Een foute man (12)

Het was in zekere zin de tijd van de belangrijke brieven, want een paar weken later stond zijn vader in het trappenhuis op hem te wachten met een geopende brief in de hand en een verwijtende blik.

‘Wat moet dit voorstellen?’

‘Geen idee, pap. Jij hebt die brief geopend, niet ik.’

Zijn vader overhandigde hem de brief en hij moest zijn best doen om geen vreugdedansje te maken. De brief was niet aan zijn vader, maar aan hem gericht. Het was een bevestiging dat hij was aangenomen op de Filmacademie. Hij had weliswaar een soort toelatingsexamen gedaan, maar de kans om aangenomen te worden was gering. Er waren duizenden aanmeldingen geweest en misschien hooguit zeventig plaatsen. Hij had weken geleden al opgegeven dat hij überhaupt nog iets zou horen, en nu stond het er toch, in het heldere schrift van een IBM-typemachine:

U bent aangenomen.

Kennelijk wist de foute jongeman zijn blijdschap slecht te verhullen, want de blik van zijn vader werd met het moment grimmiger.

‘Wat sta je daar nou dom te grijnzen? Je zou arts worden!’

Hij griste de brief weer uit de handen van zijn zoon en riep getergd:

‘Scenarioschrijver! Dat is een beroep voor alcoholisten, zoals je neef Pim. En als je maar weet dat ik die opleiding nóóit ga betalen!’

Even later hoorde hij zijn vader de brief verscheuren, op zijn geheel eigen wijze. Als hij een brief verscheurde, deed hij dat grondig. Er bleef geen stukje groter over dan een halve vierkante centimeter. Niemand deed hem dat na zonder immense spierpijn te krijgen.

De foute jongeman ging op de trap zitten.

Het klopte dat neef Pim er iets mee te maken had, maar het bezoek aan hem was een idee van zijn ouders geweest.

‘Misschien is het leuk als je een weekendje Amsterdam gaat verkennen,’ had zijn moeder gezegd. ‘Je kunt vast wel bij neef Pim logeren.’

De achterliggende gedachte was geweest dat zijn ouders zelf een weekendje weg wilden. Dat hadden ze wel vaker gedaan, maar hun zoon had een eerdere gelegenheid aangegrepen om een enorm feest te geven voor zijn klasgenoten.

Dat was op zichzelf geen drama, want zijn ouders keerden terug in een keurig opgeruimd huis, zelfs netter dan ze het bij vertrek hadden achtergelaten.

Een klein knelpunt was wel dat de gehele drankvoorraad was opgedronken, inclusief een aantal wijnen die zijn moeder voor bijzondere gelegenheden had willen bewaren. Flessen uit geboortejaren, die zij met veel moeite had verzameld.

Toch kon zijn vader, die behoorlijk dronk maar een afkeer van wijn had, daar nog redelijk begripvol op reageren. Hij was eenvoudig naar de slijter gereden en had de drankvoorraad aangevuld, inclusief een paar dozen wijn. Weliswaar niet uit de juiste geboortejaren, maar wijn was wijn, zo oordeelde hij.

Zelf dronk hij, zelfs niet onder dwang, een druppel wijn, omdat hij daar steevast hoofdpijn van kreeg. Dat hij liever aanzienlijke hoeveelheden gedistilleerd dronk, zal aan die hoofdpijn ongetwijfeld ook hebben bijgedragen.

Kortom, het hele wilde feest had met een sisser kunnen aflopen als de buurvrouw niet was gaan klagen over herrie, overlast en een geknakte conifeer op de erfgrens.

Het was weliswaar geen echte villawijk waar zij woonden, maar de buurt was chic genoeg om klachten van buren te zien als een bevestiging van breed, niet incidenteel asociaal gedrag. Dat kon een voorzitter van het Katholiek Vrouwengilde zich niet veroorloven en het feestje werd alsnog als een groot drama beschouwd.

De foute jongeman was die conifeer nog eens gaan inspecteren, verbaasd als hij was dat zij zoiets bij het opruimen over het hoofd hadden gezien. Het bleek dat de conifeer helemaal niet geknakt was. Slechts één enkele tak, of beter gezegd: een takje, was beschadigd.

Hij pakte de snoeischaar en knipte het corpus delicti af. De conifeer zag er weer volkomen ongeschonden uit.

Hij meldde dit aan de buurvrouw, die de plant zelf mocht inspecteren. Ze moest toegeven dat zij niet meer kon aanwijzen waar de conifeer geknakt was geweest.

‘Maar,’ sprak de vrouw vermanend, ‘het gaat natuurlijk niet om die ene conifeer. Het gaat om het principe. Mijn man en ik hebben sindsdien geen nacht meer rustig geslapen.’

De foute jongeman had willen opmerken dat in de zomer, met de ramen open, het gesnurk van haar man straten ver te horen was, maar hij hield zich in. De integriteit van een voorzitter van het Katholiek Vrouwengilde stond immers op het spel.

‘Principes, principes en nog eens principes,’ mompelde hij binnensmonds, terwijl hij de snoeischaar netjes teruglegde op de plek waar hij hem gevonden had.

Dat woord principe stoorde hem nog het meest als het uit de mond van docent Duits Von Fünten kwam. Hij kon het niet eens uitspreken. Hij sprak voortdurend over prinzuup in plaats van principe.

De foute jongeman kon er niet langer omheen dat het woord principe de joker in het kaartspel was. Of het duizend-dingen-doekje waarmee alle leven weggepoetst kon worden uit alles wat ook maar een kiem van oprechtheid in zich droeg.