
Het zou in de praktijk dagen duren voordat de brief met de schorsing op de mat viel, omdat er een kleine fout in de adressering was gemaakt. Dat gaf de foute jongeman wat ruimte om zijn ouders in te lichten over wat er gebeurd was.
Er stond weinig meer in de brief dan:
“Namens het schoolbestuur deel ik u mede dat uw zoon voor een week geschorst is.”
Zijn vader moest er eigenlijk wel om lachen, zeker na het lezen van de passage met de goudvis en de kat. Kennelijk had hij wel iets met pratende dieren. Ook het interview met God vond hij aanvankelijk vermakelijk, maar hij stelde wel de bezorgde vraag of zijn zoon niet zelf ook van de ‘verkeerde kant’ was.
‘Slechts voor de helft, pa!’ antwoordde de foute jongeman met een grote grijns, wetende dat zijn vader, die van Limburgse komaf was, zelden het onderscheid tussen ernst en humor wist te maken. Zijn vader dacht even na, haalde zijn schouders op en sloeg de krant weer open.
Zijn moeder echter was geheel overstuur.
‘Hou je er wel rekening mee dat ik voorzitter ben van het Katholiek Vrouwengilde?’ riep zij uit in pure, onverdunde wanhoop.
‘Ach mam, theologisch is er niets mis mee. Is er tijdens het laatste pauselijke concilie niet besloten dat iedere gelovige zich een eigen beeld mag vormen, niet alleen van de Heilige Maagd Maria, maar ook van God zelf? Dat we ons niet hoeven vast te klampen aan afbeeldingen die door de eeuwen heen slechts als ondersteuning bedoeld waren en niet als een feitelijke weergave van hun wereldse gedaanten?’
De foute jongeman verzon dit ter plekke, maar hij vond het moeilijk om toe te zien hoe overstuur zijn moeder was.
‘Ja, dat kunnen de hoge heren in Rome wel beweren, maar we zitten ondertussen wel in Friesland.’
Ze mopperde daar nog even over door, maar het argument dat zijn opstel niet in de krant had gestaan stelde haar uiteindelijk slechts ten dele gerust.
De volgende dag viel er een andere brief op de mat die, in ieder geval voor de jongeman zelf, veel meer commotie zou veroorzaken. Hij werd door de overheid opgeroepen voor een medische keuring ten behoeve van de militaire dienst. Niet dat hij daadwerkelijk werd opgeroepen voor het leger, maar de medische keuring was hoe dan ook verplicht. Wie een aantal keren niet kwam opdagen, werd uiteindelijk door de militaire politie opgehaald. Tenminste, dat was het verhaal dat de ronde deed. De jongeman had zoiets zelf nooit meegemaakt.
Zo’n brief viel bij vrijwel alle jongens van zijn leeftijd op de mat, dus er ontstond al snel onderling overleg over de vraag hoe je onder de dienstplicht uit kon komen. Zeker bij een generatie die uitgebreid les had gekregen over het verloop van de Tweede Wereldoorlog bestond er weinig enthousiasme voor een militaire loopbaan. Daar kwam nog bij dat de Vietnamoorlog volop gaande was en ook die riep weinig militaristische gevoelens op.
Er deden talloze methoden de ronde om afgekeurd te worden. Een daarvan was in vrouwenkleding naar de keuring te gaan. Dat advies kwam uit zoveel verschillende hoeken dat de foute jongeman besloot iets te verzinnen dat vele malen origineler was. Iets wat men bij het keuringscentrum nog niet eerder had meegemaakt.
Na lang nadenken besloot hij een methode te kiezen die met zekerheid een S5, oftewel afkeuring wegens mentale ongeschiktheid, moest opleveren.
Hoe hij dat aanpakte kan ik het beste beschrijven vanaf het moment waarop hij een barak van de militaire keuringsdienst binnenliep.
Achter een houten balie stond een militair die, naar zijn uniform te oordelen, geen rang had en slechts zijn geboortejaar moest controleren. Maar zover liet de foute jongeman het niet komen.
