
Zijn vader had goed aangevoeld dat neef Pim een belangrijke rol had gespeeld bij zijn besluit toelating te doen voor de Filmacademie. Sinds het interview met God had het idee schrijver te worden hem niet meer losgelaten en daarom had hij een kopie van het verhaal meegenomen naar Amsterdam.
Hij was om half tien ‘s morgens aangekomen op station Amsterdam Centraal en oordeelde dat het wat vroeg was om aan te bellen bij een familielid met wie hij sporadisch contact onderhield.
Amsterdam was in zijn verbeelding een immense stad. Hij dacht dus nogal wat tijd nodig te hebben om het juiste adres te vinden, maar de tip van een ander familielid dat Pim vlak bij de Montelbaanstoren woonde, bleek goud waard. Vrijwel iedereen wist die moeiteloos aan te wijzen. Tegenwoordig zou dat, met de explosie van het toerisme, waarschijnlijk een stuk lastiger zijn, maar destijds kon dat nog.
Door de aanwijzingen te volgen stond hij binnen een kwartier voor het juiste adres. Toch durfde hij nog niet aan te bellen. Het was immers nog steeds erg vroeg en bovendien woonde Pim kennelijk in het souterrain, waar hij tegelijkertijd een studio had. Naast de deur hing een bordje met de naam Dreamtime Studio.
Hij besloot eerst de buurt wat te verkennen. Vooral wilde hij voorkomen dat hij later de weg kwijt zou raken.
Amsterdam had grachten, net als Leeuwarden, maar de huizen waren er oneindig veel groter. Er was nog een verschil dat hem onmiddellijk opviel. De Amsterdamse grachten roken een beetje als een vuilnisbelt en er dreven matrassen, meubelstukken en ander afval in rond. Kennelijk deden de grachten tevens dienst als vuilstort. Hij moest toegeven dat het een praktische oplossing was, al bleef het jammer van die lucht.
Ook de mensen waren anders dan in Friesland. Ze leken opener en vriendelijker, maar zagen er in zijn ogen tegelijk een stuk ongezonder uit. Bovendien leek een regelmatig bezoek aan de kapper niet erg in trek, al begon die mode inmiddels ook Leeuwarden te bereiken.
De terrassen waar hij langs liep zaten ondanks het vroege uur al behoorlijk vol en er werd stevig gedronken. Hij nam aan dat het vooral toeristen waren die zo vroeg aan de alcohol gingen.
Om twaalf uur vond hij het tijd om toch maar aan te bellen. Er verscheen niemand. Vreemd, want zijn komst was ruim van tevoren aangekondigd.
Hij maakte nog een wandeling en probeerde het een half uur later opnieuw. Weer geen gehoor. Dat herhaalde zich nog een paar keer.
Pas om drie uur werd de deur geopend.
Een blonde vrouw in een dun Indiaas gewaad keek hem slaperig aan. Haar ogen waren nog half gesloten en ze leek zich totaal niet bewust van het feit dat haar gewaad ruim uitzicht bood op haar borsten.
‘Ik kom voor Pim,’ zei hij resoluut, moe van alle wandelingen die hij inmiddels door de stad had gemaakt.
‘Pim?’
‘Ja… Pim. Mijn neef.’
De toevoeging mijn neef klonk hem zelf wat vreemd in de oren, maar hij had ook niet verwacht dat hij eerst zou moeten uitleggen wie Pim was.
‘O ja, natuurlijk. Pim! Dat is zijn naam. Wat stom van me,’ zei ze lachend terwijl ze de deur verder opendeed. ‘Kom binnen. Ik maak hem wel even wakker.’
Het verbaasde hem dat het souterrain geen hal had. Vanaf de voordeur keek je meteen de hele ruimte in.
De ruimte leek in niets op wat hij zich de hele dag bij een Dreamtime Studio had voorgesteld.
Bij de ingang stond een grote ronde tafel met twee overvolle asbakken, lege bierblikjes en een stoel die vrijwel geheel bedekt was onder een berg kleding. Vanaf die stoel liep een spoor van achteloos neergegooide kledingstukken naar een matras onder een verzameling kleurrijke doeken.
Daar lag Pim.
Hij kreunde en hield met beide handen zijn hoofd vast.
Toch klonk zijn stem opvallend helder toen hij riep:
‘Ga me niet vertellen dat jij die klootzak bent die de hele dag tegen de deurbel heeft staan leunen!’
Het klonk dreigend, maar de vrouw schoot in de lach.
‘Ik wist niet dat je nog zo alert was dat je de deurbel kon horen. Het is je neef uit Leeuwarden! Weet je nog? Gisteren zei je nog dat je het deze keer niet te laat wilde maken omdat hij vanmorgen op de stoep zou staan.’
Onze foute jongeman was opgelucht toen de vrouw ergens uit de stapel kleding een vestje tevoorschijn haalde en aantrok. Hij had moeite zijn blik af te wenden. Niet omdat hij wilde staren, maar omdat zijn ogen als vanzelf steeds weer die kant op gingen.
‘Godverdomme,’ klonk het vanaf het matras. ‘En daar kom je nú mee. Lekker op tijd.’
Pim stond op, slechts gekleed in een onderbroek, wankelde even en vond steun bij een oud schoolbankje waarop een hagelnieuwe rode Olivetti Portable stond.
Dat was dus een scenarioschrijver. Geen imposant kantoor. Geen secretaresse. Geen boekenkasten.
Alleen een matras, een typemachine en een man met een kater.
Hij dacht aan zijn eigen logge Royal-typemachine uit de Tweede Wereldoorlog. Zodra hij ooit genoeg geld had, wilde hij precies zo’n rode Olivetti.
Pim liep naar de kraan, hield zijn hoofd een tijdlang onder het koude water en kreunde alsof hij ernstige pijnen doorstond. Daarna droogde hij vluchtig zijn haar af, trok de koelkast open, haalde er een blik bier uit en dronk het in één lange teug half leeg.
Toen pas ging hij zitten.
‘Zo, neef. Hoe bevalt de grote stad je tot nu toe? Ik heb gehoord dat je laatst een week vrij van school hebt gekregen omdat je iets had geschreven dat een beetje verkeerd viel.’
Hij leek nu volledig wakker en schoot in de lach.
‘Ik dacht dat ik juist iets goeds had geschreven,’ zei de foute jongeman.
‘Ja,’ zei Pim. ‘Dat denken we allemaal.’
Dat ene woordje we gaf de foute jongeman een merkwaardig warm gevoel.
Voor het eerst hoorde hij ergens bij.
Wat volgde was een prettig gesprek over de Nederlandse filmwereld, die volgens Pim eindelijk internationaal begon door te breken. Hij bekende eerlijk dat hij daar zelf nauwelijks aan bijdroeg. Hij werkte voor een omroep en als hij geluk had mocht hij af en toe een dialoog schrijven voor een televisieserie. Het grootste deel van de tijd schreef hij reclameteksten voor commercials, tenminste als er werk was.
‘Ik denk dat ze je vooral naar mij gestuurd hebben zodat je met eigen ogen kunt zien dat teksten schrijven de kortste weg naar armoede is. Maar als ik zo naar jouw koppige hoofd kijk, weet ik eigenlijk nu al dat die boodschap nooit zal aankomen. En gelijk heb je. Het is een arm, maar prachtig leven, waarin je nooit dorst hoeft te krijgen. Of denk jij daar anders over, lieverd?’
Hij legde zijn hand op de schouder van zijn vriendin.
Ze zei niets.
Ze keek hem alleen diep verliefd en glimlachend aan.
Die middag bezochten ze een kraakpand waar in een voormalige garage een geïmproviseerde tekenfilmstudio was ingericht.
Een oud karrenwiel draaide langzaam om een korte as. Daarboven hing een Bolex Paillard 16mm-camera. Op het wiel lagen velletjes papier met opeenvolgende tekeningen. Na iedere opname werd het wiel een klein stukje gedraaid en drukte iemand opnieuw op de ontspanknop. Zo ontstond beeldje voor beeldje een tekenfilm.
Ondanks de primitieve techniek liepen er veel mensen rond. De een tekende, de ander kleurde vlakken in. In een enorme pan stond eten te pruttelen: iets dat nog het meest leek op een kruising tussen hutspot en een Aziatisch gerecht.
De borden werden niet afgewassen, maar schoongeveegd met een dikke rol papier die er waarschijnlijk nog hing uit de tijd dat het een garage was geweest.
Zijn lichte smetvrees moest die dag geregeld een stap opzij doen.
Toch zou juist deze dag in Amsterdam hem zijn hele leven bijblijven.
Hij vormde het begin van een heel andere kijk op het leven.
Ze gingen tot diep in de nacht uit en overal hing dezelfde sfeer: alsof de wereld op het punt stond volledig te veranderen en zij daarvan niet alleen getuige zouden zijn, maar die verandering zelf mede zouden ontketenen.
De volgende ochtend moest hij bij zijn vertrek letterlijk over zijn slapende neef heen stappen. Die lag met een leeg bierblikje in zijn hand voor de open koelkast.
De vriendin, die zich inmiddels als een bijna moederlijke gastvrouw had ontpopt, fluisterde:
‘Soms haalt hij het bed, soms ook niet. Maar we kunnen hem beter niet wakker maken, want dan schaamt hij zich.’
Met een glimlach nam hij zwijgend afscheid.
In de trein terug naar Leeuwarden begreep hij even helemaal niets meer van het leven. Maar dat voelde niet bedreigend. Integendeel. Er was een hele nieuwe wereld voor hem opengegaan.
(wordt vervolgd)
Hans van der Kamp