
De foute jongeman leefde in een gezin als alle andere. Tenminste, als je gezinnen met genoeg geld en middelen kunt zien als normaal. In de buurt waar hij woonde was het in ieder geval wel normaal, op de school die hij bezocht was het ook normaal en tijdens het vertier in de weekenden op het water bevond hij zich te midden van mensen met een vergelijkbare achtergrond.
Als er iets abnormaals was aan zijn opvoeding, dan lag dat vooral in de manier waarop zijn ouders omgingen met conflicten met hun enige zoon.
Enerzijds werd hij in materiële zin redelijk verwend, wat een gevoel van waardering opriep, maar anderzijds was er weinig of geen interesse in zijn gevoelswereld. Gevoelens werden behandeld alsof ze een bijproduct van armoede waren. Zijn ouders konden het weten, want zij kwamen beiden uit bijzonder arme gezinnen. Ze waren meegelift op de naoorlogse economie, waarin iedereen een goede opleiding kon krijgen en waarin het kopen van een huis de belofte met zich meebracht dat zo’n huis een paar jaar later voor het vijfvoudige verkocht kon worden. Het uitbreiden van het eigen vermogen was zelden eenvoudiger dan in die tijd.
Omgaan met gevoelens was voor die generatie ouders, met hun oorlogservaringen, ook minder gemakkelijk. In het specifieke geval van de foute jongeman betekende het dat zijn ouders bij een probleem niet de dialoog met hem zochten, maar elkaar met lange ruzies en de nodige drank in de haren vlogen, met verschillende standpunten over hoe een probleem opgelost diende te worden.
Dat hun zoon niet meer naar school wilde gaan, was voor hen iets onbegrijpelijks, want dat stond gelijk aan een keuze voor armoede. Dat hij wel naar de filmacademie wilde en zelfs al was toegelaten, zagen ze niet als een optie, want dat bracht in zekere zin schande over het gezin.
Gewend als ze waren dat hun leven rijker en gemakkelijker werd met de jaren, zagen ze hun welvaart als een bijzondere prestatie van zichzelf. Ze legden geen enkele connectie met de economie en een politiek landschap dat met behulp van een goed gevulde staatskas een soort utopische wereld had geschapen.
Het idee dat hun zoon geen arts, notaris of jurist zou worden, betekende voor hen dat de steeds beter wordende wereld geen logisch vervolg zou krijgen. De filmacademie, voor zover ze zich verdiept hadden in waar die voor stond, betekende voor hen vooral materiële onzekerheid, en dat was de oorlog voor hen geweest. Voortdurende onzekerheid. Dat konden ze eenvoudigweg niet toestaan. Het waren immers geen intellectuelen die iets met cultuur van doen hadden. Ze waren simpelweg mensen die rijk geworden waren in een tijd van oneindige mogelijkheden.
Ze losten het probleem als volgt op. Ze geloofden weliswaar in de vrijheid om over je eigen leven te beschikken, maar een keuze voor de filmacademie betekende dat hun zoon vanwege hun hoge inkomen geen studiebeurs van de overheid kon krijgen en zij waren op hun beurt niet bereid ook maar een cent in die opleiding te steken. Daarmee dachten ze de weg naar de filmacademie permanent afgesloten te hebben, wat praktisch gezien ook zo was.
Daarnaast verdachten ze hun zoon ervan dat hij niets liever wilde dan zo jong mogelijk uit huis gaan. Omdat ze hem niets gevraagd hadden, werd die theorie een zekerheid. Hadden ze wel zijn mening gevraagd, dan had hij dat zeker weerlegd.
Ook hadden ze bedacht dat hun zoon zijn opleiding niet af wilde maken, omdat die te lang zou duren om zijn eigen ambities te verwezenlijken. Hun zoon had recent nog een verhalenprijs gewonnen, nota bene in het Fries, een taal die hij amper beheerste, dus het schrikbeeld van een schrijver in de familie was ook nog niet verdwenen. Voor schrijven had je in hun ogen helemaal geen opleiding nodig. Schrijven kon immers iedereen die de lagere school had afgemaakt.
Een kennis attendeerde hen op een school die hooguit een jaar bestond en die op vrijheid en socialisme was gebaseerd. De opleiding duurde een jaar korter en gaf een mogelijkheid om door te studeren.
Zijn ouders waren beslist geen socialisten, eerder christendemocraten, maar het socialisme in de Nederlandse politiek van de jaren zeventig had hun beslist geen windeieren gelegd, dus ze waren niet op voorhand tegen.
Zo kreeg de foute jongeman twee keuzes. Naar de filmacademie zonder geld en met blijvende ruzie met zijn ouders, of naar de Rode School, zoals hij de opleiding zelf al snel ging noemen. De directeur, de heer Dijkstra, was een man die dominee was geweest en zijn geloof in de Heere had ingeruild voor het socialisme.
Dat kon niet tegen hem pleiten, zo oordeelde de foute jongeman, dus met een halfpositieve instelling ging hij naar het kennismakingsgesprek. Dijkstra is een naam die redelijk vaak voorkwam in Friesland, dus pas toen hij in de kamer van de man zat, realiseerde hij zich dat hij hem kende. Het was de vader van een van de wildere vriendinnen die hij in het afgelopen jaar had gehad. Ze hadden samen nog een week of wat in de zenuwen gezeten of zij niet zwanger was geworden.
Kortom, de foute jongeman zat daar niet echt helemaal op zijn gemak. Dijkstra leek hem op zijn beurt echter niet te herkennen en dat kon ook wel kloppen, want de dochter van die man had zo’n lange rij vriendjes gehad dat hij ze onmogelijk allemaal van gezicht kon herinneren.
Niet zonder trots begon Dijkstra zijn betoog over de school, die vooral gebaseerd was op de principes van vrijheid en persoonlijke ontwikkeling. De foute jongeman liet hem ook nog lekker doorpraten over de vele zegeningen van het socialisme. Uit angst dat de man hem bij een vraag opeens zou herkennen, hield hij tijdens het luisteren zijn hoofd opzettelijk een beetje scheef, waardoor de man hem tot twee keer toe vroeg of hij wel gemakkelijk zat.
Nee, nee, hij zat juist uiterst gerieflijk.
Nadat de man ook nog op amicale wijze verslag had gedaan van zijn vakanties naar Cuba en Nicaragua, sloot hij af met de opmerking:
‘En nu nog even een kleine formaliteit voordat we je definitief kunnen toelaten.’
De kleine formaliteit bestond uit een vragenlijst van twee pagina’s. Het merendeel van de vragen was behoorlijk triviaal, maar er zaten er ook een paar tussen waarvan de foute jongeman vermoedde dat daar nog weleens een addertje onder het gras zou kunnen zitten.
Kennelijk was Dijkstra een man die gedachten, of op zijn minst gezichten, kon lezen, want hij bood aan de vragen gewoon te stellen, zodat hij alleen maar hoefde te antwoorden zonder iets in te vullen. Glimlachend voegde hij eraan toe:
‘In tegenstelling tot je oude school zijn wij hier aanzienlijk minder ambtelijk ingesteld.’
Na allerlei vragen die voor de foute jongeman gemakkelijk te beantwoorden waren, kwam de vraag die hij meteen al als verdacht had aangemerkt.
‘Gebruik je weleens drugs?’
‘Wat voor drugs bedoelt u zoal?’ vroeg de foute jongeman, terwijl hij zich meteen realiseerde dat hij zojuist het domste antwoord denkbaar had gegeven.
‘Nou, zoals marihuana of LSD,’ zei Dijkstra, terwijl hij het woord marihuana met een zeer goed hoorbare ‘h’ uitsprak, alsof hij nog nooit van het middel had gehoord.
De foute jongeman realiseerde zich dat hij zichzelf klem had gepraat en oordeelde dat hij niets meer te verliezen had, dus antwoordde hij zonder dralen:
‘Nee, meestal hasj. Rode Libanon, Gele Libanon, Maroc, nooit de zwaardere soorten zoals Afghaan.’
Als hij gedacht had Dijkstra daarmee te shockeren, dan had hij de situatie verkeerd ingeschat. Het antwoord van Dijkstra was in de ogen van de foute jongeman wel verbijsterend.
‘Maar dat is toch helemaal niet links en progressief?’ vroeg Dijkstra.
De foute jongeman wist even niet wat hij terug moest zeggen en Dijkstra vervolgde het gesprek alsof er niets vreemds gevraagd was.
‘Ik weet heus wel dat er op die rechtse school van jou door vrijwel iedereen drugs gebruikt wordt, maar dat is ook een rechtse school. Jullie zijn vast ook met z’n allen naar die film Woodstock geweest, waarin drugsgebruik verheerlijkt wordt, maar dat waren toch allemaal rechtse rakkers, die omheiningen omver liepen en poedelnaakt rondliepen. Dat is toch niet links? Dat is hartstikke rechts.’
Even had de foute jongeman, die zelden over drugs nadacht, hooguit een enkele keer op een feestje, echt het gevoel dat iemand hem zojuist een pilletje LSD gevoerd had. Dit was zo absurd dat hij amper wist wat hij moest antwoorden en uiteindelijk probeerde hij zich eruit te praten door te zeggen:
‘Het hangt er een beetje vanaf wat u als links of rechts definieert. De Verenigde Staten zijn natuurlijk geen Cuba, maar de link met een politieke overtuiging zie ik niet meteen.’
‘Ach ja, dat begrijp ik eigenlijk ook wel. Het zijn tijdsverschijnselen en daar denk je niet te diep over na. Je denkt dan niet meteen dat Woodstock het grootste wagenpark sinds heel lang bijeen heeft gebracht en dat zoiets natuurlijk niet gezond is voor de planeet.’
Dit hele gesprek leek een vreemde droom die aan niemand na te vertellen was zonder zelf voor gek versleten te worden.
Dijkstra wreef even in zijn handen, keek naar buiten naar de restanten van de bouwplaats waaruit deze zeer nieuwe school was ontstaan en keek vervolgens de foute jongeman doordringend aan.
‘Drugsgebruik bedenk je natuurlijk niet zelf. Iemand moet je dat aangeboden hebben en wat ik me dan afvraag is: wie heeft jou je eerste marihuanasigaret gegeven?’
De foute jongeman zou zich wat vervolgens gebeurde nog heel lang herinneren als een moment dat leek op een initiëring in primitieve culturen, waarin een jongen een man werd. Van een foute jongeman werd hij in een handomdraai een foute man.
Tot zijn nek toe gevuld met ergernis, veroorzaakt door deze burgerlijke volkscommissaris, antwoordde hij:
‘Dat wilt u niet weten, dat verzeker ik u!’
‘Ach, het is niet zo dat ik ermee naar de politie stap.’
‘Nee, dat begrijp ik wel, want daar zijn ze niet zo geïnteresseerd in kleine overtredingen die ongetwijfeld overmorgen legaal zullen zijn. Maar ik zeg u nog een keer, niet uit mijn belang, maar voor uw eigen belang. Het antwoord op die vraag wilt u niet weten.’
De houding van Dijkstra sloeg om. Hij sloeg onverwacht hard met zijn vlakke hand op tafel en riep:
‘Zeg het!’
De foute jongeman gaf van pure schrik het enige juiste en ware antwoord.
‘Dat was uw dochter, mijnheer.’
(wordt vervolgd)