Een foute man (20)

Een foute man (20)

Er was geen twijfel over zijn beslissing en die was ook niet langzaam in hem gerijpt. Het was een onvermijdelijk iets geworden dat hij van zich af had willen houden, maar dat was uiteindelijk niet gelukt.

Het was wel wat fris langs de snelweg en hij dacht aan Romeinse veldheren die meestal in het vroege voorjaar aan een campagne begonnen. Je kon een hoop leren op school, maar je moest het ook nog weten toe te passen, natuurlijk.

Het liften verliep voorspoedig. Mensen vonden hem misschien een mooie jongen, maar zelf had hij daar geen weet van. Ooit had hij twee foto’s uit een tijdschrift geknipt. Een van Elvis Presley en een van Cliff Richard. Hij legde die op tafel, legde zijn eigen portret daartussen en concludeerde dat hij qua gezicht eigenlijk precies tussen hen in zat, maar of je het een en ook het ander als een teken van aantrekkelijkheid kon zien, dat betwijfelde hij.

Hij zou sowieso liever op Keith Richards hebben geleken, of heel misschien op Paul McCartney, alhoewel die wel een wat week gezicht had.

Misschien had hij een foto van Keith en een foto van Paul uit moeten knippen en daar zijn portret tussen moeten leggen, maar dan had hij een exemplaar van Rolling Stone Magazine kapot moeten knippen en dat was in zijn ogen heiligschennis. Dan beter maar een oude KRO-gids van zijn ouders. Dat zou ongetwijfeld ook niet gewaardeerd worden. Maar je moest toch wat als je jezelf wilde zien door de ogen van anderen.

Het liften verliep snel. Met drie verschillende chauffeurs was hij nog voor vier uur ‘s nachts in Amsterdam. Alleen de eerste man had rare vragen gesteld, waaruit bleek dat hij waarschijnlijk een homoseksuele, maar met een keurige vrouw getrouwde, man was. Bij liften kun je geen eisen stellen. Hij werd op een gegeven moment wat opdringerig, maar dat hoort er een beetje bij als je geen treinkaartje wilt of kunt kopen.

Om vier uur ‘s nachts stond hij midden in Amsterdam. Misschien eigenlijk een perfect tijdstip om even bij neef Pim aan te bellen, maar hij durfde dat bij nader inzien toch maar niet aan. In plaats daarvan vond hij ergens een bankje waar hij al snel in slaap viel, maar na een uur werd hij wakker gemaakt door een politieagent. Het was verboden daar zomaar te gaan slapen. Wel was de politieman zo attent om hem te attenderen op het Vondelpark.

Toen hij het park eindelijk gevonden had, was de stad al ruim tot leven gekomen. Rijen trams reden rinkelend en ratelend door de straten en het park was een verademing.

‘Dit is waar de revolutie begint,’ bromde hij voor zich uit. ‘Dit is ons Woodstock.’

Hij zal behoorlijk moe zijn geweest, want de vergelijking was niet bijzonder treffend. Er zaten hooguit veertig mensen rond een vijvertje onder een blauwe wolk van wietrook. Een van hen zat wat gitaar te spelen en hij had duidelijk van Bob Dylan geleerd dat je geen goede stem nodig had om verdienstelijk te kunnen zingen. Hij miste echter het poëtische vernuft en het uitgekiende ritme van Dylan, waardoor zijn eigen composities klonken als de klaagzang van een verwend kind dat zichzelf begeleidde op gitaar.

Het was niet om aan te horen, maar iedereen leek als in trance mee te bewegen op de klanken van zijn gitaar.

Hoe droevig het beeld ook was van deze verzameling werkschuw tuig, zoals men hippies in die tijd wel noemde, in de ogen van de foute jongeman vertegenwoordigden ze een betere toekomst dan een schoolplein vol leerlingen van de Rode School.

Hij schoof aan bij het groepje en al snel bleek dat het allemaal sociaal ingestelde mensen waren, want een meisje kwam naar hem toe en bood hem een deken aan en een halve joint.

Ze had kringen onder haar ogen en ze zag er behoorlijk vermoeid uit, iets wat de bloemen die zij achter haar oren had gestoken niet echt konden verhullen, net zomin als haar liefdevolle glimlach dat deed.

‘Ach, laat maar,’ zei de foute jongeman. ‘Je zult dat dekentje zelf nog nodig hebben. Ik red me wel.’

‘Nee hoor,’ zei het meisje, terwijl ze een rondje draaide op haar sandalen. ‘Ik ga nu naar mijn werk, maar je moet me wel beloven dat als je het dekentje niet meer nodig hebt, je dan op zoek gaat naar iemand die het wel kan gebruiken.’

Voordat hij had kunnen antwoorden, was ze alweer met een vrolijk huppelpasje richting uitgang verdwenen.

Mensen die huppelen terwijl ze overduidelijk vermoeid zijn, moeten wel een goed gestel hebben, dacht de foute jongeman.

Of knetterstoned zijn, natuurlijk.

De foute jongeman wilde, net als de rest, in kleermakerszit gaan zitten, maar dat lukte hem niet. Hij was kennelijk niet voor niets afgekeurd voor het leger.

Een beetje zijwaarts in het gras hangend rookte hij de halve joint op. Daarna bestudeerde hij het dekentje van dichtbij en vroeg zich af hoeveel mensen dat dekentje al gehad hadden voordat ze het weer aan een ander hadden doorgegeven.

