
De set van Junkieleed bevond zich in een tuin van een rijtje nieuwbouwhuizen in aanbouw. Ze moesten het laatste stuk lopen, want er was nog geen complete bestrating. De foute jongeman vroeg zich af of het complex huizen misschien ook van Djippie was, want dat zou betekenen dat ze niet alleen bestaand onroerend goed beheerde, maar zich ook actief in de bouw van nieuwe woonprojecten had gestort. Op de een of andere manier week dat toch weer af van het verhaal over een slapende portefeuille onroerend goed die zij liet beheren.
Eenmaal in de tuin aangekomen, was de invloed van haar op Junkieleed meteen voelbaar. Deisha had de rol van scriptgirl op zich genomen. Er stonden lampen opgesteld bij daglicht, iets wat Arend normaal zou hebben overgeslagen. De Bolex Paillard was vervangen door een camera in een blimp, die dus vrijwel geruisloos werkte, wat het werk van Henk de geluidsman, die nu een Nagra om zijn nek had hangen in plaats van een Uher, aanzienlijk aangenamer maakte. Er zat een ouder echtpaar in de tuin, dat de ouders van Anja speelde, zo legde Deisha uit. De foute jongeman herkende het duo van een televisieserie. Pim zat driftig door vellen dialoog te bladeren. De tuin was aangelegd door een bedrijf dat de busjes van Het Tuincentrum verklaarde. Kortom, er was alles aan gedaan om de set een professioneel aanzien te geven. Zelfs Arend zat niet op een klapstoeltje of een omgekeerde emmer, maar op een katoenen klapstoel met op de rug het woord regie.
De scène die als laatste gefilmd werd, kwam uit het begin van de film, als Anja nog braaf bij haar ouders woont. Anja was dus nog niet door Hanneke van make-up omgetoverd tot de verlopen junkie uit de slotscène.
Ze konden het geheel prachtig overzien vanuit de achterkamer van het in aanbouw zijnde huis, waar zich ook een jongeman bevond met een notitieblokje in de hand die zich voorstelde als Hennie Dolferts. Hij was, zo bleek, journalist van het Noord-Hollands Dagblad en hij was enorm begaan met de productie, want hij mompelde voortdurend met een gepijnigd gezicht dingen voor zich uit als: ‘Zo zeggen mensen dat niet’ of ‘Dat kan beter, misschien in de volgende take’. Toen de foute jongeman hem daarop attendeerde en vroeg wat zijn belangrijkste taak hier was, zei hij met een innemend gezicht: ‘Geen recensie hoor, gewoon een kolommetje voor de krant, leuk voor Hoorn en leuk voor de provincie.’
Anja maakte van de eerste pauze tussen takes gebruik om uitbundig naar Djippie te zwaaien. De foute jongeman negeerde ze echter geheel. Hij was duidelijk lucht voor haar, of ze wilde in ieder geval die indruk wekken.
Kennelijk was de draaidag al vroeg in de ochtend begonnen, want het oudere acteursechtpaar begon op een gegeven moment aanstalten te maken om naar huis te gaan. Daarin herkende de foute jongeman de stijl van Arend weer. Hij zou nu eindeloos close-ups van Anja gaan maken die hij in de montage goed kon gebruiken voor de snelle overgangen die ook À bout de souffle van Jean-Luc Godard kenmerkten. Dat die snelle overgangen vooral pas tijdens de montage waren ontstaan, omdat de film bruut ingekort moest worden om hem geschikt te maken voor distributie, deed daar weinig aan af. Ook iets wat je een bedrijfsongeval zou kunnen noemen, mocht als stijlelement gezien worden. Dat paste geheel in de spontane school van filmen, waarvan Godard zonder meer de paus te noemen was.
Arend was ook echt de enige die tussen de takes enthousiast op hem af kwam lopen met zijn armen wijd en klaar voor een omhelzing. ‘Als we daar onze producent in opleiding niet hebben,’ zei hij, terwijl hij hem stevig tegen zich aandrukte.
‘Ja, altijd aan het belang van de film denken!’ antwoordde de foute jongeman. ‘Zo heb ik dat van je geleerd!’
Arend voelde de lichte sneer wel die in dat laatste zinnetje zat. ‘Daar gaat die jongen me de rest van mijn leven nog mee achtervolgen, dat weet ik nu al.’ Daarna keerde hij zich naar Djippie, die zich een moment lang gepasseerd had gevoeld, en omhelsde haar zo mogelijk nog inniger. ‘Wat kan ik zeggen over de vrouw die alles gered heeft? Natuurlijk kan ik mijn dankbaarheid uitspreken, maar liever benadruk ik nog een keer wat een kanjer deze vrouw is en hoe belangrijk zij is voor de bloeiende Nederlandse cinema als geheel!’
Dat waren de juiste woorden op het juiste moment, in ieder geval voor Djippie.
Dolferts maakte driftig notities, vroeg haar naam en informeerde bij Arend of hij even snel tussendoor een kort interview met Anja kon hebben, omdat hij het stuk het liefst zo snel mogelijk in de krant wilde hebben.
Natuurlijk kon dat. Het was de eerste keer dat de productie aandacht in de krant kreeg en de laatste keer dat zoiets nog mogelijk was.
Het interview met Anja verliep vlekkeloos. Dolferts stelde geen kritische vragen en Anja gedroeg zich als iemand die voor het eerst een Oscar had gewonnen. Ze bedankte iedereen om zich heen en maakte daar ruime armgebaren bij om iedereen, behalve de foute jongeman uiteraard, aan te wijzen, maar Dolferts leek daar geheel geen interesse voor te hebben. Hij stond wat voorovergebukt en leek geheel op te gaan in zijn notitieblok dat zich op tien centimeter van de geprononceerde rechtertepel van Anja bevond.
Het werd verder een rustige middag. Soms verlieten mensen de set, zoals Pim, die nog een paar reclameslogans moest schrijven en Deisha met zich meenam, want ze waren samen met de trein gekomen. Djippie bracht hen naar het station, maar niet voordat ze de foute jongeman nog even in zijn oor gefluisterd had dat hij geen gesprek met Anja moest aanknopen.
‘Anja heeft het veel te druk met beroemd worden,’ antwoordde hij neutraal.
Dat was ook zo. Dolferts had in de haast nog een fotograaf opgeroepen die nu zijn uiterste best deed om uit beeld te blijven. Maar Anja, die normaal de eindeloos durende close-ups van Arend best wel saai en vervelend vond, zat nu uitgebreid te poseren en droeg er zorg voor dat ze met gepaste regelmaat in de lens van de fotograaf keek, die vrolijk door bleef klikken.
De sfeer was eigenlijk best gezapig te noemen. Een zonnetje en net genoeg wolken aan de lucht om het licht niet al te hard te maken voor de close-ups van Arend en de laatste draaidag eindigde uiteindelijk met een zucht van Arend, gevolgd door: ‘That’s a wrap.’
Djippie was inmiddels ook weer terug.
‘Hebben we nu echt alles gehad?’ vroeg Anja.
Arend knikte. Haar vriendelijke, voorkomende gezicht veranderde terstond in een vastbesloten grimas. Ze trok een trui aan, want het was inmiddels inderdaad wat koeler geworden, en diepte een stuk papier op uit haar tas. Pas toen ze bijna voor hen stond, zagen ze dat het de clausule was die Djippie afgedwongen had.
Zonder ook maar de geringste schijn van hartelijkheid die ze eerder die middag getoond had, zei ze: ‘Mijn handtekening staat erop, nu de jouwe nog.’
Stomverbaasd was Djippie. De foute jongeman had het eerder niet voor mogelijk gehouden dat Djippie door wat dan ook te verbazen was, maar nu leek ze zelfs geheel zonder woorden te zitten en gelaten diepte ze een pen op en zette haar handtekening. Anja griste het vervolgens uit haar handen en liep de woning uit, nadat ze de foute jongeman nog snel een ‘veel succes met je moeder’ toegebeten had.
‘Snap jij zoiets nou?’ zei Djippie in de auto op weg naar huis. ‘Voor zoiets kom je toch gewoon even naar het kantoor, of je spreekt af op een terrasje en je sluit af met bubbeltjes, maar zo bruut en ongemanierd… Waar heb ik dat nu weer aan te danken?’
Hij moest zijn best doen om zijn lach in te houden. ‘Zei jij niet iets over een staakt-het-vuren? Kennelijk zit de wapenstilstand er voor nu even op.’
(wordt vervolgd)