
‘Hoe is het gegaan?’
Zijn moeder stond hem in de deuropening met een uiterst bezorgde blik op te wachten.
‘Het ging weer fantastisch,’ zei de jongeman. ‘Maar die Leninorde bleek een lullig speldje te zijn, dat ergens onderweg van mijn jas is gevallen. Wel jammer, vind je niet? Maar ach, zoals je zelf vaak genoeg zegt: het leven kan niet altijd alleen maar rozengeur en maneschijn zijn.’
‘Als je maar weet dat je je moeder niet kunt voorliegen. Ik zie heus wel dat je razend bent.’
‘Ach, maak je niet zo druk.’
Hij hing zijn jas op en liep naar zijn kamer, waar hij, liggend op bed, nog even de gebeurtenissen van de middag doornam.
Hij was aanvankelijk in het geheel niet razend geweest, zoals zijn moeder had beweerd. Eerder was er een soort gelatenheid over hem neergedaald, nadat Peike van Nederlands hem hartelijk de hand gedrukt had met de opmerking dat hij dacht dat ze nog fijn zouden samenwerken.
Moeders zien niet altijd wat er echt gaande is, maar ze hebben wel vaak een goed gevoel voor wat nog moet komen.
Dat woord ‘samenwerken‘ begon hem steeds meer dwars te zitten. Voor iemand als Peike, die zowel het Fries als het Nederlands en nog een handvol andere talen perfect beheerste, was het gebruik van dat woord niet aan toeval toe te schrijven.
Technisch gezien was hij aangesteld als censor en censuur was vrijwel onmogelijk te zien als een vorm van samenwerking. Er klopte iets niet. Hij had iets over het hoofd gezien.
De middag had in het teken gestaan van alles wat in de ogen van de docenten ontoelaatbaar was. Het logische gevolg van zoveel negativiteit had moeten zijn dat ze hem geschorst hadden of hem op zijn minst het recht hadden ontnomen om het enige redactielid van de schoolkrant te blijven, maar in plaats daarvan kwam er censuur die als samenwerking verpakt werd.
Hij dacht aan Bauke en Ale, die al te gemakkelijk het veld hadden geruimd. En wat hadden zij in dat ene jaar dat de school bestond van De Waarheid gemaakt?
Een vodje met wat voetbalopstellingen en -uitslagen.
En dan die opening van Dijkstra over het stuk waarin hij op stuitende wijze de draak had gestoken met de Driestuiversopera, wat toch wel het meest geliefde theaterstuk was van links Nederland in die tijd. Waarom was die bijdrage opeens ‘prima’ en moesten de overige bijdragen neergesabeld worden, terwijl die duidelijk minder provocerend waren als het om de socialistische boodschap ging?
Hij draaide de film van die middag opnieuw en opnieuw in zijn hoofd af en opeens liepen de rillingen over zijn rug.
Het was bijna te absurd om waar te zijn, maar als ze echt gedacht hadden dat hij slechts die ene bijdrage over Brecht had geschreven en tegelijkertijd hadden geloofd dat de bijdragen die hij onder pseudoniem had geschreven via de ideeënbus waren binnengekomen, dan lag het voor de hand dat ze van tevoren al besloten hadden dat ze toch geen andere gek konden vinden die de schoolkrant wilde redigeren.
Met de censuur erbij hoefden ze zich bovendien geen zorgen meer te maken dat hij nog een keer de mogelijkheid zou krijgen om over hun geliefde cultuur heen te pissen.
Dan moest het niet al te veel moeite hebben gekost om, voor de schone schijn, te doen alsof er in hun ogen niets mis was met dat stuk over de Driestuiversopera.
Hij begon te zweten en hij kon eigenlijk niets anders meer denken dan dat hij paranoïde was geworden.
Dit kon eenvoudigweg niet waar zijn.
Aan de andere kant had hij van het begin af aan een lage dunk gehad van die school. Misschien had hij daardoor de intelligentie van de docenten ook onderschat. Het was hem immers vaker overkomen dat hij zich moest realiseren dat er op deze school wezenlijk anders gedacht werd en hooghartig als hij kennelijk geweest was, had hij ‘anders’ automatisch gezien als minder intelligent.
Wat als hij degene was geweest die minder intelligent was?
Het voorval van de medische keuring voor de Krijgsmacht kwam ook weer terug in zijn herinnering. Hij had daar toch een mooi stukje toneel weggegeven, maar een charmante luitenant-kolonel had zijn opstandige optreden in een handomdraai om weten te draaien naar iets wat nog veel verder ging dan wat hij juist had willen voorkomen.
Er werd geroepen voor het eten.
Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd en stapte braaf de trap af naar de eetkamer.
Zijn moeder ontweek zijn blik en zijn vader keek hem vriendelijk, maar met enige spot in de ogen aan.
‘Ik hoorde dat je bij thuiskomst nogal bescheiden gereageerd hebt op de ontvangst van je Leninorde. Dat is mooi, jongen. Bescheidenheid siert de mens.’
De foute jongeman voelde de neiging opkomen om de soepterrine met julianasoep omgekeerd op het hoofd van zijn vader te zetten, maar hij hield zich in, want er waren weinig regels in dit kleine gezin, waar men elkaar regelmatig met harde woorden te lijf ging, maar aan tafel werden geen ruzies uitgevochten.
Dus zei hij met een stemmetje dat poeslief was, maar ook voldoende spot in zich had:
‘Ja, de onderscheiding Held van de Sovjet-Unie heb ik afgewezen. Dat was simpelweg te groot voor iemand van mijn leeftijd.’
‘Bescheiden, jongen, hoor,’ zei zijn vader, die rustig verder lepelde aan zijn soep zonder ook maar een moment de spot in zijn ogen te verliezen.
‘Ja, ik heb het niet van een vreemde, pap,’ ketste de foute jongeman terug met een stem die het nodige venijn verraadde.
Midden in de stilte die daarop volgde, wierp zijn moeder haar lepel met kracht in het bord soep voor haar neus.
‘Nou hoor, hou er toch eens mee op! Ik kan het gewoon allemaal niet meer aan!’
Dat was het teken voor de foute jongeman om een bord eten op te scheppen in de keuken en naar zijn kamer te gaan.
Midden op de trap hoorde hij zijn vader nog tegen zijn moeder zeggen:
‘Er zitten allemaal spettertjes soep op je vestje.’
Hij kende zijn vader goed genoeg om te weten dat die constatering heel liefdevol bedoeld was en even goed wist hij dat zijn moeder dit niet zo zou zien. Hij versnelde zijn pas op de trap om geen getuige te hoeven worden van de ruzie die nu ongetwijfeld zou volgen.
Vanuit zijn slaapkamer kon hij weinig of niets verstaan van hun verbale schermutselingen, maar dat het ernst was, daar viel niet aan te twijfelen.
In de loop van de avond werd het gesprek minder fel. Kennelijk bespraken ze inmiddels wat ze nu verder aan moesten met hun koekoeksjong. Niet dat hij door andere ouders verwekt was, zoals hij in zijn vroege jeugd weleens gefantaseerd had.
Nee, de term koekoeksjong werd uitsluitend gebruikt wanneer hij weer eens beslissingen nam waar zij het als ouders niet mee eens waren.
De foute jongeman keek alleen maar naar het plafond en langzaam maar zeker stolde de hypothese van eerder die dag tot een harde waarheid.
Hij werd simpelweg gebruikt om die krant voort te zetten onder de bezielde leiding van Peike in de rol van censor.
En belangrijker nog: ze hadden dat plannetje van tevoren bekokstoofd en hij had er als een boer met kiespijn bij gezeten om uiteindelijk ook nog de hand van Peike te moeten schudden als ultieme vernedering.
De razernij die zijn moeder eerder al had voelen aankomen brak in volle glorie los.
Hij liep rondjes door de kamer met gebalde vuisten, net zolang totdat hij twee keer de kraan en het toilet had gehoord naast de slaapkamer van zijn ouders.
Hij ging weer op bed liggen, net zolang totdat hij zeker wist dat ze sliepen, waarna hij gedecideerd zijn boeken uit de pukkel voor school haalde om er wat schoon ondergoed en een paar T-shirts in te proppen.
Met de rust van iemand die wist dat alle kansen verloren waren opende hij het raam en wierp de pukkel in de voortuin om vervolgens via de regenpijp het huis te verlaten.
Tien minuten later stond hij met zijn duim omhoog langs de snelweg.
De bestemming was Amsterdam.
(wordt vervolgd)
Hans van der Kamp