm, weer te geven.

De gangbare methode om in PC te publiceren is dat je een stuk instuurt en vervolgens elke week in de correspondentierubriek gaat kijken of er ‘Schrijf nog eens wat’ onder je naam staat of dat je huisvlijt in een kort aantal zeer beledigende woorden wordt afgefakkeld.

Heb je eenmaal veel voor Propria Cures geschreven, of ben je zelfs redacteur geweest, dan kan het zo maar zijn dat je op geheel onverklaarbare wijze ruzie krijgt met een jou onbekend persoon in Tikkemansland. Het kan dan nooit kwaad even te informeren of hij of zij ooit stukken bij Propria Cures heeft ingezonden die op nare wijze afgewezen zijn. Een eerlijk antwoord krijg je dan nooit, maar de gezichtsuitdrukking levert dan vaak voldoende informatie.

Zelf zou ik nooit stukken ingestuurd hebben naar Propria Cures, eenvoudigweg omdat ik te veel respect had voor de titel om nu juist daar afgewezen te worden. Bovendien ben ik geen fan van het Studentencorps en daar is het tijdschrift volgens mij wel uit voortgekomen.

Mijn eerste drie stukken belandden in Propria Cures omdat de columnist Donald Olie, die indertijd voor mijn tijdschrift werkte, ze voorlas op de redactie van PC.

De stukken werden in opeenvolgende nummers geplaatst en daar was het bij gebleven, ware het niet dat ik merkte dat mijn nieuwe liefde R. aan iedereen die het maar wilde horen vertelde dat ik voor PC had geschreven. 

Ja, en waarom schrijft een mens eigenlijk? In Nederland met de beperkte afzetmarkt zeker niet voor het inkomen, maar wel voor de aandacht van de meisjes. Iedereen die beweert dat het anders zit, heeft het niet goed begrepen. Als je jong bent is het schrijverschap een goede manier om een slag in de rondte te neuken, en als je oud bent is het de kortste weg naar vasculaire klachten. Het leven is simpel, iedereen die er iets ingewikkelds van probeert te maken, mag een uitslover genoemd worden.

Het maakt sowieso niet uit welk beroep je in de maatschappij uitoefent, want alle functies zijn direct of indirect afgeleid van het alleroudste beroep.

Nu moet je als schrijver niet te hoge eisen stellen aan het type groupies waar je mee te maken krijgt. In mijn tijd waren het vooral meisjes in pen-acht-truien met doodgeverfd haar, zo ook mijn dierbare R. Maar met een beetje kledingadvies en een kappersschaar is van elk meisje rond de twintig iets schitterends te maken. Wij biseksuelen zijn daar goed in.

Wil je leuke groupies hebben, dan moet je in de muziek gaan. Zo heb ik ooit de dichter Menno Wigman, die drummer was in een punkband, daar herhaaldelijk op gewezen. Joh, blijf in godsnaam drummen, je hebt geen idee hoezeer het behelpen is in de liefde als je eenmaal dichter of schrijver bent. Hij heeft niet geluisterd en hij is dan weliswaar niet aan vasculaire klachten ten onder gegaan maar hij stierf wel op jonge leeftijd in het OLVG aan een door hartklachten verergerde longontsteking.

Hoewel ik 22 stukken heb geschreven voor Propria Cures, waaronder de stukken over Charles Geerts en Spijkstra, ben ik nooit redacteur geweest van Propria Cures. Dat had ik graag gewild, maar opeenvolgende redacteuren vonden mij maar een nare man en bovendien te oud. Ik liep inderdaad tegen de veertig en dat ik een nare man ben, dat heb ik zelden of nooit weersproken.

Nu is het vreemd genoeg nooit beleid geweest bij Propria Cures om nare mensen buiten de deur te houden. Eerder zou ik zeggen dat het weekblad zelfs een lichte voorkeur had voor nare mensen. Ook die lijst is veel te lang om hier, zelfs in de kortst denkbare vorm, weer te geven.

Eerst lag redacteur Hans Quené dwars en dat begreep ik wel. Dat was een preutse jongen, zoals de meeste lelijke jongens preuts zijn om zich te behoeden voor hun onvervulde seksuele verlangens, en ik was immers hoofdredacteur van de blootbladen Playgirl en de High Society geweest. Hij vertrouwde mijn motieven niet. Waarom zou iemand die veel geld had verdiend in hemelsnaam gratis voor een studentenweekblad willen schrijven? Ik kon moeilijk antwoorden dat het mijn dierbare R. zo opwond. Op een gegeven moment tijdens het gesprek werd hij ook wat vals en impliceerde dat ik ook niet getalenteerd genoeg was voor PC.

In de meest brede zin van het woord is natuurlijk niemand ooit getalenteerd genoeg, maar voor het kleurloze clubje dat toen de redactie van PC bevolkte, zo oordeelde ik, was ik eerder ‘overqualified’ te noemen.

Pissig verliet ik het redactielokaaltje naast de fotozetterij van Het Parool en ik begon te broeden op een manier om de zittende redactie een loer te draaien. In het nummer dat de daarop volgende week op mijn mat viel, zag ik hun prijsvraag aangekondigd worden. Ze hebben daar verschillende prijsvragen per jaar, maar dit betrof de PC Onthooftprijs, een heel lullige prijs om te winnen, want als je er iets over wilt zeggen, dan volgt onherroepelijk de opmerking: Heb je écht de P.C. Hooft-prijs gewonnen? Dan moet je weer gaan uitleggen dat je de P.C. Hooft-prijs niet wint, maar alleen krijgt als men weet dat je aan een levensbedreigende ziekte lijdt en er haast gezet moet worden achter de uitreiking, zodat je die nog levend in ontvangst kunt nemen.

Als u mij niet gelooft, dan moet u de krant beter lezen. Er komt altijd eerst een bericht dat schrijver of dichter Zus of Zo lijdt aan een terminale ziekte en dan kun je gaan aftellen totdat hij of zij de P.C. Hooft-pijs krijgt. Je zou die prijs kunnen zien als palliatieve zorg voor mensen die hun hele leven onderbetaald en half wegbezuinigd hebben zitten werken voor onze onvolprezen vaderlandse cultuur.

Ik won de PC Onthooftprijs met het verhaal Merry Klysma’s, Dr. Otto! over mijn kortstondige werkzaamheden als medisch tekenaar en fotograaf bij het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut in het AMC. Mocht men mij een zeker talent toe willen schrijven, dan ligt dat toch vooral op het vlak van het stevig onderuit halen van mensen die zich onaantastbaar voelen, dus alle exemparen in de losse verkoop van PC, waarin dat stuk verschenen was, werden opgekocht door het KNAW in de hoop de reputatieschade van het Interuniversitaire Instituut zo beperkt mogelijk te houden. Het was zeker geen geweldig stuk, maar het liet wel wat koppen rollen en daar is de Onthooftprijs nu eenmaal voor bedacht.

De redactie was overigens door iemand van tevoren ingelicht dat ik mee zou doen, dus bij de voorselectie werden alle bijdragen die eventueel in de verte van mij konden zijn, alvast uit de stapel gevist en gediskwalificeert. Ik stel me altijd met veel plezier voor dat daar een beter stuk tussen heeft gezeten dan het mijne.

Mijn bijdrage was uiteraard goed gecamoufleerd, want ik had briefpapier plus bijpassende envelop gebruikt van het Interuniversitair Oogheelkunig Instituut en uiteraard een pseudoniem gekozen. Daardoor leek het alsof ik een rancuneuze Aio was die ergens de hele dag in een studentenkamertje goedkope wijn zat te drinken. Niets was aan het toeval overgelaten. Ik dronk nooit rode wijn, maar ik had even wat rode wijn geknoeid en met de voet van een wijnglas een mooie, rode halve maan op de reeds gesloten envelop gestempeld.

Romantiek is het halve werk.

Mijn goede vriendin Panda, oud-redacteur PC, stelde een uitdaging. De volgende meer prestigieuze prijsvraag ging om het winnen van de Keefmanbokaal. Als ik die ook zou winnen, en dat achtte zij onmogelijk, dan zou zij als eerdere winnares van de Keefmanbokaal mij met de mond bevredigen in haar BMW die zij ‘Werner’ had gedoopt.

Mensen weten altijd wel goed hoe ze mij moeten motiveren. Ik draag mijn ziel op mijn vestje, zeg ik wel eens.

Verder had ik ook nog een serieuze reden om die bokaal te winnen, want ik ben een fervent bewonderaar van het boek Keefman, geschreven door Jan Arends.

