Een foute man (16)

Een foute man (16)

In ieder denkbaar scenario had zo’n opmerking over de dochter van de directeur verkeerd moeten aflopen, maar niets van dat alles gebeurde. Dijkstra had hem eenvoudigweg niet geloofd. De toelating tot de Rode School werd hem geen strobreed in de weg gelegd.

Kennelijk had de school leerlingen nodig.

De eerste ochtend dat de foute jongeman op het schoolplein stond, in afwachting van het eerste lesuur, keek hij om zich heen en concludeerde dat hij tussen een zeldzame verzameling stakkers stond. Het was alsof men uit de hele omgeving misfits verzameld had en die bij elkaar had gezet.

In werkelijkheid kwamen de jongeren niet uit het hele land, maar uit de omgeving van Leeuwarden en net als hij hadden ze eerst iets anders gedaan wat op de een of andere manier mislukt was.

Het was niet zo dat de foute jongeman op hen neerkeek. Eerder had hij het melancholische gevoel dat je, als je even stilstond op de educatieve snelweg, meteen in een soort menselijke kettingbotsing belandde.

In tegenstelling tot wat Dijkstra beweerd had, hing er een stevige wietlucht bij de ingang van de school en de hele sfeer in het gebouw was vreemd. Er hing een soort vrijblijvendheid in de lucht. Een beetje zoals op een familiefeestje waar niemand eigenlijk naartoe had gewild, maar waar toch iedereen probeerde er het beste van te maken.

Misschien kwam het omdat de school nog zo nieuw was, maar alles zag er een beetje nep uit, zelfs de scholieren. Hippies liepen hier niet in echte Afghaanse jassen, maar in de confectie-uitvoering van C&A. Schooltassen waren niet de militaire pukkels die hij kende van zijn vorige school, maar dubbelgevouwen tafelkleedjes die aan een gordijnkoord vastgenaaid waren en om de nek gedragen werden. Die tassen moesten eruitzien alsof ze uit huisvlijt geboren waren, maar iedereen had exact dezelfde schoudertas. De foute jongeman had helemaal geen tas bij zich, want zijn nieuwe lesboeken waren nog niet gearriveerd.

Ook werd al snel duidelijk waaruit de mogelijkheid tot doorstuderen bestond: er was ook nog een lerarenopleiding aan het pand gekoppeld.

‘Daar komen ze dus allemaal vandaan,’ dacht de foute jongeman, een beetje zoals men zoekt naar een mierennest.

Hij corrigeerde zichzelf meteen en probeerde een optimistisch gevoel over de school op te roepen, want als hij hier een jaar over moest doen, dan was de vorige school toch een betere optie geweest.

Het eerste lesuur was meteen een stevige tegenvaller. Een man met rood haar, een rode baard en zelfs rood borsthaar, dat hij etaleerde door de bovenste knoopjes van zijn getailleerde overhemd open te houden, was, zo hadden andere leerlingen hem al ongevraagd verteld, razend populair op deze school.

Eén enkele les was voldoende om te zien hoe hij zo populair was geworden. Hij had een systeem dat altijd werkt in groepen. Hij stelde een vraag aan een leerling en maakte het antwoord volkomen belachelijk, of het nu zinnig was of niet, en daarmee kreeg hij de lachers op zijn hand. Van de tweeëndertig leerlingen had hij hooguit drie of vier mensen die hij steeds weer voor paal bleef zetten.

Als je even de basisfatsoensregels aan de kant zette, dan kon je het lesgeven van de man zien als één grote, wervelende onemanshow, waarin voortdurend wat te lachen viel ten koste van een zeer kleine minderheid.

Het lag voor de hand dat de foute jongeman, als nieuwkomer, ook even getest moest worden. De docent was zojuist aan een betoog begonnen over de herkomst van de naam Arthur, die moeilijk te herleiden was.

De foute jongeman dacht zich veilig te voelen op de achterste rij, maar de docent had het klaslokaal tot zijn theater gemaakt en met een paar stappen stond hij pal voor zijn neus.

‘Misschien dat deze hooggeleerde nieuwkomer daar wat licht op kan laten schijnen?’ zei hij met enig sarcasme in zijn stem.

De foute jongeman antwoordde:

‘Sorry, maar ik kan niets hooggeleerds bedenken. Wel iets wat niet zo voor de hand ligt. Het zou een samenvoeging van Ares en Thor kunnen zijn. Twee goden uit andere culturen, maar van Aresthor zou je al snel op Arthur kunnen uitkomen.’

De docent Engels had duidelijk een extra slachtoffer gevonden, en nog een nieuwkomer ook, waar hij zich helemaal geen buil aan kon vallen. Langzaam schreed hij terug naar het schoolbord, draaide zich om met een sardonische grijns op zijn gezicht en zei:

‘Dus heb je al je intellect ingezet om een verhaaltje te verzinnen over twee mannetjes uit andere culturen en andere tijden, die samen het Kanaal over roeiden om de naam Arthur te verzinnen?’

De roeiende bewegingen die hij tegelijkertijd met zijn armen maakte, gaven het geheel precies het juiste amusementsgehalte. De klas kwam niet meer bij van het lachen.

De foute jongeman keek gelaten toe. Helemaal ontevreden over het spektakel was hij niet, want hij wist nu met haast wetenschappelijke zekerheid dat de populariteit van de docent Engels gebouwd was op een van de alleroudste demagogische principes:

Verdeel en heers.

Schoonheidspunten verdiende het niet en het had ook weinig te maken met lesgeven op socialistische basis, maar één ding was zeker: de foute jongeman had besloten dat hij de showbizzdocent nog voor het einde van het jaar de ziektewet in zou werken.

Die mogelijkheid zou zich eerder aandienen dan hij had kunnen verwachten.

De foute jongeman kreeg een bromfietsongeluk en met veel moeite werden zijn benen met pennen en schroeven weer hersteld. Omdat hij echter nog niet zo handig was met het lopen op krukken, kwam hij een volle vijf minuten te laat bij de les Engels.

De vaste regel van de docent Engels was dat iedereen die ook maar één minuut te laat was, met de nodige ‘grappige’ opmerkingen naar de kantine verwezen werd.

De meeste laatkomers namen niet eens de moeite om aan te kloppen bij het leslokaal. Ze bespaarden zich de vernedering en liepen regelrecht door naar de kantine.

De foute jongeman vond dat hij een legitieme reden had voor zijn te laat komen, dus hij klopte netjes aan en strompelde het klaslokaal binnen.

De docent zag daar opnieuw theatrale mogelijkheden in en ging naast hem lopen, terwijl hij zijn moeilijke manier van lopen nadeed. Hij had een verdienstelijk mimespeler kunnen zijn, maar toen hij daar weinig lachers mee op zijn hand kreeg, omdat de klas de toedracht van het ongeluk kende, schopte hij in één zwierige beweging de twee krukken onder de jongeman vandaan en riep:

‘Loop, Lazarus, loop!’

Kennelijk dacht hij dat alles in het leven theater was.

De foute jongeman viel en had helse pijnen. Ondanks enkele porren met de voet van de docent kwam hij niet meer overeind.

Er moest een ambulance gebeld worden en de rode man van de Rode School zou lange tijd geen les meer geven.

Ook directeur Dijkstra kon daar tegenover de politie, die de gebeurtenis als een geweldsdelict zag, geen sluitende excuses voor verzinnen.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp