Een foute man (21)

Een foute man (21)

‘Nu krijg ik op mijn lazer,’ dacht de foute jongeman. ‘Ik had dat dekentje door moeten geven aan een andere sloeber.’

‘Wat goed dat je het dekentje achtergelaten hebt, zodat ik wist dat je terug zou komen!’ zei ze met een zo mogelijk nog blijere blik dan ze eerder had gehad.

De jongeman zuchtte. Als hij één ding geleerd had in de conflicten met twee scholen, dan was het wel dat je niet moest proberen de gedachten of verwachtingen van anderen bij te stellen. Ieder mens leeft in zijn eigen waarheid en als je geen conflicten wilde, kon je hen daar maar beter in bevestigen.

‘Goed van mij, hè?’ zei hij met een geforceerde glimlach. ‘Hoe heet jij eigenlijk?’

‘Dat wil je niet weten,’ zei ze met een schaterlach. ‘Maar hier noemen ze me Djippie.’

‘En jij?’

De foute jongeman dacht na. Er was iets in haar opgewektheid dat niet strookte met de vermoeidheid die haar lichaam uitstraalde. Hij vond enerzijds dat hij op zijn hoede moest zijn en anderzijds was er ook niemand anders om mee te praten, dus besloot hij haar een klein beetje op de proef te stellen.

‘Ik wil ook liever niet aan mijn echte naam herinnerd worden. Daar waar ik vandaan kom vinden ze me een foute jongen.’

‘O, enig,’ zei ze, terwijl ze een deken op de grond uitspreidde. Hoeveel dekens heeft die vrouw eigenlijk wel niet? dacht de foute jongeman. ‘Hartstikke leuk,’ vervolgde ze. ‘Dan gaan we die film naspelen, je weet wel, van die oude man die zijn naam niet wil zeggen en zij wil die juist wel weten. En als hij uiteindelijk wel zijn naam zegt en vertelt wie hij is, dan schiet ze hem dood op een lullig balkonnetje.’

‘Je bedoelt Last Tango in Paris?’

‘O, gaaf! We hebben nog dezelfde smaak in films ook!’

Ze haalde een tas tevoorschijn die uit een stuk zeildoek leek te zijn gemaakt, zo’n tas die geschikt was om eindeloos spullen in te proppen. Ze zette een fles zorgvuldig neer, erop lettend dat die niet gemakkelijk kon omvallen, en rommelde weer eindeloos in die tas. Allerlei voorwerpen kwamen voorbij, totdat ze uiteindelijk een plastic beker opdiepte.

‘We hebben maar één beker, dus die zullen we moeten delen,’ zei ze met een onverwacht ernstige blik om vervolgens weer opgetogen te zeggen: ‘Maar gelukkig heb jij nu je eigen dekentje en had ik de mijne al!’

Wat doe ik hier eigenlijk? vroeg de foute jongeman zich af. Wie is die vrouw en waarom slaat ze elke vorm van echte kennismaking over en praat ze in “we”, alsof we elkaar al jaren kennen?

Het antwoord op die vraag was redelijk simpel. Hij had niets anders te doen. Hij kon constateren dat ze gestoord was en weglopen, maar wat zou dat opleveren? Hij zou alleen zijn en hij voelde zich al door alles en iedereen verlaten.

Bovendien leek ze niet echt gevaarlijk te zijn, want iedereen die voorbij kwam leek haar te kennen.

‘Ha, die Djippie! Leuk je weer te zien, Djippie!’

Ze was duidelijk nogal populair, maar niemand bleef echt lang bij haar staan. Was dat omdat men respect had voor het feit dat ze overduidelijk met iemand samen was, of vonden degenen die haar kenden haar overdreven positiviteit ook een beetje vermoeiend?

Voor het eerst in zijn betrekkelijk korte leven realiseerde hij zich dat een mens gedwongen kon worden om dingen uit te sluiten, zoals hij met school had gedaan. Niet steeds weer opnieuw geconfronteerd willen worden met dezelfde onzin en gewoon een beslissing nemen uit zelfbehoud.

Dat was eigenlijk het makkelijke deel van de beslissing, want je was meteen van alles bevrijd. Daarna kwam het moeilijkste deel: het invullen van die vrijheid.

