
Ze zou uiteindelijk langer bij hem blijven dan hij voor mogelijk had gehouden. Meestal werd ze midden op de dag wat ongedurig en dan vertrok ze voor een paar uur om haar zaakjes te regelen. Daarvoor gebruikte ze de woning in Landsmeer, die hij eerder met haar bezocht had, maar ze kwam steeds weer na een paar uur terug. Dan kookte hij typische Nederlandse gerechten voor haar, zoals hutspot, boerenkool en snert, gerechten die hij in zijn leven veel te vaak had gegeten om er nog plezier aan te beleven. Als het aan hem gelegen had, dan hadden de mannen van de Trattoria dagelijks langs kunnen komen.
Maar ze genoot zichtbaar van die gerechten en dat gaf hem het gevoel dat hij iets voor haar kon betekenen en haar misschien iets terug kon geven van haar oude leven. Hij was haar vermogen tot manipuleren langzaamaan niet als een kracht, maar als een enorme kwetsbaarheid gaan zien. Niet dat hij veel inzicht had in wat ze zoal bekokstoofde, maar hij had een extra zintuig ontwikkeld voor haar onredelijkheden. Dan voelde hij gewoon dat ze ergens mee bezig was waarvan het succes niet verzekerd was en wat mogelijk in haar nadeel kon aflopen.
Ze kwam vaak terug op de gedachte dat zijn woning op het kruispunt stond van haar oude en haar nieuwe leven en hij was vastbesloten dat zo te houden. Bovendien voelde hij wel aan dat er ook veel was dat hij niet wist en hij had het opgegeven daar vragen over te stellen, omdat ze zich dan in allerlei bochten begon te wringen. Wat hij eerst als een vorm van verraad of liegen had gezien, zag hij langzaamaan steeds meer als een onvermogen om dingen onder woorden te brengen. Het was alsof ze voortgedreven werd door krachten die ze zelf ook niet helemaal wist te duiden of kon sturen.
Dat ze op een gegeven moment zo ongedurig zou worden dat ze hem weer voor langere tijd zou verlaten, wist hij met zekerheid. Hij was hooguit verbaasd dat ze dat moment kennelijk zo lang wist uit te stellen.
Op een woensdagochtend was het dan ook zover.
‘Ik moet nu echt gewoon naar Maastricht, want dingen dreigen daar uit de hand te lopen,’ zei ze enigszins kribbig.
Voorbereid als hij was op dat moment, probeerde hij er een grapje over te maken.
‘Dat is wel een eind rijden voor wat afstandelijke seks.’
Ze keek hem woedend aan, wilde iets naars zeggen, maar meteen verzachtte haar blik weer.
‘Misschien wel, maar het is meer. Het is de sfeer.’
Het was de eerste keer dat ze een oprechte poging deed om eerlijk te zijn en hij was niet van plan om dat moment te verspillen. Hij nam haar hand beet.
‘Ik heb je in het Amsterdamse Bos duidelijk gemaakt dat ik je accepteer voor wie je bent.’
Haar blik werd wanhopig. ‘Maar dat is toch niet gezond? Ik bedoel, voel je dan geen enkele jaloezie?’
‘Natuurlijk voel ik jaloezie,’ zei hij, ‘en niet alleen dat. Ik heb ook nog eens het gevoel dat ik je iets niet kan bieden wat je kennelijk heel hard nodig hebt.’
‘Ik zou niet kunnen wat jij nu probeert.’
‘Nee, dat weet ik. Ik zit eigenlijk te wachten totdat je me gaat aanmoedigen om er een vriendin naast te nemen, maar ik kijk wel uit.’
‘Omdat je van me houdt?’
‘Nee, omdat jij dat vriendinnetje een advocatenkantoor op haar dak stuurt en niet zult rusten voordat ze een straatverbod opgelegd krijgt.’
Ze begon te lachen. ‘Je bent zo gek als een deur, weet je dat?’
‘Nou, in ieder geval niet gek genoeg om je vraag of ik van je hou bevestigend te beantwoorden, want dat loopt meestal naar af.’
Ze keek beschaamd naar haar handen en probeerde wat oude nagellak te verwijderen.
‘Soms denk ik dat ik zoals mijn vader ben.’
‘Ik denk niet dat je vader met een dekentje door het Vondelpark had gelopen.’
Zijn opmerking was grappig bedoeld, maar ze keek hem bloedserieus aan.
‘Nou, dat weet ik niet. Ze hadden niets in de kampen en ik stel me zo voor dat ze het daar vaak koud hadden, dus ik denk niet dat hij iemand een dekentje had misgund.’
Nu was het de foute jongeman die zijn tranen moest bedwingen. Hij zag weer helemaal voor zich hoe ze hem gevraagd had om het dekentje vooral door te geven als hij het zelf niet meer nodig had. Dat had hij indertijd afgedaan als overdreven sociaal hippiegedrag. Nu schaamde hij zich vooral.
Elke keer opnieuw, bij het afpellen van een laag van Djippies façade, kwam er weer een andere laag tevoorschijn die nog meer liefde in hem opriep.
Zelf vond ze duidelijk dat ze zich te veel bloot had gegeven, want ze begon weer eindeloos door te praten over geld. Dat ze had opgeteld hoeveel ze hem oorspronkelijk had gegeven en dat ze vond dat hij niet goed genoeg voor zichzelf zorgde door op zijn geld te blijven zitten als een broedse kip. Dat van die stomme vierkante televisie maar een aquarium gemaakt moest worden en dat ze vanmiddag nog een kleurentelevisie zou bestellen bij de elektrozaak. Dat hij vooral tijdens haar afwezigheid veel uit moest gaan. Dat hij zich niet moest laten opsluiten in het leven van een oudere vrouw. Ze ratelde het allemaal bijna machinaal achter elkaar af.
‘En je kunt me altijd bellen als je iets nodig hebt,’ zei ze ook nog maar weer eens. ‘Je stoort me nergens bij en als dat wel zo is, dan onderbreek ik dat wel even.’
Hij liet haar doorpraten alsof ze een overbezorgde moeder was en knikte alleen af en toe, zonder ergens inhoudelijk op in te gaan.
Hij hielp haar het koffertje naar de auto te brengen. Ze zou een week wegblijven. Dat vond hij eigenlijk te lang, maar hij mopperde niet, want hij was inmiddels zo zeker van haar dat hij wist en voelde dat ze terug zou komen en dat alles dan weer rustig zou worden.
(wordt vervolgd)