Een foute man (22)

Een foute man (22)

Eigenlijk amuseerde hij zich wel met haar. Het idee dat ze op z’n zachtst gezegd een beetje vreemd was, verdween in de loop van de avond. Niet dat ze zich minder vreemd gedroeg, maar hij begon dat te accepteren. Ze was gewoon anders dan de meisjes die hij eerder gekend had, maar dat gold voor meer mensen die hij in Amsterdam had leren kennen.

Neef Pim was ook niet het soort man dat je in Friesland makkelijk zou ontmoeten. Zijn vriendinnen evenmin. Misschien hield zijn vader daarom niet zo van Amsterdam. Geen echte aversie, maar iets simpels als andere mensen met andere gewoonten.

Djippie praatte graag. Hele verhalen vertelde ze, meestal over andere mensen en weinig over zichzelf. Wat ze over haar moeder en haar jeugd verteld had, was duidelijk iets wat ze, misschien door de ongemakkelijkheid van een tweede ontmoeting, er zomaar uitgegooid had.

Regelmatig stelde hij vragen die zij behendig wist te ontwijken, zoals over haar werk.

‘Het is gewoon iets wat ik doe, met vaste uren. Niet interessant genoeg om hier te bespreken. Vertrouw me daarin maar.’

Op een vraag over haar leeftijd gaf ze wel een direct antwoord en hoewel de foute jongeman haar eerder al iets ouder had ingeschat dan hijzelf, schrok hij toch toen ze zei dat ze eenendertig was. Ze moest lachen omdat hij zo duidelijk geschrokken keek en vroeg hem vervolgens naar zijn leeftijd. Ze sloeg beide handen voor haar mond toen ze hoorde dat hij zeventien was. Kennelijk waren ze allebei een beetje geschrokken van elkaars leeftijd. In de ogen van de foute jongeman was ze gewoon oud. Iedereen boven de dertig was in zijn ogen oud.

Hij bedacht zich dat hij moeilijk thuis kon vertellen dat hij met een oudere vrouw was geweest. Die gedachte maakte hem somber. Niet vanwege haar leeftijd en ook niet omdat hij haar in de loop van de avond steeds aantrekkelijker was gaan vinden, maar omdat hij niet meer wist of een thuis nog wel bestond. Niet omdat hij een hekel had gekregen aan zijn ouders, maar hij was eenvoudigweg niet meer van plan hun suggesties over opleidingen te volgen en vooral zijn vader was hardnekkig in zijn standpunten. Hardnekkig genoeg om een terugkeer naar huis onmogelijk te maken.

Na de tweede, of was het de derde, joint waren ze langzaam van een zittende naar een liggende houding overgegaan. Hun neuzen raakten elkaar soms tijdens het steeds zachter wordende praten. Zij had een arm om zijn middel geslagen en hij wilde ook wel zo’n gebaar maken, maar was bang dat hij opgewonden zou raken. In plaats daarvan viel hij tijdens een verhaal over haar jeugd in Osdorp langzaam in slaap met haar arm om zijn middel.

Af en toe werden ze wakker van passerende politieagenten die met hun zaklantaarns over de groep schenen. Ze werden niet eens wakker van het licht, maar van het honende gefluit uit de groep van hen die nog wakker waren. Elke keer dat ze even half wakker waren, kropen ze dichter tegen elkaar aan.

Het moet een uur of zeven zijn geweest toen de foute jongeman wakker werd. Djippie zat al rechtop haar haar te kammen. Ze boog zich naar hem toe en zoende hem op zijn voorhoofd.

‘Voor een foute jongen ben je eigenlijk best braaf. Zeker als je wakker bent. Maar in je slaap ben je wat guller met je affectie.’

Hij schaamde zich.

Zij lachte.

‘Kom, kom, niet zo bekrompen. We zijn volwassen mensen in de open lucht. Nou ja, ik ben volwassen en jij doet je best volwassen te worden, al lukt dat nog niet helemaal, maar van mij krijg je een voldoende voor al je pogingen.’

De foute jongeman schrok zich wezenloos.

Wat had hij nu weer gedaan waar hij zelf geen weet van had?

Nooit meer een joint vlak voor het slapen gaan, nam hij zich voor.

Zij zag zijn verbouwereerde blik en boog zich opnieuw naar hem toe. Heel zachtjes fluisterde ze in zijn oor:

‘Eigenlijk was je ontzettend lief…’

Toen ze haar gezicht weer terugtrok, streek ze nog even met haar tong langs zijn oorlel.

Hij zocht naar woorden, wilde zich verweren, maar in plaats daarvan viel hij stil.

Djippie bracht in een paar razendsnelle bewegingen haar summiere make-up aan.

‘Maar nu,’ zei ze toen ze daarmee klaar was, ‘gaat Djippie naar haar werk en vanmiddag, als ik om vier uur terugkom, gaan we iets leuks doen.’

En weg was ze alweer, met hetzelfde huppelpasje dat hij eerder van haar had gezien.

Als hij niet nodig had moeten urineren, was hij haar nog een stukje achternagelopen, misschien om haar te vragen wat er toch met hem aan de hand was. Eigenlijk zou dat een domme vraag zijn. Alsof een ander daar een antwoord op kon geven als je zelf geen idee had.

Naarstig zocht hij naar wat dicht struikgewas om zich te ontlasten. De meeste mensen deden daar minder moeilijk over. Ze zochten gewoon ergens een boom, desnoods naast een pad waar ook mensen voorbijliepen of fietsten, maar hij kon dat niet en hij wilde dat ook niet. Zijn leven was in twee dagen tijd al ernstig ontspoord en waar hij nog wel controle over had, wilde hij zijn eigen normen en waarden in blijven herkennen.

Teruggekomen bij het dekentje, dat kennelijk door niemand betwist werd, want het lag er nog net zo bij als toen hij het had achtergelaten, keek hij voorzichtig, zodat niemand het kon zien, in zijn portemonnee. Hij zag dat hij nog iets van acht gulden had en hij moest nu toch echt wat eten, desnoods droog brood. Dus wat voor leuks Djippie ook voor die middag in gedachten had, hij zou het zeker niet kunnen bekostigen.

De dag bracht hij zwervend door in de stad. Hij kocht een brood dat hij zonder boter of beleg opat, maar om half vier zat hij braaf op het dekentje te wachten op Djippie en stipt om vier uur was ze er weer, met haar gebruikelijke vrolijkheid.

‘Ben je ooit in Artis geweest?’ vroeg ze hem.

‘Nee,’ zei de foute jongeman. ‘En zoiets kan ik ook niet betalen.’

‘Daar heb ik rekening mee gehouden, dus ik trakteer. Je hebt veel herinneringen opgeroepen aan de foute mannen van mijn moeder en hoe ze me regelmatig naar Artis brachten omdat ik dat zo leuk vond. Dus ik dacht: laat ik nu eens op mijn beurt een foute jongen op een middagje Artis trakteren.’

Hij voelde zich vernederd en zei zonder aarzelen dat hij niet wilde gaan. Hij dacht aan zijn vader, die gezegd had dat vrouwen geld kosten en dat een man daarom maar beter een goede opleiding kon hebben als hij ook nog iets voor zichzelf wilde overhouden.

Ze kwam dichter bij hem staan en pakte hem bij beide armen. Hij draaide zijn hoofd weg, maar ze wist toch een wijsvinger op zijn lippen te leggen.

‘Ga nou niet de prima donna uithangen. Dit is vooral iets wat ik voor mezelf doe. Ik heb ontzettend veel aan je verteld, omdat je kennelijk graag luistert, maar eigenlijk hadden die verhalen van iedereen kunnen zijn. Vanmiddag wil ik gewoon, zonder die hele omgeving hier, met je praten. Eerlijk gezegd denk ik dat jij dat nog harder nodig hebt dan ik. Ik doe je geen huwelijksaanzoek en je kunt weglopen wanneer je wilt.’

Er gingen veel dingen tegelijk door het hoofd van de foute jongeman. Een prima donna, dat was iets wat je over een vrouw zei. Ook wist hij nu helemaal niet meer of ze knettergek was of iemand die gewoon, net als hij, een beetje anders was. Het aanbod weg te kunnen lopen wanneer hij wilde trok hem wel aan, maar tegelijkertijd gaf het hem een wee gevoel in zijn maag, omdat hij ook naar haar verlangde, al kon hij dat niet toegeven, want ze was immers een oude vrouw.

Hij wist het allemaal niet meer.

Wat hij wel wist, was dat ze in achtenveertig uur zijn hele leven overhoop had gegooid.

Maar toch liep hij braaf achter haar aan richting Artis.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp