
Mijn vader was een heel sociale man met een groot hart, maar kreeg hij eenmaal een conflict met één enkele persoon binnen een bedrijf van 300 mensen, dan beet hij zich zo in vast dat de hele beroepsuitoefening voor hem een nachtmerrie werd en dan ging hij op zoek naar een andere baan.
Daardoor verhuisden wij nogal eens.
Zo kwam het dat wij, net toen ik het Limburgse dialect me een beetje eigen had gemaakt, verhuisden naar het hoge noorden. Leeuwarden om precies te zijn en daar zette ik mijn schoolopleiding voort. Hoewel de school een bijzonder hoog aanzien genoot, bleek dat Swüste de beroerdste docent niet was geweest, want ik mocht alle stof die ik al een heel jaar had gehad, nog eens dunnetjes overdoen.
Kortom, ik verveelde mij nogal en er is niets gevaarlijker dan een puber die zich verveelt. Mijn nieuwe docent Latijn heette Boerma en het siert mij niet dat ik meteen al een weerzin voelde tegen de man vanwege zijn achternaam.
Boerma was van een nieuwe generatie docenten die niet mijnheer Boerma genoemd wilde worden. Sprak ik hem wel zo aan dan reageerde hij steevast ietwat geïrriteerd met: ‘Zeg nou maar gewoon Tjidde!’
Nu is het voor mensen die nooit eerder in Friesland zijn geweest even wennen aan namen als Tjidde, Bauke en Sietske, dus ik bleef hem stug mijnheer Boerma noemen en dat zat hem danig dwars en hij sprak mij daar uiteindelijk op aan. Ik kon moeilijk zeggen dat zijn voornaam op mijn lachspieren werkte, dus ik verzon ter plekke een plausibele verdediging.
‘Mijnheer Boerma, als ik u met uw voornaam ga aanspreken, dan plaatsen wij elkaar onbedoeld op een vergelijkbaar niveau en stel dat ik het nu niet met u eens ben, dan is het veel makkelijker om mij af te zetten tegen mijnheer Boerma dan tegen Tjidde. Mijnheer Boerma vertegenwoordigt een zekere autoriteit. Tjidde is meer een van ons, als u begrijpt wat ik bedoel.’
Als ik verwacht had dat hij in zou gaan op mijn vergelijking, dan had ik het mis.
‘Waarom zou jij je tegen mij moeten verzetten?’ vroeg hij met het geknepen accent dat Friezen nu eenmaal kenmerkt.
In mijn hoofd had ik tientallen redenen paraat, zoals dat ik een saai jaar Latijn nu voor een tweede keer moest doen, dat ik hem onsympathiek vond, en dat ik de voornamencultus uit die tijd niet alleen behoorlijk verraderlijk vond, maar bovendien ook nog eens manipulatief.
‘Ja, dat zou ik nu ook niet zo snel weten,’ zei ik, ‘maar in alle samenwerkingen kunnen spanningen ontstaan.’
Dat accepteerde hij en het moet ook gezegd worden dat Friezen van alle Nederlanders soms wat kort door de bocht zijn, maar redelijk en betrouwbaar over het algemeen wel.
We hadden het er verder niet meer over en ik bleef hem aanspreken met mijnheer Boerma, wat hij accepteerde. De klas waarin ik zat vond dat maar vreemd, want zij omhelsden de amicaliteit die Tjidde uitstraalde nu juist wel. Friese amicaliteit, dan wel. Dat is toch anders dan hoe dat in Limburg werd geuit.
Ik ergerde me niet alleen aan Tjidde, maar ook aan het feit dat mijn Nederlands een Rotterdams accent genoemd werd en ik kon ook niet helemaal wennen aan het gegeven dat sommige klasgenoten mij ‘die uit Holland’ noemden. Bovendien kun je geboren Haarlemmers maar beter niet verwijten Rotterdams te praten.
Vast onderdeel van het lesgeven van hippe Tjidde was dat hij zich ook soms wat kinderlijk gedroeg. Tikte iemand tijdens een proefwerk van de zenuwen even kort met een pen op tafel, dan stapte hij er resoluut op af, pakte de pen af, opende een raam en wierp het voorwerp naar buiten. Daarna liep hij als een clown die net een leuk kunstje had gedaan met een grote glimlach om de lippen door de klas als een soort triomfronde, waarmee het idee dat hij de pen uitsluitend afgenomen had opdat de rest zich beter kon concentreren meteen weer ontkrachtte.
Toen ik een keer met mijn pen tikte en hetzelfde ritueel zich herhaalde, stond ik op, pakte zijn aktetas, deed het raam open en kieperde de inhoud van de tas leeg over het trottoir drie etages lager. Tevreden keek ik hoe tientallen proefwerken als meeuwen op de stevige wind wegvlogen.
‘Naar de rector!’ riep Tjidde met een verbijsterd en aangelopen gelaat.
Ik liep de klas uit alsof ik inderdaad naar de rector ging, maar in plaats daarvan meldde ik mij bij het politiebureau om aangifte te doen en ging vliegensvlug terug naar de rector en gaf ongevraagd een lezing over eigendomsrecht als de belangrijkste pilaar van de Nederlandse rechtspraak.
Het was niet de eerste keer dat ik aan het bureau van de rector had gestaan en het leek alsof de man zich wel een beetje amuseerde met mijn dwarse gedrag. Misschien omdat hij ook ‘uit Holland kwam’. Hij wist dat echter goed te verhullen, op wat pretoogjes na, en berispte mij op de actie met de tas.
Het uit het raam gooien van bezittingen was inderdaad iets anders dan tijdelijk confisqueren, dus Tjidde Boerma kreeg, net zoals ik, een behoorlijke berisping en hij meldde zich uit gekwetste trots twee weken ziek.
Niet lang genoeg naar mijn zin, dus ik vond nog vele andere manieren om hem te stangen en uiteindelijk meldde hij zich definitief ziek maar zonder eerst een bezwerend vingertje in mijn gezicht te prikken met de boodschap: ‘Je zult zien dat jij de rest van je leven op een school in een achterbuurt les staat te geven. Karma!’
Dat laatste woord was pas net in opkomst en ik moest iemand anders vragen wat het betekende, want in het woordenboek van de Nederlandse taal stond het nog niet. Eerlijk gezegd vond ik het een raar woord en ik dacht dat het Fries was, net zoals Tjidde.
(wordt vervolgd)
Hans van der Kamp