Er hingen wat sprieten gedroogd gras aan en die plukte hij er één voor één af.

Maar daarna begon hij te fantaseren over welke levende organismen allemaal in zo’n lap stof konden leven: luizen, vlooien, schurft… de lijst was lang.

Zijn vermoeidheid won het uiteindelijk van zijn smetvrees en hij legde het dekentje over zijn bovenlijf – vooral niet te dicht bij zijn mond – en viel vrijwel meteen in slaap.

Uren later werd hij wakker.

‘Hoe laat is het?’ vroeg hij aan iemand die dicht bij hem zat.

‘Wat is tijd?’ zei de man, nadat hij eerst zorgvuldig zijn lange haar voor zijn gezicht had weggeveegd. ‘Tijd is betrekkelijk en…’

De foute jongeman was al opgestaan, liet het dekentje liggen waar het van zijn borst was gegleden en wandelde richting de uitgang van het Vondelpark.

Daar zag hij bij de bushalte een klok die aangaf dat het kwart over drie was.

Een prima tijd, zo oordeelde hij, om neef Pim op te zoeken.

Na enig zoeken had hij de Montelbaanstoren gevonden en hij drukte op de bel van Dreamtime Studio.

Een ander gezicht verscheen achter het glas. Het was niet hetzelfde meisje als de vorige keer. Deze jonge vrouw droeg weliswaar net zo’n Indiajurk als de vorige en was minstens even aantrekkelijk, alleen had zij geen blond haar maar vuurrode krullen en overal sproetjes op haar huid.

Bij deze vrouw had hij zo mogelijk nog meer moeite om zijn ogen van haar af te houden.

‘Ik kom voor mijn neef Pim,’ zei hij.

Op de achtergrond klonk het geluid van een typemachine.

‘Pim! Er staat hier iemand die zegt dat hij je neef is!’

Het tikken ging onverstoorbaar door en leek zelfs iets sneller te gaan, totdat hij aan het einde van een regel was gekomen en de transporthendel een fikse duw gaf.

‘Laat onze wereldreiziger maar even aan tafel plaatsnemen. Ik kom er zo aan!’

‘Wil je een kopje thee?’ zei de vrouw, waarna ze allerlei soorten thee opnoemde waarvan hij er geen één herkende.

‘Earl Grey dan maar?’

Hij knikte en was dankbaar dat ze een schaaltje stroopwafels op tafel zette, want hij had honger.

Net als bij de vorige vriendin van neef Pim kon hij zijn blik niet van haar decolleté afhouden en ze zat precies achter het schaaltje stroopwafels.

Dat waren twee redenen om te staren in plaats van één.

‘Ik zie dat je honger hebt,’ zei de jonge vrouw. ‘Tast gerust toe.’

De foute jongeman bloosde en hij had beslist het hele schaaltje leeggegeten als Pim niet aan tafel was komen zitten.

‘Ja, je zult wel denken: wat zit Pim voor zijn doen vroeg achter de typemachine, maar de telefoon heeft de hele ochtend rood gestaan. Of ik wist waar je was en dat wilde vooral je vader uiteindelijk niet geloven. Hij had het al over de politie inschakelen. Maar maak je geen zorgen. Van huis weglopen is nogal in de mode de laatste tijd, dus ik denk niet dat die snel in actie zullen komen.

Maar waarom zouden ze denken dat jij hier was?

Je vader heeft de filmacademie in het vizier. Die hebben van zijn geliefde zoon een monster gemaakt en als hij daarover begint, dan heb ik moeite met luisteren. Je bent toegelaten. Andere ouders zouden daar blij mee zijn, maar zij duidelijk niet.

Bovendien duurt het nog een tijdje voordat het nieuwe jaar begint, dus ik snap eigenlijk niet waar ze zich zo druk over maken.

Ik heb je moeder nog overstuur gemaakt door te zeggen dat de filmacademie hun grootste probleem niet was. Je zou ook zomaar ergens dood in een greppel kunnen liggen.’

Hij barstte in lachen uit.

‘Ja, ik ga rare dingen zeggen als mensen me voor de derde keer uit mijn bed bellen.’

‘Ze maken zich graag druk om hun enige zoon,’ zei de foute jongeman. ‘Ze hebben verder niet zo veel in hun leven.’

‘Hoe had je je het verdere verloop eigenlijk voorgesteld? Je snapt dat je hier niet lang kunt blijven, anders gaan ze mij nog van kidnapping betichten.’

‘Je kunt het beste zeggen dat je me gezien hebt en dat ik niets met ze te maken wil hebben,’ zei de foute jongeman. ‘En daarna ben ik gevlucht omdat jij de politie wilde bellen. Dan laten ze jou in ieder geval met rust. Het zijn goedgelovige mensen.’

Dat laatste kwam er bitterder uit dan hij bedoeld had.

Er viel even een stilte.

‘Heb je ergens waar je kunt slapen?’ vroeg Pim.

De foute jongeman knikte, maar zei er niet bij dat hij weer naar het Vondelpark zou gaan.

Pim schoof hem nog een groezelig biljet van een tientje toe en stond erop dat hij het zou accepteren.

Een paar uur later stond hij weer buiten en vertrok naar het Vondelpark, nadat hij eerst het tientje had gewisseld voor een patat met mayonaise.

Bij aankomst in het Vondelpark zag hij haar al staan zwaaien met het dekentje.

‘Je was iets vergeten!’

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp