
Bork vroeg zich af hoe het met Cornelia zou gaan. Hij had het ‘vierluik met yoghurt’ verstuurd naar een instituut voor fotografie in de VS en daar had men enthousiast gereageerd en de conservator zou haar uiterste best doen om het in te delen in een van de komende groepstentoonstellingen, maar dat zei niets. Amerikanen zijn extreem beleefd en toezeggingen doen die ze in het geheel niet van plan waren na te komen, was een vast onderdeel van de betrekkingen. Amerika werd met de dag preutser en hoewel er in het vierluik geen tepel te zien was en ook niet veel huid, zou het werk ongetwijfeld te riskant zijn voor het Amerikaanse publiek.
Dat was eigenlijk een ontwikkeling die gelijk opgegaan was met de komst van social media, waar de regels omtrent naakt of in ieder geval alles wat daar in de verte op leek, steeds strenger geworden waren. Het meest genoemde argument was dat kinderogen beschermd moesten worden tegen het menselijk lichaam zoals het nu eenmaal van nature was.
Bork snapte dat echt niet en hij had tot drie keer toe zijn profiel op een paar sites opgeheven zien worden op basis van het idee dat zijn werk te ‘sexually explicit’ zou zijn. Daar kunnen Amerikaanse kinderen kennelijk niet tegen. Zo zag Bork met lede ogen toe hoe dezelfde werken die eerst onder ‘fine art photography’ werden gecategoriseerd langzaam verhuisden naar ‘erotic photography’. Er waren zelfs Amerikaanse kunstenaars die daar braaf in meegingen en zichzelf op hun website ‘erotic artist’ noemden, wat bij Bork voor de nodige hilariteit zorgde. Dat je je werk als erotisch zag, dat begreep hij dan wel weer, maar dat je jezelf én je kunstenaarschap ook als erotisch zag, vond hij duidelijk op de lachspieren werken. Zeker als je naar de portretten van die kunstenaars op de website keek.
Hij oefende wel eens voor de spiegel en zei dan: ‘Ik ben een zeer erotische fotograaf.’ Om dan vervolgens niet meer bij te komen van het lachen, want het beeld in de spiegel contrasteerde zo mooi met het woord erotisch.
Toch vond hij het tegelijkertijd ook heel moeilijk om die veranderingen in de VS bij te benen. Bork zag Amerika als het thuisland van de fotografie. Dat was ook de reden dat hij begin jaren tachtig met een vrijwel lege portemonnee en een enkele reis naar New York was vertrokken, want in Nederland waren vrijwel geen verzamelaars van fotografie. Mocht fotografie eigenlijk wel kunst heten? Dat was een veelgehoord gespreksonderwerp in die tijd in de Nederlandse kunstwereld en eigenlijk interesseerde het Bork geen zier of fotografie kunst was. Zelf zou hij fotografie probleemloos als toegepaste kunst zien, als hij daar de felle tegenstanders een plezier mee deed, zolang fotografie maar geaccepteerd werd als fotografie en niet als vijand van andere uitingen in beeld.
In Amerika, in de tijd dat hij aankwam, was The Steerage door Alfred Stieglitz voor een recordbedrag geveild en er was een grote groep verzamelaars die zich actief bezighield met de aanschaf van fotografische werken, iets wat in Nederland in die tijd nog niet zo was en eigenlijk ook nooit groot was geworden.
Dat sommige verzamelaars in de waan verkeerden dat fotografie een typisch Amerikaanse uitvinding was, dat was natuurlijk op het eerste gezicht geschiedkundig onterecht, maar Kodak uit Rochester had er wel voor gezorgd dat de fotografie niet meer alleen een tijdverdrijf voor mensen met geld was, maar een echt volksmedium en dat alleen al had ervoor gezorgd dat fotografie in een zeer voedzame bodem was geland. Misschien was de techniek Europees, maar de Amerikanen hadden de fotografie toegankelijk gemaakt voor iedereen, dus helemaal bezijden de waarheid was hun claim ook weer niet.
