Een foute man (18)

Een foute man (18)

‘Nee, hè, ga me niet vertellen dat alles weer van voren af aan begint,’ verzuchtte zijn moeder, toen ze vernam dat hij ook op de nieuwe school gesommeerd was om in de docentenkamer te verschijnen.

‘Ach ma, niet zo tobberig. Gesommeerd worden klinkt weliswaar niet zo gastvrij, maar je weet het niet met die mensen. Misschien word ik straks wel uitgeroepen tot Held van de Sovjet-Unie, of krijg ik de Leninorde opgespeld en vinden ze dat “gesommeerd” wel plechtig klinken voor zo’n gelegenheid.’

‘Ja, steek er de draak maar mee, maar ik zou niet weten wat we hierna nog voor je moeten verzinnen,’ concludeerde ze, terwijl ze een stapel wasgoed bijeenveegde om die in de wasmachine te proppen.

De foute jongeman maakte zich in werkelijkheid wel degelijk zorgen over wat er te gebeuren stond. Hij had een goed deel van de nacht wakker gelegen over de oorzaak die ertoe geleid had dat hij bij de docenten moest verschijnen, maar hij kon niets verzinnen. Hij had de draak gestoken met de Driestuiversopera van Bertolt Brecht en op trage, maar doordringende wijze uitgelegd dat het verhaal uitermate onrealistisch was.

Dat bijvoorbeeld een crimineel als Mack the Knife nooit op Polly, de dochter van een bedelaarskoning, zou vallen, omdat kapitalisten zelden beneden hun eigen stand relaties aangaan. Toegegeven, het was allemaal een beetje vergezocht en niet zo literair, maar hij had oprecht geprobeerd een parodie te parodiëren.

Dat kan weleens fout vallen, natuurlijk, maar niet met een Duits theaterstuk, zo had hij geoordeeld. Een stuk waarin ook nog eens slecht gezongen werd op muziek die volgens recensenten in de verte op jazzmuziek leek, maar welke slecht gecomponeerde en uitgevoerde muziek leek nu eenmaal niet in de verte op jazz? Jazz was een breed begrip.

Eigenlijk was het gewoon een slecht stuk dat hij geschreven had. Dat zou hij als eerste toegeven. Bovendien had hij niet eens de moeite genomen het in de pers heilig verklaarde theaterstuk in de Stadsschouwburg te gaan bekijken, maar was dat niet de kern van alle moderne journalistiek? Dat je iets niet beleefd hoefde te hebben om er toch over te kunnen schrijven?

G.B.J. Hiltermann, wiens naam zich zo makkelijk liet verbasteren tot Hitlermann, had meer dan een decennium lang op de radio en ook in geschrift verkondigd dat we onze vrienden in Amerika dankbaar moesten zijn dat zij tenminste wel hun best deden om ‘het oprukkende Rode Gevaar’ een halt toe te roepen, terwijl hij waarschijnlijk nooit een bezoek aan Vietnam had gebracht.

Die vergelijking ging op meer dan één vlak volledig mank, maar als zij hem zouden aanspreken op die parodie van de Driestuiversopera, dan zou dat een goede tegenzet zijn, want na de woorden ‘oprukkend Rode Gevaar’ zou sowieso alles mistig worden voor hun ogen.

Hij besloot dat het geen zin had om verder na te denken over wat men tegen zou kunnen hebben op de invulling van ‘zijn’ schoolkrant.

Bij de eerdere school was hij er ook vanuit gegaan dat hij wel een interview met God kon schrijven, omdat het een openbare school was en niet een school op christelijke basis, maar daar bleek ook al snel dat de ideologie van een school niet per se die van de docenten was.

Het leek de foute jongeman duidelijk dat een docent, op zoek naar een baan, in zijn sollicitatiegesprek vooral zijn overtuigingen op maat zou snijden voor wat de algemene lijn van de school van hem verwachtte.

Hoe moeilijker het werd voor een docent om een baan te bemachtigen, des te fanatieker zou hij bereid zijn zijn eigen idealen te verloochenen om toch die baan te krijgen. En dat er veel docenten op de Rode School waren waarvan je, zonder al te veel te willen generaliseren, kon aannemen dat ze moeite hadden gehad om een baan te vinden, viel niet te betwisten, zo oordeelde de foute jongeman, en dat pas verworven inzicht maakte hem een beetje verdrietig.

Misschien was hij stiekem toch meer beïnvloed geraakt door de Driestuiversopera dan hij wilde toegeven, want verdrietig zijn was een gevoel dat hij amper kende. Ergernis daarentegen weer wel.

Het uiteindelijke bezoek aan de docentenkamer bleek geheel anders te lopen dan hij had verwacht. De sfeer was weliswaar wat grimmig en streng, maar directeur Dijkstra opende met de zin:

‘Dat stuk over de Driestuiversopera was natuurlijk prima, maar er zijn toch enige aandachtspunten die we met je willen bespreken.’

De foute jongeman had moeite om zijn opwinding te verbergen. Dat het stuk over de Driestuiversopera als ‘prima’ bestempeld werd, kon maar één ding betekenen en dat was dat geen van de aanwezigen het had gelezen.

‘Maar dan kom ik vervolgens op dat gedicht, of wat het ook moge zijn, van ene Ali Verlameni, want de korte regels verraden geen enkele dichtvorm,’ vervolgde Dijkstra, ‘en daar gaat het opeens over het stukbijten van kleding en nota bene het vermoorden van een katachtige die beschreven wordt als “het poesje”. Wat vind je daar zelf van? En nu we het toch over dat zogenaamde gedicht hebben… Welke scholier krijgt iets dergelijks uit haar pen? Kun je me vertellen wie dat is?’

De foute jongeman moest zijn best doen niet te gaan grinniken, en met hem een aantal docenten, want nergens in het gedicht stond ‘het poesje’. Het gedicht had weliswaar onmiskenbaar een gesublimeerde seksuele lading en die was kennelijk nog het beste overgekomen bij de directeur, die nu vanaf zijn eigen notities sprak over iets wat niet in het gedicht stond.

Niets liever had de foute jongeman gedaan dan te bekennen dat hij dat gedicht geschreven had, maar hij antwoordde:

‘Ja, dat was wel een beetje een probleem bij deze uitgave. Er was natuurlijk een wisseling van de redactie en zoveel bijdragen vallen er maandelijks ook niet in de ideeënbus. Dan wordt het roeien met de riemen die je hebt.’

‘Ja, daar hebben we natuurlijk wel enig begrip voor, maar ik wil nog steeds weten wie er achter de naam Ali Verlameni schuilgaat.’

Die laatste uitspraak deed de foute jongeman denken aan zijn kennismakingsgesprek, waar ook een whodunnit centraal had gestaan. Wat wilde hij daarmee? Wilde hij een soort lijst aanleggen van mensen met verkeerde ideeën of zat hij daar maar een beetje theater te spelen en had hij de seksuele lading van het gedicht wel degelijk herkend en wond het hem dusdanig op dat hij maar al te graag kennis wilde maken met de schrijfster?

Hij bestempelde die gedachte snel als absurd. Niet omdat die ondenkbaar was. Er gebeurden immers meer rare dingen op scholen, maar gewoon omdat hij nog minstens een vol jaar op die school moest zitten en met die man nog vaak door één deur moest.

De volgende bijdrage die aan bod kwam, was een verhaal van Harry Droever, weer een ander pseudoniem van de foute jongeman. Het ging over een hallucinatie die duidelijk door LSD veroorzaakt was, maar Harry had er alles aan gedaan om die link niet te leggen.

‘Ja, wat ik hier nu weer mee moet?’ zei directeur Dijkstra.

Nu sprong de docent Nederlands in.

‘Wat de heer Dijkstra hier eigenlijk bedoelt te zeggen is dat arbeiderskinderen dit soort dingen niet snappen. Het verhaal is, los van de slechte smaak, bijna literair te noemen en dat gaat ze volledig boven de pet.’

Hij bracht die uitspraak alsof hij een natuurwet verkondigde.

De foute jongeman vroeg zich af of iemand in die ruimte zich weleens werkelijk voor de scholieren geïnteresseerd had. Er waren vrijwel geen arbeiderskinderen op die school.

Ja, er waren wat jongens en meisjes die thuis meewerkten op de boerderij. Een enkeling moest zo vroeg opstaan voor het melken dat er weleens geen tijd was om de overall te verruilen voor andere kleding, maar om de hele Friese veeteelt en landbouw een beetje als arbeidersstand te betitelen was niet alleen kortzichtig, maar ook ver van de realiteit. Die boerenbedrijven waren sinds de ruilverkaveling geen kleine bedrijven meer, maar vaak internationaal opererende ondernemingen met miljoenen aan investeringen.

Rijkdom met voeten in de modder is nog steeds rijkdom.

Net voordat hij een woedend betoog wilde afsteken, kreeg hij een ingeving. Het woord arbeiderskinderen was in de context van het socialisme juist een romantische kijk op de leerlingen. Want waren de arbeiders niet de toekomst? Zij zouden zich immers, al duurde het even, gaan verenigen om een nieuwe maatschappij te vormen, waar op elke straathoek zo’n mooie Rode School stond met een bijpassende ideologie.

Hij beriep zich opnieuw op de ideeënbus en voegde eraan toe dat hij sowieso geen kennis van literatuur had. Hij begon het klappen van de zweep steeds beter te begrijpen.

Dijkstra sloeg een vel van zijn notitieblok om en zei met ernstige stem:

‘Nu komen we op een punt dat ons gedwongen heeft een zware, maar noodzakelijke beslissing te nemen.’

De foute jongeman keek verbaasd. Volgens hem was alles wat moeilijk zou kunnen liggen nu wel aan bod geweest, maar Dijkstra hield een exemplaar van De Waarheid in de lucht met de achterzijde naar voren en hij kromp ineen.

Natuurlijk.

Waarom had hij daar niet eerder aan gedacht?

Dat was de plek waar een advertentie had moeten komen en Bauke zou die aanleveren, maar die liet verstek gaan.

In een melige bui had hij in redelijk grote letters met een viltstift geschreven:

‘Zijn jullie eigenlijk wel een beetje gelukkig?’

En die vraag had hij ondertekend als Moeder Benul, omdat hij Benul een leuke tegenhanger vond van Onbenul.

Hij had er verder niet zo bij stilgestaan. Een flauwe, maar vanuit zijn optiek gelaagde grap. Maar nu hij zo midden tussen de vaandeldragers van het socialisme zat, begreep hij opeens ook wel waarom die grap niet helemaal goed geland was.

‘Dit gaat echt te ver! Dit kunnen en zullen wij niet tolereren op onze school!’

‘Ik begrijp het, mijnheer Dijkstra. Ik was moe en ik was melig. Ik heb een inschattingsfout gemaakt. Mijn excuses.’

‘Ja, dat siert je, maar het gaat mij niet afhouden van een moeilijke beslissing die ik met pijn in het hart heb moeten nemen. Jij krijgt voortaan geen toegang meer tot de kopieerruimte zonder dat je eerst elke afzonderlijke pagina door Peike laat goedkeuren!’

Peike was de docent Nederlands.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp