Een foute man (5)

Een foute man (5)

Het zou nog een volle maand duren voordat het weer tijd werd om opstellen te schrijven en de bijzondere afspraak met Bosch dat ik mijn eigen onderwerpen mocht kiezen, had me zo enthousiast gemaakt dat ik alvast was begonnen. Niet met het denkbeeldige tijdschrift, maar met een damesromannetje, een echte smartlap over een vrouw met haar dochter Sue die op een dag geplaatst worden voor het voldongen feit dat hun echtgenoot en vader sigaretten was gaan halen om nooit meer terug te keren. De man moest beschreven worden als wild aantrekkelijk, met felblauwe ogen en gitzwart haar, precies zoals dat in die tijd als aantrekkelijk werd gezien.

Om hem niet al te woest aantrekkelijk te maken, werd hij door zijn vrouw, zijn dochter en door mij als auteur van dit onsmakelijke epos over ‘hartzeer, lange nachten, eindeloze meningsverschillen en volle asbakken’ uitsluitend Pappie genoemd.

Ik had altijd al eens een man willen beschrijven die bij wijze van spreken zo in aquarel had gekund om een doktersroman te sieren, maar dan zonder een evenzo mannelijke naam als Steven of Austin. Gewoon Pappie. Dat ondergroef zijn machismo net voldoende om een tikje satire in de smartlap te brengen. Pappie had in mijn hoofd gestalte gekregen en moest nog uitgewerkt worden, maar dat kon later altijd nog.

Ik draaide een vel papier in de oude Royal-typemachine die ooit nog door de Amerikanen was buitgemaakt tijdens het Ardennenoffensief, een erfstuk van mijn grootvader, en tikte bovenaan: ‘Liefde voor Sue’. Daarna haalde ik de hendel twee keer over voor witregels en schreef daaronder: ‘door: Amelia Fastfucker’.

Ik had duidelijk niet lang over dat pseudoniem hoeven nadenken en een echte vondst was het al helemaal niet. Ook was ik mij op geen enkele manier bewust van het feit dat ik voor het eerst een pseudoniem koos, iets wat ik later in mijn leven tientallen keren zou doen.

Hoewel het een pastiche moest worden van een liefdesverhaal, was het intro meteen al iets wat alleen een foute man kon bedenken. De hoofdpersoon, een verlaten vrouw die Princess heette, komt de huiskamer binnen en overziet het slagveld van de laatste ruzie met haar man Pappie. Gebroken glazen, omgeduwde stoelen, wijnvlekken in het tapijt en een salontafeltje dat door alle vier de poten is gezakt. Aan haar hand hield Princess haar dochtertje Sue, dat een beetje moest huilen en vroeg of Pappie nu nooit meer terug zou komen.

‘Nee,’ zei Princess, zonder zich voorover te buigen naar haar dochter. ‘Die zien we nooit meer terug.’

Daarmee was het eerste hoofdstuk van niet meer dan twintig regels af. Tevreden trok ik het vel papier met een ratelend geluid uit de oude typemachine. Ik las het nog eens over en bedacht me dat ik eigenlijk geen enkel idee had hoe het nu verder moest met Princess en die lieve Sue.

Ik draaide het vel opnieuw in de typemachine en tikte: ‘De deurbel ging. Het was Harry, de buurman.’

Dat was voldoende, zo oordeelde ik. De rest zou zichzelf wel schrijven nu ik er wat vaart in had gebracht.

Ik nam de tekst met titelblad mee naar het eerste uur, waarin we natuurkunde hadden van Palsma, een stoïcijnse man die zoals gebruikelijk een uur lang op het schoolbord formules stond te kalken die hij verbaal van uitleg voorzag, zonder zich ook maar één keer om te draaien naar de klas, totdat iemand hem als doel gebruikte voor een proppenschieter of een papieren vouwvliegtuigje. Dan draaide hij zich heel rustig om, legde uit dat hij betaald werd voor de lessen die hij gaf en dat mensen die geen zin hadden om op te letten dat vooral niet moesten doen. Maar voor de lesstof moest wel een voldoende gehaald worden. Bij die laatste woorden trok hij dan een mondhoek omhoog bij wijze van een glimlach, maar in zijn ogen of de rest van zijn gezichtsuitdrukking was daar verder niets van te merken.

Uit verveling liet ik het eerste hoofdstuk circuleren. Alles wat Palsma daar op het bord stond te kalken, stond ook in een boek met exact dezelfde uitleg die hij nu stond te geven. Daar waren we ons allemaal terdege van bewust. Het begin van Liefde voor Sue ging van hand tot hand en op dezelfde wijze ontving ik een papiertje terug waarop geschreven stond: ‘Waar blijft de rest?’

Ik pakte een kladblok en begon verder te schrijven, nu uiteraard met de hand, en dat ging een stuk sneller. Aan het einde van de schooldag had ik twee volledige hoofdstukken geschreven en lag Princess in de armen van Harry de Buurman, die in de daaropvolgende dagen weer ingewisseld zou worden voor allerlei andere mannen. Een overtuigende pastiche was het niet geworden, maar dat deed er niet toe, want ik had eindelijk als Hollander een brug geslagen naar mijn Friese klasgenoten.

Een week daarna werd ik met een ruime meerderheid als klasvertegenwoordiger gekozen. Niet eens zozeer door de verhalen, maar vooral doordat men het incident met de tas van Boerma nog niet vergeten was.

En de opstellenronde met docent Bosch moest nog komen. Vrijwel dagelijks liep ik rond met briefjes met mogelijke onderwerpen, die ik vervolgens weer doorkraste om nieuwe onderwerpen te verzinnen. Amelia Fastfucker lag duidelijk alweer achter me. Nu was het plan om de grote man van Nederlands te gaan imponeren. Geen flauwekul meer.

(Wordt vervolgd)

Hans van der Kamp