
Een foute man word je niet zomaar. Daar moet hard voor gewerkt worden. Bedenk daarbij dat het woord ‘fout’ in de Nederlandse taal door de Tweede Wereldoorlog een extra lading heeft gekregen. Een vervelende man is daarbij vergeleken eigenlijk aimabeler.
Het is jammer dat ik u niet meteen kan leiden naar mijn grootste misdaden als foute man, want dan zaag ik de bodem onder dit feuilleton uit. Dus ik maak slechts een stap van vier jaar naar de dertienjarige leerling die een tien voor Latijn had en daaruit de verwachting had opgebouwd dat de docent Latijn het ‘wel met hem zou kunnen vinden’. Aanvankelijk lukte dat ook wel, maar mijnheer Swüste, zo heette hij, hoorde zichzelf, net als ik, graag praten en zijn monologen bewogen zich ver buiten de grenzen van het Romeinse Rijk.
Hij las de krant terwijl wij zaten te vertalen, en stond daar iets in wat hem ergerde, dan ging de rest van het lesuur over dat ene onderwerp. In die tijd was de computerlinguïstiek in opkomst en enige aandacht in de pers voor dat onderwerp kon hem tot razernij brengen.
Hij vouwde zijn krant met veel kabaal dicht, stond op en begon aan een tientallen minuten durende monoloog over het veredelde telraam dat volgens hem alleen in nullen en enen dacht en derhalve nooit een letter, woord, laat staan een zin zou kunnen formuleren.
Nu weet ik helaas niet meer precies of ik hem met zijn rode hoofd en op het voorhoofd zwellende aderen doelbewust naar een hartinfarct wou sturen, maar ik besloot een heel opbouwende vraag te stellen en stak daarvoor mijn vinger op.
We hadden immers allang geleerd dat hem vragen stellen tijdens zo’n in heftige, uit ergernis geboren monoloog minstens een punt op je rapport kon schelen, maar een tien, daar kan wel een puntje af. Een tien geeft aan dat het lesmateriaal je te makkelijk afging en een negen straalt meer uit dat je er hard voor geknokt hebt.
Ik stelde mijn vraag en probeerde er zo lief mogelijk bij te kijken. ‘Maar mijnheer Swüste, misschien kunnen nullen en enen geen woord vormen, maar een reeks nullen en enen misschien wel?’
Eerst leek hij paars aan te lopen, totdat hij weer ging zitten en met een redelijk rustige stem zei: ‘Weet je wat jouw probleem is? Je hebt gewoon zaagsel in je hoofd. Jij kunt weliswaar goed rijtjes van buiten leren, maar wacht maar tot we Ovidius gaan vertalen, dan ben jij nergens meer.’
De klasgenoten die mij die tien op mijn rapport best wel misgund hadden, lagen in een deuk en een vriendje van me zei bij het verlaten van het klaslokaal met enig mededogen: ‘Dat was ook wel een hele domme opmerking van je.’
Weer had ik mij buiten de actuele conventies geplaatst en weer was ik een stap dichter bij de volwassen foute man gekomen.
(Wordt vervolgd)
Hans van der Kamp