In plaats van zich netjes bij de balie te melden, rende hij als een gewond roofdier rondjes door de hal terwijl hij luid schreeuwde:
‘Waar is mijn geweer? Waar is godverdomme mijn geweer? Zien jullie dan niet dat de communisten eraan komen? Ik heb de colonnes zien aankomen! Geef me in godsnaam mijn geweer!’
De dienstdoende militair had duidelijk meer meegemaakt in zijn loopbaan. Hij zuchtte slechts, draaide een telefoonnummer en amper een minuut later verscheen een hogere militair in vol ornaat in de hal. Op zijn gezicht lag een grote, bijna vaderlijke glimlach.
De foute jongeman bleef onverminderd in zijn rol en begon nog paniekeriger om een wapen te schreeuwen.
De militair keek de vertoning even aan, klapte zachtjes in zijn handen en zei met de vriendelijkste glimlach die denkbaar was:
‘Dit verdient op zijn minst een originaliteitsprijs. Komt u even mee naar mijn kamer?’
Volledig uit het veld geslagen door de ontspannen manier waarop hij werd ontvangen volgde de foute jongeman de hogere militair.
Daar overhandigde hij zijn oproep en zag op een naamplaatje dat hij tegenover een heuse luitenant-kolonel van de Nederlandse krijgsmacht zat.
De officier wierp een blik op de uitnodigingsbrief, belde de militair van de balie binnen en zei:
‘Jos, wil jij dit even invoeren?’
Pas daarna richtte hij zich weer tot de jongeman.
‘Nee werkelijk, ik kan zo’n actie van u oprecht waarderen. Kijk nu eens wat u daar zo prachtig improviseerde. Eigenlijk was het onze eigen wervingscampagne, maar dan honderd keer over de top. Uw niet zo originele bedoeling was natuurlijk om daardoor afgekeurd te worden. Briljant bedacht, maar ik zit hier inmiddels al wat langer. Dat begrijpt u ook wel.’
De foute jongeman knikte enigszins betrapt.
‘Weet u,’ vervolgde de luitenant-kolonel, ‘met zo’n oproep voor een medische keuring krijg ik heel wat mannen van uw leeftijd over de vloer. Sommigen zien de dienstplicht wel zitten, anderen vervelen ons met allerlei kunstgrepen om vrijstelling te krijgen. Dat is overigens helemaal niet zo moeilijk als men denkt. Zodra wij het gevoel hebben dat wij niet met iemand kunnen werken, schrijven wij zonder moeite een S5 uit. Vervolgens hopen we maar dat die kwalificatie hem in zijn verdere leven niet al te veel in de weg zal zitten.’
De foute jongeman bloosde.
Zo had hij er nog niet naar gekeken.
Dat hij voor het eerst in zijn leven voortdurend met u werd aangesproken, had hem ongemerkt steeds meer naar de kant van de luitenant-kolonel doen opschuiven. Hij was wakker genoeg om daarin een effectieve gesprekstechniek te herkennen, al bleek hij er niet tegen opgewassen.
‘Je wint een oorlog niet alleen met sterke en enthousiaste mannen,’ vervolgde de officier. ‘Je hebt ook mensen nodig die kunnen improviseren. Mensen die origineel denken en daardoor onvoorspelbaar zijn. Die zijn veel zeldzamer. Vandaar dat u nu aan mijn bureau zit en niet meer bij de balie. Als ik u zo zie, denk ik eerder aan de inlichtingendienst dan aan de infanterie. Het is nog maar de vraag of u de medische keuring goed doorstaat, maar ik zou uw beeld van de Nederlandse krijgsmacht toch enigszins willen bijstellen. Iemand als u eindigt echt niet in een loopgraaf, al is dat kennelijk het beeld waarmee u hier naartoe bent gekomen. Geef het een kans.’
Even later zat de foute jongeman morsecodetests te maken voor de inlichtingendienst, tekende hij zelfs bij voor de vredesmacht, die toen nog nooit was ingezet, en doorliep hij braaf de hele medische keuring, die zich als een lange slurf door de barakken uitstrekte.
Pas bij de allerlaatste arts werd hij afgekeurd wegens een afwijking aan de femur van zijn rechterheup.
Razend ging hij naar huis.
(wordt vervolgd)
Hans van der Kamp