
Je zou na het lezen van het voorafgaande kunnen denken dat de basis van wat een man fout maakt, vooral gelegd wordt in het onderwijs en dat is zeker niet het geval, maar om een geslaagde foute man te worden heb je wel enig onderricht nodig, want fout zijn is een menselijke conditie die niet alleen enige kennis vereist, maar zeker ook enig gevoel voor wat zoal gevoelig ligt en het klassikaal onderwijs, waar een dwarsdoorsnede van de maatschappij verplicht aan deelneemt, is daarvoor van nature een prachtig laboratorium.
Zeker het soort onderwijs dat ik gevolgd heb, waar je leerde om standpunten die niet je eigen waren met volle inzet te verdedigen en waar je leerde dat een ranzige moordpartij in Indonesië onder generaal Van Heutsz niet besproken hoefde te worden omdat het eenvoudigweg niet in de geschiedenisboekjes voorkwam. Kortom, je leerde niet zozeer het verschil tussen goed en kwaad, maar je leerde dat het kwaad pas officieel als kwaad kon worden aangerekend als daar binnen je eigen rivierdelta enige overeenstemming over was bereikt.
Dat laatste liet ruimte om te denken dat door jezelf aangericht kwaad pas als zodanig gekwalificeerd kon worden als daar consensus over was. Die consequentie volgend was er slechts een kleine denkstap nodig om in te zien dat iets wat niemand wist nooit als kwaad gezien kon worden, omdat men er niet over had kunnen discussiëren.
Toch waren er hele mooie momenten in dat onderwijs. Van Boerma had ik geleerd hoe je autoriteit kon ondermijnen en van mijn docent Nederlands, de heer Bosch, leerde ik hoe je het geschreven woord kon inzetten om te manipuleren zonder dat je dagelijks op een zeepkistje hoefde te staan om je boodschap, hoe verdorven ook, steeds maar weer als een muzieknummer uit te zenden totdat het uiteindelijk de top tien haalde.
Mijnheer Bosch was een lieve man. Vandaag de dag zou men hem naar een goede psychiater hebben gestuurd, maar in die tijd mocht een docent nog een volle les achtereen liefdevol oreren over schrijvers die niemand kende en niemand wilde lezen. Ik hing aan zijn lippen. Nou ja, wel vanaf de derde rij bankjes, want wie de hele dag voor wisselend publiek geëngageerd staat te galmen over de vaderlandse literatuur, krijgt vanzelf een schorre stem en Bosch voorkwam dat door de hele dag op Pottertjes te zuigen. En wie zijn emoties over de schoonheid van de letteren amper de baas is, heeft de neiging om met consumptie te spreken, zoals we dat zo keurig in het Nederlands formuleren.
Achteloze nieuwkomers gingen dan ook rustig op de eerste rij zitten, waar ze vervolgens in een fijne motregen van zwarte spettertjes kwamen te zitten.
Toch zal ik nooit een kwaad woord over Bosch spreken, want hij ontdekte iets in mij wat me in mijn latere leven regelmatig van pas zou komen. Niet door me iets nieuws te leren, want dat is ook niet de belangrijkste doelstelling van onderwijs, al zullen velen anders beweren en daarvoor goede argumenten aanhalen.
Nee, hij ontdekte iets in mij wat mij in mijn verdere leven als foute man enorm van pas zou komen en hij deed dit ook nog op zeer terloopse wijze. Eens in de maand deelde hij vellen papier uit in de klas met een zorgelijk gezicht en vroeg ons om op te schrijven hoe ons weekend was geweest. Kortom, hij daagde ons uit een opstel te schrijven. Nu waren mijn weekends best wel spectaculair, ook toen al, maar ik kon moeilijk opschrijven dat ik drie keer seks met verschillende vriendinnen had gehad, er nog een vriendje op nahield en ook nog tijd had gevonden om te midden van al dat heen en weer gevlieg de veel te jonge bruid van jenevermagnaat Bokma te verleiden. Niet elk weekend van een zestienjarige leent zich nu eenmaal voor een schoolopstel. Mijn ouders geloofden – bij gebrek aan controle over mij – vurig in een vrije opvoeding en ik heb ze daarin naar mijn beste weten nooit teleurgesteld.
Na het uitdelen van de velletjes papier viel het stil in de klas en overal was het beeld van op pennen kluivende koppen die geen woord op papier kregen. Dat is ook helemaal niet Fries om zomaar wat op te gaan schrijven over een weekend. Ik zag ze denken: ‘Natuurlijk hebben we dit weekend weer gezeild, maar wat kun je daar nu over opschrijven? Het was windkracht 3. Nou, weinig spectaculair.’
Ik daarentegen ging meteen los met schrijven en zoog gaandeweg van alles uit mijn duim en als de eerste klasgenoten ook eindelijk voor het eerst hun pen aarzelend het papier lieten raken, dan stond ik alweer bij het bureau van Bosch om een nieuw vel te vragen en dat vond hij heerlijk. Hij luisterde met liefde naar het gekras van mijn pen. Niet omdat ik literatuur schreef, maar omdat er geen enkele barrière zat tussen wat ik bedacht en wat ik vervolgens op papier zette.
Tegen een vriendinnetje dat terecht op het punt stond om de band met mij te verbreken, zei hij op samenzweerderige toon, terwijl hij naar mij wees met een vers doosje Pottertjes in de hand: ‘Dát, lieve meid, dat is pas een bijzondere jongen.’
Men beweert wel eens dat foute mannen een minder diep gevoelsleven hebben, maar ik heb me mijn hele leven schuldig gevoeld dat ik niet aan de toekomstvisie van mijnheer Bosch heb kunnen voldoen.
Maar voordat het zo ver was, kwamen Bosch en ik overeen dat ik niet meer over weekends, feestdagen of vakanties hoefde te schrijven. In plaats daarvan mocht ik zelf mijn onderwerpen kiezen en dat vond ik ook weer iets te makkelijk, dus ik verzon een tijdschrift met de titel Privé, een titel die toen nog niet als uitgave bestond.
Met die beslissing begon ik aan de rudimentaire versie van iets wat ik in mijn latere leven vaker zou doen; het produceren van een tijdschrift dat alleen door mij werd volgeschreven. Het zou slechts enkele afleveringen duren voordat de foute man in mij ook voor anderen volledig zichtbaar werd.
(wordt vervolgd)
Hans van der Kamp