Een foute man (14)

De situatie thuis was inmiddels een stuk grimmiger geworden. De foute jongeman weigerde terug te keren naar de school die hem geschorst had. Hij sprak zonder terughoudendheid over de absurditeit van het schorsen van een leerling. De arrogantie die daar in school heerste, was volgens hem van een naïviteit die dik als stroop was. Alsof je voor je plezier je jeugd besteedde aan het luisteren naar betweterige mannetjes en vrouwtjes die in de wetenschap niets hadden weten te presteren en met al hun niet-verwezenlijkte ambities hun leven moesten uitzitten op een provinciale school, uitsluitend om hun maandelijkse vaste lasten te kunnen betalen.

Dat waren woorden die men niet gewend was van de foute jongeman. Zijn vader gaf de schuld aan neef Pim en de stad Amsterdam in het bijzonder. Zijn moeder liep alleen wat tobberig door de woning en probeerde iets te verzinnen dat met schrijven te maken had, in de hoop haar zoon weer mee in het gelid te krijgen. Zo bedacht zij dat hij mooi haar toespraken voor het Katholiek Vrouwengilde kon schrijven. Normaal improviseerde zij maar wat en een lezing op papier, die ook in het stencil van de parochie gepubliceerd zou kunnen worden, zou haar positie versterken.

Zij was een oorlogsslachtoffer, al wilde zij beslist niet zo genoemd worden. Haar ouderlijk huis was al vroeg in de oorlog gebombardeerd door Britse RAF-piloten die ofwel bijzonder slecht kaart konden lezen, of misschien dachten dat ze ver genoeg boven het continent waren gevlogen door afweergeschut om hun bommen maar te laten vallen op een bevriende natie en daarna snel weer huiswaarts te kunnen keren. De laatste optie werd vaak als de meest waarschijnlijke gezien, maar daar was ook wel weer begrip voor. De jongens die de zware Lancasters vlogen waren jong, vaak niet ouder dan achttien of negentien jaar, en de luchtaanvallen vroegen een enorme tol onder piloten. Het strategische nut van afschrikking was ook niet helemaal aangetoond, want het waren in het begin van de oorlog eigenlijk niet meer dan speldenprikken in het achterste van nazi-Duitsland.

Zijn moeder verloor bij dat bombardement haar ouders, haar enige twee broers en haar beste vriendin, die toevallig op bezoek was. Zelf overleefde zij het, maar nog lang na de oorlog groeiden kleine granaatsplintertjes uit haar benen en bovenlijf en een minuscuul bomfragment moest in haar schedel blijven zitten, omdat het gevaar van verwijderen te groot was.

Waar ze vrijwel nooit over sprak, was dat de Duitsers het incident hadden gebruikt voor propagandadoeleinden.

Het lag voor de hand dat haar lezingen, zeker met Kerstmis in aantocht, nogal wat vredesboodschappen bevatten en de foute jongeman voelde daar een enorme sympathie voor, want hij was immers niet in die oorlog geboren, maar hij had er indirect mee geleefd. Dus draaide hij een vel papier in de Royal-typemachine en begon te tikken.

Zij kwam over zijn schouder meelezen en na de eerste alinea’s keek ze hem liefdevol aan.

‘Precies mijn toon,’ zei ze. ‘Ik wist niet dat je zo goed kon schrijven.’

Onze foute jongeman kon zijn geluk niet op. Nu ook erkenning in eigen familie, en dan ook nog van zijn moeder, die nergens ooit een goed woord voor over had. Hij wist niet eens dat ze daartoe in staat was, want hij wist niet beter dan dat over al haar nare oordelen over dierbaren steeds weer achter haar rug werd gezegd:

‘Ja, de oorlog, hè. Ze kan daar niets aan doen. Laat haar maar.’

Zo ontstond een rücksichtslos dominante vrouw, misschien ook nog geholpen door het feit dat ze schoenmaat vierendertig had en slechts anderhalve meter lang was, die al vanaf jonge leeftijd geleerd had goed voor zichzelf op te komen en door mensen regelmatig werd ervaren als een ongeleid projectiel.

