Een foute man

Laat ik het maar hardop zeggen: ik ben een foute man. De mensen die mij kennen weten dat al jaren, maar voor wie hier toevallig op mijn blog komt, wil ik het nog wel even uitleggen, want onze planeet wordt nu eenmaal bevolkt door veel mensen die in zichzelf geloven en moeite hebben onder ogen te zien hoe fout ze eigenlijk zijn.

Ik daarentegen was al fout op mijn tiende levensjaar, misschien nog wel eerder, maar zo ver gaan mijn herinneringen niet terug. Op school werd aan ons gevraagd om op een briefje te schrijven wie wij wilden zijn, als we iemand anders zouden kunnen zijn.

Er werd daarmee even een stevig beroep gedaan op onze fantasie door een verder nogal fantasieloze docent. We moesten onze voorkeur op een papiertje uitschrijven. Daarna werden de papiertjes besproken in een later lesuur.

De uitkomst van wat er zoal op die papiertjes stond was niet bijzonder verrassend. Veel kinderen wilden een bekende popster zijn en een enkeling wilde een bijzonder rijk iemand zijn.

Ik zou de bespreking van die papiertjes niet meemaken, want ik werd door een bezorgde pedagoog uit de klas gehaald en naar een kamertje geleid, waar mij het hemd van het lijf werd gevraagd over wat ik op mijn papiertje geschreven had, terwijl wat ik had geschreven recht uit het hart kwam.

Ik had nog een duidelijk handschrift in die tijd en in keurig schoolschrift stond daar geschreven: ‘Hans van der Kamp, maar dan wel in een andere omgeving.’

Ik had meteen spijt dat ik niet gewoon, zoals de rest, de naam van een popster had opgeschreven, want nu zat er een pedagoog tegenover me vragen te stellen of ik misschien mishandeld werd, of er sprake was van seksueel misbruik. Kortom, mijn ouders werden van allerlei narigheid verdacht. Niets van dat alles was terecht. Mijn ouders waren brave lieden, misschien een tikje materialistisch, maar daar beschadig je een kind niet mee.

De pedagoog stelde tot mijn verbazing niet één keer de regelrechte vraag: ‘Waarom een andere omgeving?’ of de nog meer voor de hand liggende vraag: ‘Wie wil er nou niet iemand anders zijn dan hij werkelijk is?’

Ik was netjes genoeg opgevoed om geen antwoord te geven op vragen die mij niet gesteld werden, anders hadden die antwoorden mijn ouders vrijgepleit.

Het antwoord was eigenlijk zo simpel. Ik kwam uit Haarlem, waar ik geboren ben, en mijn vader had een baan aangenomen als manager van een papierfabriek en dat had betekend dat we naar het dorpje Gennep in de kop van Noord-Limburg waren verhuisd. Daar spraken de kinderen een dialect dat ik amper kon verstaan en zeker niet kon spreken. Dat botste. Regelmatig werd ik op weg naar huis van mijn fietsje getrokken en dan kreeg ik een paar klappen van drie of vier jongens. Vervolgens stapte ik weer op en fietste verder naar huis, maar mijn liefde voor het dorp Gennep is nooit tot volle wasdom gekomen. Ik vond het maar een stelletje domme boerenkinkels daar.

Maar dat is toch heel begrijpelijk en zeker niet fout, zal de aandachtige lezer zeggen.

Die moet ik dan teleurstellen. Als je Hans van der Kamp wilt zijn in een omgeving waarin iedereen een popster wil zijn, dan plaats je jezelf buiten de gangbare sociale orde en dat zou in de rest van mijn leven zo blijven.

(Wordt vervolgd)

Hans van der Kamp