Dus ik heb mijn beste beentje voorgezet. Deze prijs was een stuk moeilijker te winnen omdat veel gevestigde namen meededen. Ik schreef voor de zekerheid drie stukken onder drie verschillende namen.

(wordt vervolgd)
 

Geplaatst op

Betalen moet iedereen

In 1991 ging mijn toenmalige vriendin – die op vakantie gaan zag als een manier om met zoveel mogelijk mannen te slapen – voor negen dagen naar een Spaans eiland. Voor elke dag van haar aanwezigheid daar tekende ik uit herinnering een raamhoer, want ik bevond me op dat moment ver van de Amsterdamse Wallen. Op sommige van die tekeningen staan prostituees geportretteerd die ik als kind gezien heb met mijn moeder op weg naar de Bijenkorf. Andere hoeren weer heb ik ook daadwerkelijk gekend en zelf bezocht. Een bevriend journalist adviseerde me die tekeningen naar Penthouse te sturen. Daar vroeg men mij om een paar citaten over hoerenlopen en in plaats daarvan schreef ik bij elke afbeelding een korte tekst.

Betalen moet iedereen

Men roept wel eens dat ik een vrouwenhater ben en dat het daardoor gekomen is dat ik zo fijn kan hoerenlopen. Of dat zo is, weet ik niet. Dat mijn haat zich alleen op vrouwen zou richten, spreek ik tegen.

In ieder geval ben ik wel door een mannenhaatster opgevoed. Geen harde feministe, maar een roddelend moedertje dat het vaandel torste voor een hele horde zwaarlijvige, grijze plattelandsvrouwen. Haar afkeer van mannen en haar idealisering van de vrouw gingen zo ver dat ik op mijn zestiende door haar volledig was voorgelicht over de delicate seksualiteit van de vrouw.

Het was ‘t resultaat van een lange rij voorlichtingssessies, waarin ze de man noemde als er een voorbeeld moest worden gegeven over hoe het niet moest.

Naar aanleiding van een televisieprogramma, zei ze me eens dat ze niet begreep hoe een man in godsnaam geld kon uitgeven aan een hoer.

Zonen gaan nu eenmaal niet naar hoeren, dus ik haalde mijn schouders op. ‘Als ik begrijp wat de mensheid beweegt…’ Maar ze zeverde er over door met de niet aflatende drammerigheid die er waarschijnlijk ooit ook eens toe moest hebben geleid dat mijn vader de eigenaardigheid had ontwikkeld om tijdens gesprekken naar het plafond te staren.

Ik liep naar de drankkast. Ik hoopte dat ze afgeleid zou worden. Een vlo bij de hond. Thuiskomende buren.

‘Hij neemt er nog een,’ ondertitelde mijn vader.

‘Ik snap er niets van,’ zei mijn moeder nog eens ten overvloede.

Ik moest nu wat gaan zeggen, anders was er niet genoeg drank in die kast om me weer rustig te krijgen. Hoever ik het ooit zou schoppen, welke hindernissen ik ooit zou weten te nemen, mijn moeder de mond snoeren zou mij nooit lukken en mijn vader ook niet.

‘Waarom bekijk je het niet anders, ma…’ De baby van de maand had model gestaan voor mijn glimlach. ‘Misschien zijn er zat mannen die er op hun beurt weer niets in zouden zien om met de voorzitster van de vereniging van plattelandsvrouwen te slapen…’

Mijn vader die zijn hoofd wat had laten zakken, keerde zijn blik alweer naar het plafond, scheen even na te denken en wees dan naar de walmen in het witsel boven de open haard. ‘Het wordt tijd dat we weer eens gaan witten.’

Mijn moeder zei niets. Ze hield haar blik star op de televisie gericht, maar ik kon zien hoe een rimpel aan haar mondhoek millimeters diepte won.

Betalen moet iedereen.


Het duurde even voordat Penthouse reageerde, dus ik had de verhalen ook opgestuurd naar literair tijdschrift De Held. Ook van hen hoorde ik niets, maar op een dag verschenen de verhalen en de tekeningen vrijwel tegelijk in zowel Penthouse als De Held. Later verschenen dezelfde verhalen ook nog in Propria Cures. Tevens verscheen er een klein boekje met alle verhalen en 6 van de tekeningen in een lage oplage bij Uitgeverij Kleyn.