Uit puur enthousiasme tikte hij de lezing in niet langer dan een uur af en maakte van de gelegenheid gebruik om haar vredesboodschap, die aan het einde van elke lezing kwam, uit te breiden met een fel pleidooi tegen nucleaire kruisraketten. Dat zette de hele speech ook mooi in de actualiteit, want de Nederlanders waren geen fan van het plaatsen van kernwapens op eigen grondgebied. Niet eens omdat ze daarmee automatisch ook doelwit werden, maar vooral omdat ze dachten dat een nucleaire oorlog in niets anders kon eindigen dan de vernietiging van alle leven op aarde.

Die instelling werd door onze Amerikaanse vrienden ook wel Hollanditis genoemd en mogelijk was het daarom dat generaal Haig zonder aarzeling sprak over een ‘restricted nuclear war over Europe’ als een van de weinige opties om een mondiale nucleaire oorlog binnen de perken te houden. Uiteraard riep dat in Nederland weinig sympathie op.

Hoe dan ook, onze foute jongeman was maar wat blij dat hij deze breed door het volk gedragen overtuiging ook nog in zijn moeders toespraak kwijt kon.

Razend was ze toen ze de laatste alinea’s las.

‘Wie zegt dat ik tegen kernraketten ben?! Jij begint verdomd veel op die hippe, nieuwe pastoor te lijken die pas de parochie is gaan leiden. Hij bedankte me nog dat ik zo goed had gereageerd op zijn homoseksualiteit. Ik dacht dat ik me achteraf nog in het broodje kaas verslikte toen hij dat zei. Ik bedoel, hij was de eerste homoseksueel niet die priester werd, maar moet ik dat dan zo nodig horen? Liever niet. En ik vind het al helemaal geen onderwerp om in de kerk te bespreken. Hij heeft toch een celibaat? Wat moet ik dan met zijn seksuele fratsen? Iedereen roept tegenwoordig maar wat om in de aandacht te komen.’

Onze foute jongeman begreep dat de homoseksuele driehoeksverhouding van Petrus, God en Judas uit zijn opstel hier ook duidelijk in doorklonk, maar hij wist dat dit slechts het begin van haar monoloog was. De adder zat in iets anders; de klapper zat altijd aan het eind. Dus wachtte hij rustig af hoe zij zichzelf een sherry inschonk voordat ze haar betoog zou vervolgen. Hij hoefde niet lang te wachten.

‘En wie zegt dat ik iets tegen kernraketten heb?’

Het kwam eruit als een retorische vraag, maar de foute jongeman voelde zich gekrenkt genoeg om toch te zeggen:

‘Nou, misschien door wat je meegemaakt hebt?’

‘Wat ik óók meegemaakt heb, is de invasie van de Duitsers. Ze marcheerden door onze straat. Mijn ouders stonden er gelaten naar te kijken en mijn moeder zei tegen mijn vader: “Waar blijft ons leger?” Mijn vader antwoordde: “Dat leger hebben jullie weggestemd!”‘

Zijn eigen vader keek naar het plafond en het was duidelijk dat hij eigenlijk iets had willen zeggen, maar hij hield heel wijs zijn mond. Mijn moeder confronteren met het feit dat haar familie rijk aan communisten was, had de sfeer duidelijk niet verbeterd.

Onze jongeman liet zich echter niet meer zo makkelijk uit het veld slaan. Dat was misschien een paar docenten gelukt, maar dat zou hij niet zo snel meer over zijn kant laten gaan.

‘Even over je toespraak. Hoe wil je dat ik het slot oplos? Dat je tegen normale bommen en raketten bent en niet tegen kernraketten?’

‘Doe niet zo verdomde eigenwijs,’ zei ze, terwijl ze een fikse slok van haar sherry nam en daardoor moest hoesten, omdat ze allesbehalve een geoefende drinker was.

Daarna zweeg ze, maar ze was duidelijk nog steeds razend.

‘Ik snap het gewoon niet,’ zei hij.

Zijn moeder haalde diep adem en zei:

‘Ja, maar de Russen…’

Ze wilde duidelijk aan een nieuwe monoloog beginnen, maar maakte haar zin niet eens af en beende met kordate pasjes de kamer uit.

Zo ziet consensus eruit, dacht de foute jongeman. Een korte uitroep die een vanzelfsprekendheid suggereert, maar die verder geen argumenten of discussie kan verdragen.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp