
Artis zou niet lang meer open zijn toen ze aankwamen. Hooguit nog een uur of anderhalf.
‘Kunnen we niet beter morgen terugkomen en dan wat vroeger? Anders is het zonde van het geld.’
‘We kunnen morgen, overmorgen of wanneer je maar wilt hier terugkomen,’ zei ze. ‘Want Djippie betaalt.’
Het viel hem op dat zij weer over zichzelf in de derde persoon sprak, maar hij begreep niet waarom.
Hij stond achter haar bij het aanschaffen van de twee toegangsbewijzen en zag hoe ze haar portemonnee opende. Hij was verbijsterd over het pak papiergeld dat daarin zat. Hoe was dat mogelijk? Ze leefde immers in het Vondelpark. Hij kon moeilijk informeren hoe zij aan zoveel contant geld kwam, want dan leek het alsof hij bij het afrekenen had staan gluren.
Ze liepen de fotograaf voorbij zonder te poseren en gingen naar binnen, waar ze begroet werden door een stokoude rode papegaai die wat onverstaanbaars naar hen riep.
‘Hoorde ik hem nou “godverdomme, kankerlijers” naar ons roepen?’ vroeg de foute jongeman.
Djippie moest lachen.
‘Heb je een schuldig geweten of zo? Want dat heb ik er niet in gehoord. Ik ken Lorre al vanaf mijn vroege jeugd en aan het einde van de dag is hij de mensen wel een beetje zat. Dan is hij een oude knorrige man en krijst hij maar wat voor zich uit.’
Ze pakte zijn hand beet en zei:
‘We komen vandaag niet voor de dieren. Ik wil met je praten en dat doe ik het liefste hier aan een terrastafeltje.’
Ze gingen zitten en zonder enige inleiding begon ze te vertellen over haar moeder, die nog niet zo lang geleden overleden was aan een overdosis van het een of ander, of een combinatie daarvan. De politie kon een zelfmoord niet uitsluiten, maar ze had ook geen briefje achtergelaten.
Opeens zat hij tegenover een heel andere Djippie. Een vrouw die zonder veel drama iets gruwelijks kon vertellen.
Hij pakte haar hand vast en streelde die.
‘Wat een vreselijke ervaring moet dat voor je zijn geweest.’
‘Dat is lief van je, maar ik had het van verre zien aankomen. Ma was te oud geworden voor haar favoriete hobby: jonge, maar aantrekkelijke mannen. Ze had geen werk meer en was behoorlijk verslaafd geraakt. Wat had ze in een afscheidsbrief eventueel nog kunnen regelen? Het huis stond al op mijn naam. Ja, geen koopwoning of zo, maar gewoon een woning in de sociale sector. Er was geen enkele woningbouwvereniging die haar nog wilde hebben, dus heb ik me destijds voor een woning ingeschreven. Zelf woonde ik elders. Vraag me niet met wie en hoe, anders sluiten ze hier voordat ik mijn vraag heb kunnen stellen.’
‘Maar wat wilde je me dan vragen?’ vroeg hij.
‘Het is nogal complex,’ zei ze.
Weer zag hij dat andere gezicht van haar dat hem eerder al had ontroerd.
‘De laatste maanden heb ik bij haar gewoond. Misschien om haar te verzorgen, maar waarschijnlijker om te voorkomen dat ze gekke dingen zou doen. Het was best zwaar, dus ben ik op een gegeven moment twee dagen naar Maastricht gegaan om bij een goede vriendin wat bij te komen. Toen ik terugkwam, stond de deur open en de politie stond op de trap. Ik heb kort met ze gesproken en ben met de tas die ik toch al bij me had vanwege mijn bezoek aan Maastricht naar het Vondelpark gelopen. Dat werd mijn “vaste verblijfplaats”.’
‘Je hebt nogal wat meegemaakt,’ zei de foute jongeman, terwijl hij zich vrijwel meteen realiseerde hoe bot en ongevoelig die opmerking was. Dat was precies het soort reactie dat zijn ouders gaven wanneer een situatie beschreven werd die buiten hun veilige wereld lag. Hij begon zich meteen te verontschuldigen.
‘Ach, hou op,’ zei ze. ‘Wie kan nu wel goed reageren op zo’n verhaal? Ja, als het in de krant zou staan misschien, maar niet als je het uit de eerste hand hoort van iemand die je, hoop ik, een klein beetje dierbaar is.’
‘Natuurlijk ben je me dierbaar,’ zei hij, terwijl hij stevig in haar hand kneep en zich tegelijkertijd voor de zoveelste keer realiseerde dat hij haar nog maar zo kort kende.
‘Bovendien,’ vervolgde ze, ‘heb ik ook niet zo goed op die hele situatie gereageerd. Ik ben niet één keer terug geweest naar die woning en de gemeente heeft de begrafenis geregeld, want ik was onvindbaar. Gelukkig was het een warme zomer, maar de herfst komt eraan en ik kan niet eeuwig in het Vondelpark blijven wonen.’
‘Wat kan ik dan voor je betekenen?’
Ze zweeg even en zei toen:
‘Ik durf die woning niet meer in zoals die nu is. Het is een driekamerappartement. Eén kamer is van mij en de andere kamers zijn voor mij een monument van alles wat mis kan gaan in een mensenleven. Ik wil dat alles, inclusief het behang, het meubilair, kortom alles wat van haar was, uit die woning getrokken wordt en verdwijnt.’
‘Dat is nogal een onderneming voor iemand die bovendien Amsterdam niet goed kent. Ik zou niet eens weten waar de vuilstort is en ik heb geen vervoer.’
Dat was weer zo’n opmerking die hij liever voor zich had gehouden. Hij dacht aan een les over rouwverwerking die de docent maatschappijleer ooit had gegeven. Iedereen rouwde op zijn eigen manier, was de boodschap geweest, maar dit was wel een heel drastische manier.
Ze keek hem zakelijk aan.
‘Djippie betaalt, hoeveel kosten je ook moet maken en hoeveel hulp van anderen je ook moet inschakelen.’
Dat laatste geloofde hij onmiddellijk, na de blik die hij eerder in haar portemonnee had geworpen.
Zwijgend liepen ze terug vanuit Artis. Het was alsof hij in die dierentuin met een derde gedaante van Djippie had kennisgemaakt. Bij de ingang van het Vondelpark was ze weer de vrolijke vrouw die iedereen daar kende.
‘Als alles uiteindelijk gelukt is, dan gaan we weer samen terug naar Artis, maar dan gewoon om aapjes te kijken en die chagrijnige Lorre wat op te vrolijken, want daar hadden we nu ook de tijd niet voor. Misschien was hij daarom wel zo boos.’
De foute jongeman lachte, maar zijn hersenen draaiden op volle toeren. Hoe kon iemand haar stemming en houding zo sterk aan een omgeving koppelen? Goed beschouwd had hun gesprek overal kunnen plaatsvinden. Toch was er een duidelijke verbinding met de minnaars van haar moeder die haar vroeger naar Artis hadden meegenomen om haar een plezier te doen. Alleen was dit allesbehalve een plezierige ervaring geweest. Niet voor haar en niet voor hem.
Hij dacht aan de mannen over wie zij verteld had. Mannen die kwamen, een tijdlang bleven en daarna weer verdwenen. Voor het eerst vroeg hij zich af of zij hem inmiddels ook zo zag.
(wordt vervolgd)