
Het is een misverstand om te denken dat de foute man, of zoals in dit geval de foute jongeman, er altijd per definitie op uit is om dingen te doen die andere mensen de wenkbrauwen doen optrekken. Net zoals ieder ander doet de foute man extreem zijn best, alleen vanuit een gedachtewereld die door anderen niet altijd meteen begrepen wordt.
Zo had ik wekenlang met briefjes rondgelopen met daarop zinnige ideeën voor bijdragen aan mijn fictieve tijdschrift. Dat was zeker niet uit luiheid en ik had geen lijstjes met briljante onderwerpen. Mijn onderwerpen waren gewoon niet goed genoeg om een docent als de heer Bosch te bedanken voor het feit dat hij mij de vrijheid geboden had om niet over onzinnige onderwerpen te schrijven als belevenissen tijdens weekends of vakantiedagen.
Ergens voelde ik wel aan dat Bosch eigenlijk een verhaal van mij verwachtte dat leek op de verhalen die hij vergaarde voor zijn bloemlezingen van de Nederlandse literatuur, maar ik had voldoende zelfkritiek om in te zien dat ik dat niveau niet zonder veel oefening zou halen. Bovendien hadden die verhalen iets muffigs, alsof ze meer uit de jeugd van Bosch kwamen dan uit de mijne. Zo zei het verhaal ‘Dikke mensen in de warmte’ uit een van zijn bloemlezingen mij in het geheel niets, terwijl ik me wel degelijk kon voorstellen dat mijn beschermheer zichzelf daarin wel kon herkennen.
Nee, misschien moest ik mij juist verre houden van korte verhalen en mij meer richten op journalistieke bijdragen. Dat paste immers ook beter binnen het kader van een imaginair tijdschrift. Een tijdlang liep ik warm voor het idee van de ‘grote TNO-buikschuivertest’. Kortom, een test van buikschuivers, oftewel Kreidler- en Zündapp-bromfietsen.
De bromfietscultuur van die tijd wordt nu door historici opgedeeld in Mods en Rockers, maar in de tijd waarin ze bereden werden lag de verdeling geheel anders. Geen van ons zou ooit op een buikschuiver komen voorrijden. Wij reden Puch of Tomos met verhoogde sturen. De leeftijdsgenoten die op buikschuivers reden zagen wij als ordinair en slecht opgeleid. Dat was een heel andere scheidslijn dan Mods en Rockers. Wat ik ook aan narigheid als foute man over buikschuivers zou schrijven, het zou niemand in het verkeerde keelgat schieten.
In mijn fantasie was de buikschuivertest een traject van honderd meter waarop de remweg getest kon worden. Om het onderwerp niet al te gortdroog over te laten komen, introduceerde ik blondines met D-cups die achterop moesten zitten. Zelf had ik enige ervaring met hoe het voelde als het lichaam van een vriendin bij onverwacht remmen langzaam langs mijn rug omhoogschoof en ik had dat als prettig ervaren, dus het leek mij dat ik daar wel beeldend over kon schrijven.
Maar voordat de bel voor het klasuur Nederlands ging, wees ik het hele idee, zoals vele voorafgaande ingevingen, af. Terwijl Bosch langzaam door de klas liep om vellen papier uit te delen, voelde ik mij al een uitgeschreven, werkloze journalist en dat gaf me een behoorlijk mies gevoel, maar het duurde niet lang of ik vroeg me af waar een werkloze journalist over zou schrijven om weer in de aandacht te komen en dat sloot willekeurige onderwerpen meteen uit, want hij zou selectief zijn en uiteraard kiezen voor een wereldschokkend interview. Maar met wie?
Ik besloot eerst maar te gaan schrijven over de journalist. Ik plaatste hem in een typisch Nederlands keukentje. Een goudvis in een kom en een kat op schoot, maar dat was te statisch, dus ik besloot van mijn vrijheid gebruik te maken door de goudvis en de kat van meer persoonlijkheid te voorzien dan de journalist zelf. De goudvis, een typisch doorsnee-exemplaar dat je in die tijd overal zag in veel te kleine, ronde, glazen kommen. Ik kreeg het al benauwd als ik ernaar keek. Deze goudvis voelde zich eenzaam en benauwd in zijn glazen spiegelwereld en eiste van de journalist dat hij een vriendin kreeg. Niet zo’n gewone, maar een Japanse met sierstaarten en verschillende kleuren. Om zijn eisen kracht bij te zetten pakte de vis heel handig met zijn lippen een siersteentje van de bodem en spuwde dat provocerend uit in de richting van de werkloze journalist, maar die had duidelijk geen geld voor een Japanse met sierstaarten.
Tot overmaat van ramp had de kat ook nog eens op de radio een reclame gehoord over ‘paté voor uw geliefde snorrende viervoeter’, dus de goedkope brokjes accepteerde hij niet meer en bij wijze van protest schopte hij het schoteltje waar hij jarenlang tevreden zijn brokjes van gegeten had met veel kabaal over de stenen vloer van de keuken, maar eten deed hij niet meer.
Al schrijvend realiseerde ik me dat de journalist nu wel gedwongen was het ultieme interview binnen te halen en dat ditzelfde ook voor mij gold, want ik had ook nog geen idee wie imposant genoeg zou zijn om geïnterviewd te worden.
Kluivend op mijn pen en een ruim voorschot nemend op de vrijheid die ik had gekregen, besloot ik dat er geen spectaculairder interview bestond dan een kritisch vraaggesprek met God zelf. Zo gezegd, zo gedaan. De journalist had toch weinig te verliezen en ik plaatste hem midden op een drukke snelweg waar hij meteen overreden werd door een rode vrachtwagen en zonder veel gedoe steeg zijn ziel op naar de hemel, waar hij hartelijk ontvangen werd door Petrus die hem meteen een weekabonnement voor de vliegschool overhandigde. Dat vond ik dan wel weer een mooi journalistiek element, want het is een beetje ongeloofwaardig dat je als engel door het zachtblauwe niets kunt zweven op twee vleugels als je daar niet eerst even een gedegen cursus voor had gevolgd.
Er werd wat lacherig gereageerd op zijn opmerking dat zijn bezoek maar tijdelijk was, omdat hij uitsluitend gekomen was voor een interview met God, maar de vliegschool zou al snel al zijn aandacht opeisen, want zo makkelijk als het eruit zag op schilderijen was het zeker niet. Na een dag of zes kon hij midden in een bocht echter als een meeuw zijn ontlasting laten gaan zonder een van de andere engelen te raken.
Door zijn snelle vorderingen op de vliegschool wist hij de aandacht van Petrus op zich te vestigen. De man was weliswaar druk bezet, want soms stonden er rijen voor de hemelpoort en waren er veel mensen die eigenlijk niet meteen wisten hoe ze daar beland waren. Dat vereiste tact en veel menselijk inzicht, maar Petrus kweet zich met een vriendelijke glimlach van zijn taak en verloor geen moment zijn geduld, ook niet met mensen die vermoedden dat hun geliefden misschien in een andere afdeling zaten, zoals de hel of het vagevuur.
‘Rustig maar, rustig maar,’ zei hij dan liefdevol, terwijl hij ze een aai over de bol gaf. ‘U bent hier in het Koninkrijk van God en gezinshereniging is hier altijd een prioriteit geweest.’
(Wordt vervolgd)
Hans van der Kamp