Geplaatst op

De laatste keer

Het verhaal De laatste keer  won in 1991 de Keefmanbokaal van Propria Cures en werd door Adriaan Jaeggi, trouw aan een mooie traditie van het studentenweekblad, omgedoopt tot Voor Diesje. Ik gebruikte het pseudoniem Johan Verpalen, omdat ik op gespannen voet stond met de zittende redactie. De Keefmanbokaal is een prijs waarmee de schrijver Jan Arends (1925-1974) herdacht wordt. Dit verhaal werd in 1994 ook opgenomen in de bundel Mooi Meegenomen van Uitgeverij L.J. Veen.


Voor Diesje

Vreemd dat alles minder wordt, behalve dat eeuwige transpireren, peinst de heer Hummel, wanneer hij op zijn twee nieuwe heupen, met behulp van zijn twee oude wandelstokken, op het perron stapt. Het driedelig dat hij draagt valt hem ruim om de schouders. In de eerste helft van zijn leven heeft hij de kostuums weg kunnen gooien omdat ze te krap werden en nu werden ze weer te ruim.

Ze zou er wel beroerd uitzien, zoals iedereen van zijn tijd. Een verschrompeld hoofd met twee ogen erin voor de identificatie. Niet veel meer.
‘Diesje, Diesje. Wat doe je me aan,’ moppert hij, als hij zijn linkerbeen niet hoog genoeg optilt, de hak blijft steken tegen een scheve trottoirtegel, en een felle pijn zijn lijf doorsnijdt.
Op loopafstand van het station, had het meisje van zijn afdeling hem voor vertrek bezworen. En verdomd, dat mens had ook altijd gelijk. Het bejaardentehuis lag goed zichtbaar, nog geen kilometer verder, langs de spoorweg. Een makkie voor dat tutje. Als ík aankom, denkt de oude man, dan rollen de schroeven uit mijn broekspijpen. Wat een eind, wat een allejezus eind om te lopen op twee kapotte benen naar een liefde met een lijf als een sok vol gebruikte theezakjes.
Toch zou geen afstand groter worden dan de oversteek van de zaal, zo’n vijftig jaar geleden, toen hij haar voor het eerst ten dans had gevraagd.
Als hij een vol uur later haar naam op een deur heeft gevonden, aanklopt, zijn wandelstok daarbij uit de hand heeft zien vallen en het vertrek betreedt, ziet hij dat ze in bed ligt. Echt iets voor Diesje, denkt hij. Met een scheurende pijn in heupen, kuiten en knieën loopt hij op haar bed af, de beide stokken in één hand houdend.
‘De tijd heeft jou ook goed te grazen gehad,’ fluistert ze, als hij zich bukt om haar wangen te zoenen. Het zijn niet alleen de ogen, constateert hij. Ook een glimlach weerstaat de tijd.
 
Ze wijst naar de stoel van wijlen haar tweede echtgenoot. Langer dan nodig geacht mag worden in het goed geboende vertrek, slaat de man op de zitting en de armleuningen van de pluchen stoel. Als hij zich bij gebrek aan beheersing van de benen met een plof achterover laat zakken in de stoel, gaat de deur weer open en een rinkelend en ratelend karretje rolt het vertrek binnen. Een puisterig meisje in een smetteloos wit schort schudt kussens op en informeert naar het met en zonder van koffie en thee.
Hij had thee gewild, maar hij bestelt koffie omdat zij hem voor is geweest. Zijn gewrichten mogen dan niet zo best zijn, met zijn maag is niets mis. Bovendien zitten er genoeg Rennies in zijn binnenzak om zoutzuur drinkbaar te maken.
Nadat de verzorgster het vertrek heeft verlaten, volgt er een stilte die alleen onderbroken wordt door drinkgeluiden. Hij neemt haar op, zij neemt hem op. Wat valt er te zeggen? Waarom zou een mens praten en zo’n geluk in de waagschaal stellen?
 