De fotografen die Bork in zijn jeugd bewonderd had, waren zonder uitzondering Amerikanen geweest. De recente ervaring met het marketingbedrijfje had hem er weer voor de zoveelste keer aan herinnerd dat fotografie voor hem vooral betekende dat hij de vrijheid had om onafhankelijke beelden te maken, zonder tussenkomst van opdrachtgevers, wat voor hem belangrijk was en dat betekende dat je, om te overleven, een grote groep verzamelaars nodig had en die waren er gewoon bijna niet in Nederland, tenminste niet in zijn jeugd en nu, een halve eeuw later, was er op dat vlak nog weinig veranderd.
De foto’s die hij zelf wilde maken, noemde hij zijn ‘vrije werk’ en van dat werk had hij vrijwel over de hele wereld gesigneerde en genummerde drukken verkocht, maar vrijwel nooit in Nederland.
In de enkele recensies in Nederlandse kranten las hij dan dat hij graag mensen aan de ‘zelfkant van de maatschappij’ fotografeerde. Zo voelde hij dat zelf niet en hij had ook geen idee wat een burgerlijk beknepen uitspraak als de ‘zelfkant’ nu eigenlijk precies impliceerde. Hij fotografeerde mensen, vooral omdat hij geen enkele interesse in landschappen had en helemaal allergisch werd van fotografen die het menselijk naakt omschreven als een landschap, meestal omdat het gezicht van het model uit de compositie was gelaten, omdat een gezicht kennelijk het menselijke landschap verstoorde. Dat was in zijn ogen objectivisering.
Hij fotografeerde mensen die zich expressief durfden te uiten in een wereld van homogeniteit, of onwelgevallig waren in de ogen van burgers die een denkbeeldig Delftsblauw tegeltje in hun hart meedroegen met daarop de tekst: ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.’
Misschien ging die behoefte om mensen te fotograferen die zich onderscheidden in uiterlijk en leefstijl wel terug naar zijn vroege jeugd in Haarlem, een tijd waarin de meeste mannen een grijze jas droegen, al dan niet gecombineerd met een grijze hoed. Veel vrouwen droegen een hoofddoekje en ook al een kleurloos ensemble. Een smakeloos hoogtepunt waren de regenkapjes die ook bijzonder populair waren in die tijd.
Het was niet het gebrek aan persoonlijke smaak dat hem het meest stoorde, maar wel dat hij, als hij bij de bus stond te wachten om zijn vader op te halen van zijn werk, moeite had om hem vanuit de verte te herkennen, omdat al die mannen die vanuit hun werk kwamen vrijwel identiek gekleed gingen.
Veel mensen die in Haarlem woonden en daar nog steeds woonden, spraken met enige weemoed over het oude Haarlem. Voor Bork was het een stad die je in kleur kon fotograferen, maar dan nog zagen de foto’s eruit alsof ze in zwart-wit gemaakt waren.
Veel beter was in zijn herinnering blijven hangen dat hij voor het eerst met zijn moeder naar Amsterdam ging, want daar had hij midden op de Dam een man gezien met een grote, felgekleurde tulband op het hoofd en een jurk in plaats van een broek en een jasje. Het was duidelijk geen vrouw, zoals hij eerst nog dacht door de jurk, want de man had een imposante baard. Hij zag ook mensen met andere huidskleuren dan het standaardwit dat in Haarlem overheerste en rood natuurlijk na de eerste dag op het strand van Bloemendaal.
In dat Amsterdam wilde hij wonen als hij later groot was.
Dat hij nu al meer dan een halve eeuw in Amsterdam woonde, was niet ontstaan uit die ambitie, maar meer door toeval. Hij was onder invloed van zijn toenmalige vriendin in Utrecht gaan wonen, die daar ging studeren en het leek indertijd logisch dat hij een kamer met haar in een studentenflat zou delen. Het was zonder meer een prettige stad. Hij werkte overdag in een fotoafdrukcentrale en ging korte tijd in de avonduren naar de plaatselijke kunstacademie, waar de docenten ongeveer net zo’n afkeer voelden van fotografie als hun opvolgers nu waarschijnlijk van AI.
De jonge Bork was tijdens het kennismakingsgesprek om zijn meningen over het een en ander gevraagd en hij had niet mis te verstane antwoorden gegeven, dus ze waren slechts bereid om hem op proef toe te laten, kortom, er werd op hem gelet.
Omdat de avondopleiding vooral bestond uit mensen die eens wat anders wilden dan ‘s avonds op de bank voor de televisie hangen en hun aanwezigheid meer als een vrijetijdsbesteding zagen, deden de docenten er alles aan om een sfeer van competitie op te roepen. Dat betekende dat zij af en toe een wedstrijd uitschreven, waarbij een winnaar werd gekozen.
De eerste opdracht in dat kader was het ontwerp van een zoutvaatje. De zoutvaatjes uit die tijd waren rond en klein, maar ze stonden wel in de meeste huishoudens naast het ook populaire flesje Maggi op tafel en Bork bedacht hoeveel lucht er eigenlijk vervoerd werd in die vrachtwagens met al die zoutvaatjes. Ronde vormen op een pallet stapelen voor vervoer was uitermate oneconomisch, dus hij bedacht, met de onheilstijdingen over het klimaat en het milieu in het achterhoofd, zeskantige vaatjes, waarvan er vele malen meer op een pallet pasten. Hij zorgde tevens voor een vernieuwd logo en een wat kleurrijkere buitenkant van het zoutvaatje, zonder daarbij de visuele stijl van het originele vaatje dat al decennia op Nederlandse huistafels stond te veel geweld aan te doen. Hij had bovendien ook nog uitgerekend hoeveel extra zoutvaatjes er nu op een pallet pasten en wat dat zou schelen aan nodeloze uitstoot van uitlaatgassen.
Het winnende ontwerp zou het niet worden. Dat werd een porseleinen slappe lul die testikels als draagvlak had. Heel realistisch uitgewerkt, alleen had de maker drie gaatjes in plaats van een enkel gaatje op de eikel aangebracht.
Volgende keer beter, dacht Bork, die al tijden op een wachtlijst stond om een keer gebruik te mogen maken van de enige camera die het pand rijk was. De opdracht was het ontwerpen van een kinderspeelplaats, dus Bork besteedde veel tijd aan het op schaal ontwerpen van klimobjecten die niet te hoog waren, zodat in paniek geraakte kinderen nog makkelijk door hun volwassen ouders bereikt konden worden. Hij maakte ook ruim gebruik van rubberen tegels, iets wat je toen nog zeker niet overal zag.
Het was inmiddels voor hem niet meer verrassend dat het winnende ontwerp een schaalverkleining was van een negen meter hoge klimtoren met weinig steunpunten en uiteraard zonder rubberen tegels. Dat laatste schoot verkeerd bij Bork en hij sprak er de docent op aan en die reageerde als een leeuw die weken niet gegeten had.
‘Weet je wat jouw probleem is, Bork? Jij hebt geen vrije geest. Je bent gewoon geen kunstenaar! We zitten hier niet om de maatschappij een handje te helpen, we zijn er juist om met onze vrije associaties die maatschappij een beetje te verstoren.’
‘Met kinderen die een dwarslaesie oplopen?’ zei Bork en hij liep het pand uit om nooit meer terug te komen. Wel stuurde hij een paar weken later alle docenten nog een uitnodiging voor zijn solotentoonstelling met fotografie in Galerie Cyclope in Brussel. De enige camera die de academie rijk was, zou hij daardoor nooit aanraken.
Midden in zijn overpeinzingen ging de deurbel. Cornelia.