Dimmend licht (18)

Dimmend licht (18) door Hans van der Kamp

Ik moet uitkijken dat ik mijn oude dag niet opoffer aan het oprakelen van herinneringen, dacht Bork, nadat hij in gedachten zijn hele eerste reis naar Moskou opnieuw had beleefd. Dat Sergej naar Amsterdam kwam, was geen enkele reden om nog wat uren voor zich uit te gaan zitten mijmeren.

Het heden was immers spectaculair genoeg, nam hij zichzelf voor, maar was dat eigenlijk wel zo? In ieder geval vond hij het op zich al spectaculair genoeg dat hij 71 was geworden. Dat was immers een leeftijd die hij nooit gedacht had te halen. Niet dat hij over een zwak gestel beschikte, maar omdat hij nogal wild had geleefd en velen met hem, zeker in de fotografie, en dat vroeg een prijs. Veel generatiegenoten haalden alsnog de krant, meestal voorzien van een foto die ze een halve eeuw geleden gemaakt hadden en dan een tekst over een toch nog onverwachte dood en een oorzaak die niet bekend was.

Nederland was goed voor overleden fotografen, maar aan de levenden werd minder aandacht besteed. De laatste grote fotograaf die recent was heengegaan kreeg zoveel aandacht voor zijn begrafenis en wie daar allemaal niet aanwezig waren, maar over zijn oeuvre werd sindsdien met geen woord meer gesproken. Alleen nog in het buitenland. Eigenlijk was Nederland nooit het wantrouwen tegen fotografie als serieus medium te boven gekomen. Een andere wereldberoemde Nederlandse fotograaf werd uitgenodigd in Foam te Amsterdam voor een tentoonstelling of een boek, dat wist Bork niet meer, en de man opende zijn toespraak met het uitspreken van zijn verbazing dat men in Nederland van zijn werk had gehoord.

Dat had een pijnlijk moment moeten of kunnen zijn voor de aanwezige hotemetoten van de Nederlandse kunsten, maar de uitspraak werd door de meesten van hen ervaren als een grappige constatering, een leuke kwinkslag in een verder redelijk obligaat betoog.

Korte tijd was de man voor de televisie gehaald en een interviewer dacht slim te zijn en maakte een opmerking over een van zijn foto’s: ‘Maar die foto is toch eigenlijk niet scherp?’ De fotograaf antwoordde kortaf dat iedereen een scherpe foto kon maken, maar dat het aanzienlijk meer talent vereiste om een goede foto te maken die ook nog eens onscherp was.

In Nederland moest je bescheiden zijn en bovenal bereid zijn altijd een grappige anekdote klaar te hebben, zodat een televisiepubliek van overwegend weinig in beeldende kunst geïnteresseerde lieden wat vermaak te bieden. Sprak je serieus over je werk, dan was je te elitair en stak je de draak met je werk, dan mocht je even de dorpsgek uithangen tot vermaak van datzelfde publiek.

Het was niet zo dat Bork zich miskend voelde, hij vond zijn werk vooral middelmatig met misschien een enkele bijzondere uitschieter, dus hij zag zichzelf zeker niet als ‘een groot of belangrijk fotograaf’, maar hij had voldoende kennis van fotografie om op z’n minst te weten wie de werkelijk grote fotografen in zijn eigen stad waren en dat waren vrijwel zonder uitzondering mensen die getolereerd, maar niet geprezen werden.

Net zoals Rusland allang geen communistische staat meer was, zo was Nederland al heel lang geen overwegend socialistische samenleving meer, maar veel van de bureaucraten uit die tijd en hun jongere adepten maakten nog vrijwel overal de dienst uit. Hun oorspronkelijke inspanningen voor ‘het gewone volk’ en ‘de arbeider’ waren ze vergeten, maar binnen de cultuur voerden ze nog steeds het hoogste woord. Er was duidelijk verandering op komst, maar die had Bork nog nergens zien doorbreken, hooguit in een nieuwe generatie uiterst commercieel denkende mensen die van het bezoek aan tentoonstellingen of musea een amusementsspektakel wilden maken. Vast onderdeel van de grote eventmachine die ervoor moest zorgen dat een surplus aan toeristen een ander beeld van Amsterdam kreeg dan ‘drugs en prostitutie’.

Omdat zulke oude, ingesleten beelden van een stad nu niet zomaar verdwijnen, had een nieuwe burgemeester door het hele centrum borden laten ophangen die de bezoeker tot net gedrag moesten dwingen. Er zullen vast statistieken te vinden zijn waarin gemeld wordt dat dit beleid iets meer dan 50% positieve resultaten had opgeleverd, maar voor wie echt in de binnenstad woonde – en dat was niet de nieuwe burgemeester en een goed deel van haar gemeenteraad – was het overduidelijk dat toeristen zich niets van die opvoedkundige plakkaten aantrokken, maar dat je wel als bewoner van die binnenstad beboet kon worden voor het drinken van een glaasje wijn in je eigen deuropening.

De jongere generaties met veel eigen geld, of meestal dat van hun ouders, liepen weg met de Amsterdamse binnenstad en haar vrijwel onbetaalbare woningen, maar onder de generatie van Bork was de nodige ontevredenheid over hoe een ooit levende en diverse stad langzaam omgetoverd werd tot een pretpark.

Als een kritische geest Bork vroeg waarom hij niet ergens anders ging wonen, dan antwoordde hij dat hij dat best wel zou willen, maar in ieder geval niet naar het platteland van Nederland en voor een vertrek naar een vrolijker oord miste hij vooral het vermogen.

Het deed er ook niet echt toe, want de generatie van Bork zou snel genoeg het veld ruimen en zo hoorde dat ook, maar voorlopig was hij nog springlevend en niet van plan het tijdelijke voor het eeuwige in te ruilen.

Vandaar dat hij het mijmeren toch weer even aan de kant had kunnen zetten om zich met volle energie te richten op de e-mails die binnengekomen waren van mensen die door hem gefotografeerd wilden worden. Het waren er zoals gebruikelijk niet veel en er zat ook niets tussen dat hem echt kon inspireren, of iets wat hij al tienduizenden keren tot zijn eigen ongenoegen eerder had gedaan.

Hij keek in zijn agenda en het zou nog net iets meer dan tien dagen duren voordat Sergej in het land zou zijn en hij zou beslist geïnteresseerd zijn in de yoghurtserie waarvan het vierluik inmiddels twee meter breed was afgedrukt. Verder had hij nog wat losse beelden die hij geselecteerd had en een aantal daarvan had hij al bewerkt. Ze waren misschien minder imposant als het om lichaamsexpressie ging, maar ze hadden wel een emotionelere lading. Al met al had hij dan een serie van zes of zeven afbeeldingen en dat was ongetwijfeld niet voldoende voor de man van ‘I buy all!’.

Het was een gok, want Sergej kon ook zomaar zeggen dat hij in die specifieke serie geen heil zag, maar toch benaderde hij drie modellen voor extra yoghurtfotografie. Uiteraard Cornelia, niet alleen omdat yoghurt haar voorkeur had, maar ook omdat er iets onafgeronds tussen hen was blijven hangen, uiteraard ook zijn vaste exhibitioniste, die zonder te vragen wat hij met yoghurt van plan was meteen ja zei, en een Meesteres met slavin, waarmee hij een deal sloot dat hij actueel werk voor haar website zou maken in ruil voor een bijdrage van hen aan de yoghurtserie. Ook aan haar hoefde hij weinig of niets uit te leggen. Ze onderbrak hem in wat hij dacht dat een omslachtige uitleg zou worden met de tekst: ‘Oh, WAM, cool!’

Een groter wonder was misschien nog wel dat ze bereid waren om op extreem korte termijn te poseren.