Weer gaat de deur open. De man hoort geen voetstappen achter zich en hij draait zijn hoofd om. De deur staat op een kier. Een trillende hand met daarin een fles Ketelaarjenever wordt naar binnen gestoken.
‘Joehoeh!’
Het gelaat van Diesje verandert in een kwaadaardige grimas.
‘Nee, niet nu!’ Er blijkt een magere man met gebogen postuur aan de fles vast te zitten. Hij is in pyjama en daarover draagt hij een bordeauxrode kamerjas die met een gordijnkoord lijkt te zijn samengebonden, en wanneer hij de man in de fauteuil ziet zitten, draait hij zich op zijn pantoffels om en sluipt als een Indiaan de deur uit. Weer volgt een lange stilte.
‘Je uitzicht is zo beroerd nog niet,’ zegt de man terwijl hij toekijkt hoe een merel stampvoetend een regenworm uit het gazon pikt. ‘Ze houden de boel hier tenminste een beetje bij.’
Een theelepeltje landt op het schoteltje.
‘Al die jaren,’ snikt ze. Er komen tranen in haar ogen die ondanks het vette poeder in haar rimpels moeiteloos omlaag rollen. ‘Al die jaren.’
‘Ik weet het, lief. Ik weet het,’ zegt hij. Iets in hem wil opstaan, maar hij houdt zich in. Bij Diesje wist je het nooit. Voordat je pap kon zeggen, was haar stemming weer omgeslagen.
‘Altijd ben ik van je blijven houden,’ zegt ze.
Hij wil zeggen dat ze net zo vaak van hem is weggegaan als ze is teruggekomen, maar in plaats daarvan zegt hij dat ook hij van haar houdt en weer breekt ze uit in een zacht snikken dat eindigt in een kramp die haar hele lichaam even lijkt op te tillen en dan is het stil.
Moet je nou eens zien, denkt hij, zoals ze daar ligt onder het portret van haar overleden echtgenoot. Verdriet vecht met razernij in zijn borst en hij breekt uit in een hoestaanval die hij smoort in de schone zakdoek die het meisje van zijn afdeling hem nog op het laatste moment heeft toegestopt.
De hoestaanval heeft hem zo uitgeput dat hij in slaap valt. De grote klok die ook in Diesjes huis de gang heeft gesierd, slaat driemaal en brengt hem terug in de realiteit. Hij hangt zijn jasje aan de fauteuil en neemt, zonder stokken, de twee passen naar het bed.
Je hebt altijd al koude voeten gehad, denkt hij als hij zich neervlijt aan haar zijde. Het bed is krap en de veren krijsen. Maar Diesje heeft op hem gewacht. Alles is, zoals het was. Roerloos ligt ze naast hem. Haar mond een beetje geopend, haar ogen mat op eigen lijf en leden gericht.
Hij herinnert zich hoe ze ooit, lang geleden, met haar hoofd op zijn borst had gelegen. Een groot, dik insect was onder hun ogen op zijn rechtertepel neergestreken. Hij had de angel uit het achterlijf zien komen, hij had haar ogen scheel zien worden terwijl ze stil toekeek hoe het vieze beest hem stak. Het had seconden geduurd, maar hij had zich tientallen keren afgevraagd wanneer ze wat zou zeggen. Ze had gezwegen. Net zo stil lag ze nu naast hem. Met één hand veegt hij haar nachthemd omhoog. Haar mond zakt verder open, als hij haar onderbroek omlaag wurmt.
Ach, werden haar lippen nog maar een keer die grote, mooie ronde O die hem zo vaak gediend had.
Het is vreemd, denkt de man, nadat hij enkele keren in haar heen en weer is gegaan, dat alles minder wordt, maar dat een man die te vroeg klaarkomt ook op zijn drieëntachtigste nog als eerste aan de finish verschijnt. Toch doet het hem goed, want de slaap neemt hem acuut op.
 
Hij wordt wakker van de gil van het meisje dat eerder koffie en thee heeft gebracht. Voordat zijn ogen scherp beeld leveren, heeft ze alweer in galop de kamer verlaten. Men kan het onheil achternalopen, maar het komt uit zichzelf ook wel terug, denkt de man en weer soest hij in slaap.
‘Mijnheer!’
De stem behoort een oudere uitvoering van de bejaardenverzorgster die eerder is langs geweest. Ze pakt hem ruw bij de bovenarmen en sleurt hem overeind. Haar blik heeft de wanhoop van mensen met een doel in dit bestaan.
Met de ene hand steun zoekend aan de vensterbank, stamelt hij: ‘Ik was met haar getrouwd,’ en kijkt met zijn broek op de schoenen toe hoe de verzorgster met een geroutineerd gebaar van duim en wijsvinger de ogen van Diesje sluit. De man hoopt op bloedstolsel in de aderen van zijn hersenen, opdat alles voor eeuwig zwart zal blijven, maar hij kent het leven goed genoeg om te weten dat hij nu gedoemd is honderd jaar te worden.