Hij dacht aan de docent filosofie die gezegd had dat mensen verrassend genoeg beter om konden gaan met beperkingen dan met vrijheden. Vooral het woord verrassend was hem bijgebleven. Dat woord leek ingelast te zijn om nog eens te onderstrepen dat je maar blij moest zijn met de beperkingen die zo’n school je met liefde oplegde.

Soms zat de lading in woorden die ogenschijnlijk terloops toegevoegd werden.

Ondertussen had Djippie van de op de grond uitgespreide deken een klein huisje gemaakt. Ze had een bord met pinda’s neergezet en de beker volgeschonken met iets wat op ranja leek. Daarna begon ze aan het rollen van een enorme joint die uit minstens zes vloeitjes bestond, en ze deed dat met een vaardigheid die jaren ervaring verraadde.

Gelaten ging hij naast haar zitten en deed opnieuw een poging om in kleermakerszit te gaan zitten. Dat mislukte weer.

Djippie schaterde het uit.

‘Jij gaat nog een uiterst beroerde hippie worden!’

‘Dat is ook wel mijn streven,’ zei de foute jongeman wat korzelig, terwijl hij in de enige houding die zijn heupen hem toestonden naast haar ging zitten.

De blik van Djippie werd ernstig.

‘Ik heb je pijn gedaan, hè?’

Hij zweeg en haalde zijn schouders op.

Zij volgde met haar vinger het profiel van zijn gezicht.

‘Weet je wel dat je een mooie jongen bent?’

De foute jongeman wist niet wat hij moest antwoorden.

‘Nee, natuurlijk weet een jongen dat niet. Mannen in het algemeen weten dat niet. Vrouwen weten veel dingen die mannen niet weten. Ik vond het zo heerlijk vanzelfsprekend dat je jezelf omschreef als een foute jongen. Mijn moeder heeft dat mijn hele jeugd ingepeperd. Alle mooie mannen zijn fout! Ze kon het weten, want ze had, net als ik, een groot zwak voor mooie jongens.’

Ze stak de joint aan en even leek ze in sombere gedachten te verkeren. Haar hele gezicht leek te veranderen en het was zelfs alsof een geheel ander gezicht tevoorschijn kwam. Een gezicht dat hij vele malen aantrekkelijker vond. Niet omdat het sexy was. Het was iets anders. Hij kon het niet meteen plaatsen.

Wat hij opeens wel inzag, was dat ze beduidend ouder was dan hij eerst had ingeschat. Ze was zeker niet ‘ongeveer zijn leeftijd’, zoals hij eerder had gedacht. Ze was minstens tien jaar ouder, iets wat minder opviel als ze de eeuwig vrolijke Djippie was, of speelde te zijn.

Ze schudde wat haar somber gemaakt had meteen weer van zich af.

‘Ik heb jarenlang aanschouwend onderwijs gehad als het om foute mannen ging. Mijn moeder sleepte ze overal vandaan en als ze trots was op haar vangst, maakte ze me rustig midden in de nacht wakker om hem voor te stellen. Dit is Nico, dit is Jan, dit is Volkert.’

Ze schaterde van het lachen.

‘En ze bleven nooit lang en als ze haar in de steek lieten, dan lag het aan die mannen. Haar vriendinnen wilden op een gegeven moment niet eens meer luisteren naar haar verhalen over het vertrek van de laatste verovering, dus blies ze haar verhalen steeds verder op. De een zou haar dagelijks geslagen hebben, de ander haar met een mes bedreigd hebben, de volgende was met twee andere vrouwen getrouwd. Het was vaak niet waar, maar ze had zo duidelijk de steun van haar vriendinnen nodig…’

De foute jongeman legde een hand op de hare.

Heel even zag hij dat andere gezicht weer.

‘Maar weet je, foute mooie jongen, al die mannen zijn een onderdeel van mijn jeugd geweest en het waren meestal lieve mannen. Ze keken kindertelevisie met me, ze namen me mee naar musea en, omdat ik van dieren hield, namen ze me mee naar Artis.

Allemaal samen zijn ze in mijn hoofd één enkele vader geworden, want die van mij was zo snel gevlogen dat er niet eens een pasfoto van hem was.

En mijn moeder, die niets liever wilde dan mij te beschermen tegen het kwaad dat mannen heet, leerde mij indirect om van alle mannen te houden.’

Ze kneep in zijn arm en gaf hem een vette knipoog.

‘Dus ook van de foute mannen.’

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp