
‘Heb je wat gedronken?’ vroeg Djippie toen hij haar aan de telefoon kreeg. ‘Je klinkt anders…’
‘Ja, een pilsje hakt er hard in na een dag schilderen, maar we vorderen gestaag. Ik weet niet of we het werk aan het einde van de week af hebben, maar we komen een heel eind.’
Waarom nu weer zo’n uitgebreide leugen, bedacht de foute jongeman zich. Hij had kunnen volstaan met de mededeling dat hij met Pim een pilsje had gedronken.
‘Ach, je hebt geen idee hoe nieuwsgierig ik ben. Ik moet mezelf soms gewoon inhouden om mijn koffers te pakken en naar Amsterdam te komen.’
Van schrik liet hij een boer en wist nog net op tijd een hand op de hoorn te leggen. Hij herstelde zich snel.
‘Het enige wat ik wil, is dat niets, maar dan ook helemaal niets, je nog herinnert aan de nare periode die je daar hebt doorgemaakt. En dat vereist grondigheid.’
‘Dat weet ik, lieverd. Maar soms maak ik me ook zorgen. Wat doe je met de avonden en de nachten? Je kent nog zo weinig mensen in Amsterdam. Op andere momenten word ik opeens ziekelijk jaloers en dan stel ik me voor dat je een leuk meisje bent tegengekomen en straks niets meer met mij te maken wilt hebben. Dan zit ik daar straks alleen in die mooi opgeknapte woning en verwijt ik mezelf dat ik die woning niet gewoon ben binnengegaan zoals die was en je niet gewoon een handje heb geholpen, in plaats van alles weer op te lossen zoals ik dat altijd doe.
Met geld.’
De foute jongeman besloot niet te reageren op het deel over de avonden en nachten, uit angst zich door de alcohol onhandig uit te drukken.
‘Nou, de eerste keer dat ik die kamer binnenliep, begreep ik heel goed waarom je dat niet onder ogen wilde komen.’
‘Het moet ook voor jou verschrikkelijk zijn geweest en daar heb ik de laatste dagen veel over nagedacht. Eigenlijk voel ik me daar heel schuldig over. Dat schuif ik dan zomaar een jongere in de schoenen, iemand die waarschijnlijk uit een heel beschermd milieu komt. Soms denk ik gewoon niet na voordat ik iets doe. Ik hoop dat je me dat op een dag kunt vergeven…’
Dat was het moment waarop hij begon te geloven dat zij ook wat gedronken had. Misschien niet veel, maar toch meer dan een glas water.
‘Ach, het is allemaal niet zo dramatisch,’ zei hij. ‘Vandaag was ik gewoon blij met de Nilfisk. Dat scheelt zoveel werk.’
Ze lachte.
‘Je bent zo heerlijk pragmatisch. Je weet drama te reduceren tot iets kleins. Dat is zo’n verademing…’
‘Weet je wat ik zou willen?’
‘Nou?’
Nu hoorde hij ook duidelijk de tik van een wijnglas.
‘Dat ik ook het allerlaatste spoortje van je nare tijd daar kan uitwissen door de gang, het kamertje met de wasmachine, de toiletruimte en de keuken volledig op te knappen.’
Ze zuchtte.
‘Even dacht ik dat er iets romantisch zou komen, maar nee. Ik moet mijn mening over je bijstellen. Je bent mooi, maar hoe fout je bent heb ik zwaar overschat, geloof ik.’
Hij wist instinctief dat hij dit niet over zijn kant kon laten gaan.
Hij ging in de aanval.
‘Wat is er nu in hemelsnaam niet romantisch aan een jongen die van dakloosheid gered werd en nu een paleisje wil bouwen voor degene die hem gered heeft? Wat had je dan willen horen? Dat je driemaal daags op je knietjes moest om me oraal te bedanken?’
Hij hoorde haar ademhaling zwaarder worden.
Toen begon ze te snikken.
‘Je hebt gelijk. Niet dat ik tegen het laatste zou protesteren, maar wat je probeert te doen is mij een nieuw waardig leven geven. Maar ik ben Djippie… en Djippie wil altijd het onderste uit de kan.’
Ze begon zachtjes te huilen.
‘Ga me alsjeblieft niet veroordelen. Als ik ergens bang voor ben, is het dat iemand als jij me gaat veroordelen.’
Het kwam eruit als een schreeuw om hulp.
‘Ik ga jou niet veroordelen. Ik heb sowieso geen zin om wie dan ook te veroordelen, en jou al helemaal niet. Zonder jou zat ik nu weer in die beklemmende huiskamer van mijn ouders, verplicht naar KRO Brandpunt te kijken. Er is niets scheefs aan wat wij voor elkaar doen.’
Weer begon ze te snikken.
‘Wil je me beloven dat je me niet veroordeelt? Niet nu… en niet later?’
Daarna verbrak ze, zonder groet, de verbinding.
Eigenlijk had hij na dat gesprek moeten nadenken over wat ze werkelijk gezegd had.
Maar het beeld van Djippie die driemaal daags voor hem op haar knieën zou zitten, liet hem niet zo gemakkelijk los.
Hij merkte dat hij wat onhandig op de stoel in de pizzeria zat.
Misschien was het toch waar wat ze over wasmachines met ingebouwde drogers zeiden.
Dat die wel degelijk voor extra krimp zorgden.
Hij schaamde zich ook voor die opmerking tegen Djippie.
Zo platvloers.
Een paar weken geleden had hij zoiets niet eens over zijn lippen gekregen.
Ze had op iets romantisch gehoopt.
En hij had haar op haar knieën gedwongen.
Verbaal weliswaar.
Maar toch.
Enigszins verwilderd kwam hij thuis.
Hij vloog Anja in de armen, gooide de pizza’s op het aanrecht en Anja greep hem tijdens de omhelzing stevig om zijn middel.
‘Kijk eens aan,’ zei ze. ‘Een paar uur weg en ik word alweer gemist.’
Die avond aten ze koude pizza.
En wat er tussen hem en Anja gebeurde, had in het geheel niets opgelost.
Hij bleef zich schamen.
En de opwinding bleef groeien.
Alleen wilde hij die op dat moment niet nóg een keer bij Anja doven.
‘Soms weet ik echt niet meer hoe alles verder moet,’ zei hij, terwijl zij hem zacht bleef strelen.
‘Ik weet ook niet veel meer dan de planning voor de shoots van Junkieleed volgende week.’
Opeens snapte hij wat Djippie moest voelen als ze met hem sprak.
Ze kwam met een existentiële vraag.
En kreeg vervolgens een antwoord als een boodschappenlijstje.
Anja lag al lang rustig en heel tevreden te snurken, terwijl hij nog steeds wakker lag.
Steeds weer kwam dezelfde vraag terug.
Waarom had Djippie hem gevraagd haar vooral niet te veroordelen?
Nee.
Het was precies andersom.
Híj was degene die hoopte vooral niet veroordeeld te worden.
(wordt vervolgd)