
‘We kunnen morgen terecht bij Jorritsma, Verdonck & Van Straten,’ zei Djippie op een ochtend tijdens het ontbijt. Ze had de laatste dagen ’s middags in Landsmeer gewerkt en ’s avonds en ’s nachts bij hem doorgebracht. Ze was opvallend rustig geweest de laatste dagen, maar zijn aanbod om vanuit zijn huis te werken had ze weer afgewezen.
‘Nee, alsjeblieft niet, want dan gaat straks hier de telefoon de hele dag. Laat ze maar lekker mijn apparaat inspreken.’
Djippie vond wel dat hij een kostuum moest aanschaffen voor het tekenen van het contract.
‘Waarom?’ vroeg hij. ‘Jij gaat toch ook in je gewone kleren?’
‘Dat ligt anders. Ik ben een hoerenmadame. Bij mij zijn ze al tevreden als ik niet naakt op hoge hakken kom binnenlopen. Maar je hebt gelijk, voor het tekenen van een contract is geen speciale kleding vereist. Het leek me gewoon leuk om je in pak te zien en binnenkort bij de première van Junkieleed moeten we er een beetje imposant bij lopen.’
Morrend ging hij akkoord en in de auto keek hij verbaasd toe hoe ze de afslag naar de snelweg richting Utrecht nam.
‘Ja schat, niet sputteren, maar in Amsterdam hebben ze geen fatsoenlijke herenkleding. In deze stad kleden ze hoofdzakelijk criminelen en dat zie je meteen terug in het aanbod van de betere zaken. Veltman & Liesting in Utrecht heeft wel fatsoenlijke kleding voor mannen.’
Het werden de langste uren van zijn jonge leven, maar twee uur later stond hij weer op straat met twee kostuums, acht Arrow-overhemden, zes zijden stropdassen, meer sokken dan hij ooit eerder had gehad en een Burberry-regenjas die volgens hem uitsluitend door potloodventers gedragen werd. Net toen hij dacht dat de ellende erop zat, stopte ze ook nog voor een schoenenzaak, waar ze twee paar Engelse herenschoenen voor hem kocht.
‘Dit ben ik gewoon niet,’ zei hij voor de zoveelste keer die middag, toen ze eindelijk weer richting Amsterdam koersten.
‘En als ik het nu af en toe lekker vind om je zo te zien?’
Ja, wat moest hij daar nu weer op zeggen? Hij bromde wat onverstaanbaars voor zich uit over apen in het circus, maar als zij die kleding opwindend vond, dan zag hij eigenlijk weinig reden om haar dat te onthouden. Maar dan wel uitsluitend bij speciale gelegenheden.
Dat het tekenen van het contract een speciale gelegenheid was, daarover bestond geen twijfel. Zijn handtekening naast de hare. Een huwelijk was het niet, maar dichterbij zou hij voorlopig niet komen.
Hij las voor de zekerheid thuis het conceptcontract nog eens na en hij vond eigenlijk niets vreemds, behalve wat formuleringen die hij wat gezocht vond en waarvan de betekenis hem maar vaag voor ogen stond.
‘Je zult zien dat het gannef van Jorritsma & Co. ons straks binnenhaalt alsof we de koninklijke familie zijn, maar laat je niet inpakken, want ze kijken in werkelijkheid zwaar op ons neer. Wij zijn niet “het soort clientèle” dat ze gewoonlijk van hun diensten voorzien, maar ze vergeten dat ze met hun louche bankconnecties en witwaspraktijken Amsterdam langzaam van binnenuit stukmaken.’
‘Wil jij zeggen dat je nooit met louche praktijken bezig bent?’ zei hij. Het was een vraag die hij nooit had gesteld als zijn nog niet ingelopen schoenen niet zo’n pijn hadden gedaan bij het lopen.
‘Nou ja, je kunt eventueel een moreel oordeel hebben over mijn clubs, maar feit is wel dat er veel zwart geld binnenkomt dat wit weer in omloop komt. Als een economie geen plekken meer heeft waar zwart geld weer terug de economie in stroomt, dan krijg je situaties als in België, waar je ’s nachts in het donker over de snelweg rijdt omdat de overheid geen geld heeft om fatsoenlijke lantaarnpalen aan te schaffen.’
Volgens hem had hij bij economie iets anders geleerd, maar hij besloot niet te protesteren. Hij had sowieso spijt van zijn opmerking. Dat hij nu ook zaken met haar ging doen, betekende automatisch dat hij wel de laatste persoon was die het recht had om haar te bekritiseren op haar economische inzichten.
Als die verdomde schoenen toch eens wat minder pijn deden, dacht hij.
Eenmaal aangekomen bij de receptie van Jorritsma & Co. was de pijn haast ondraaglijk. Ze werden, zoals Djippie al voorspeld had, binnengehaald alsof ze royalty waren. Ze werden naar een zaal geleid door de heer Jorritsma zelf, die hem van top tot teen opnam en kennelijk verbaasd was over zijn kledingkeuze. Ze kwamen langs een spiegelende glazen wand en nu zag hij het zelf ook. Hij ging er meteen rechter van lopen, of beter: schrijden. Hij moest toegeven dat hij er inderdaad imposant uitzag. De pijn aan zijn enkels werd meteen ook makkelijker te dragen.
Het tekenen stelde verder niet zo veel voor. Jorritsma stak een obligaat babbeltje af over de vele zegeningen van investeringen in onroerend goed, zonder een woord te reppen over de clubs, en het contract stond op mooi handgeschept papier. De vellen werden bijeengehouden door een klemmetje dat van 18-karaats goud leek te zijn.
Er werden felicitaties uitgesproken en Djippie gaf hem een kusje. Vanuit zijn ooghoek zag hij dat een jonge vrouw in een keurig mantelpakje een al even goudkleurig karretje voor zich uitduwde met daarop een fles champagne in een emmer met ijs.
Dat moest ook het moment zijn geweest waarop de pijn in zijn voeten het hevigst werd en zijn ergernis over Jorritsma ondraaglijk werd.
Vlak voordat Jorritsma een wijds armgebaar wilde maken naar de fles champagne en de omgekeerde flutes, trok hij hem opzij en fluisterde in zijn oor: ‘Champagne om 11.00 uur ’s ochtends. Wie denkt u eigenlijk dat u voor u heeft? Vindt u dat zelf ook niet wat ordinair?’
Jorritsma wist niet hoe snel hij het meisje moest gebaren weer te vertrekken met de champagne. De foute jongeman bood Djippie zijn elleboog aan en samen liepen ze gearmd de zaal uit, gevolgd door een verontschuldigingen stamelende notaris, jurist of wat de man dan ook was.
Wetende dat Jorritsma elk woord uit zijn mond zou horen, zei hij ook nog even: ‘Het is toch ongehoord en ik neem aan dat we daar indirect ook nog zelf voor moeten betalen…’
Djippie moest haar uiterste best doen niet in lachen uit te barsten, maar eenmaal buiten liet ze zich volledig gaan.
‘Dat hoofd van Jorritsma! Krijtwit werd hij!’
‘Dan gaan we nu maar eens op zoek naar een gezellig café om het te vieren. Champagne, lieverd?’
(wordt vervolgd)