Een foute man (24)

Een foute man (24)

Een paar dagen later stond de foute jongeman alleen in een appartement ergens in Oost met een voor zijn begrip oneindige voorraad geld, een bos sleutels en een papiertje met een telefoonnummer waarop hij haar altijd kon bereiken, voor het geval er iets was of een beslissing genomen moest worden over de woning.

In de ochtend had hij haar naar het Centraal Station gebracht, want zij ging twee weken naar haar vriendin in Maastricht. Dat was de tijd die de foute jongeman nodig dacht te hebben om het appartement te ontruimen, op te knappen en van nieuwe vloerbedekking te voorzien.

‘Doe maar gewoon wat je zelf leuk vindt en vergeet vooral niet elke dag te eten van het geld dat ik je gegeven heb,’ had ze nog gezegd in de bijna vertrekkende trein.

De lucht in de woning was niet te harden. De gemeente had weliswaar zorg gedragen voor de begrafenis, maar twee vuilniszakken laten staan die een vreselijke lucht verspreidden en de nodige insecten aantrokken. Bij het naar buiten slepen van die vuilniszakken buitelde een paar muizen naar buiten en hij dacht aan de eerste keer dat hij in Amsterdam aankwam en moest constateren dat de inwoners er ongezonder uitzagen dan waar hij vandaan kwam.

Hetzelfde leek op te gaan voor de muizen. Ze leken in niets op de muizen die hij wel eens in huizen elders in het land had aangetroffen. Ze deden meer denken aan de piepkleine veldmuizen die je wel eens bij boerderijen zag, maar dan met een groezelige vacht. Ze verdwenen onmiddellijk door een kier bij een plint.

Hij zette de vuilniszakken op straat en hoopte maar dat de vuilniswagen snel langs zou komen.

Voor de stank deed dat weinig, want er stond nog een afwas op het aanrecht die een eigen ecosysteem van verschillende schimmels had opgebouwd. Hij vond een paar afwashandschoenen en ging aan het werk. Wat hij ook deed, de stank in huis bleef hetzelfde. Alle ramen openzetten, inclusief de openslaande deuren naar het balkonnetje, veranderde daar nauwelijks iets aan.

De kleinste kamer van het appartement was duidelijk van Djippie geweest. De muren waren behangen met foto’s van haar helden uit de muziek. Hij zag David Bowie, Lou Reed, Iggy Pop en veel zwarte artiesten die hij niet meteen herkende. Eigenlijk had hij andere muziek verwacht; meer Crosby, Stills, Nash & Young, Arlo Guthrie en Bob Dylan, kortom muziek die beter paste bij de hippiestijl van haar kleding.

Aan de binnenkant van de deur hingen een kimono en een ochtendjas die hij naar de wasmachine wilde brengen. Pas daarna zag hij dat er een grote poster van Last Tango in Paris op de deur hing. Waarom hij daar zo van schrok wist hij niet meteen, maar hij wilde er ook niet te lang over nadenken. Er was werk aan de winkel.

Minstens vier uur was hij bezig geweest, maar de woning had nog steeds dezelfde uitstraling en dezelfde geur als eerder.

Hij besloot Pim te bellen.

Hij ging in de rij staan bij een telefooncel en probeerde het hele verhaal zo gedetailleerd mogelijk te vertellen, terwijl de wachtenden achter hem met korte tussenpozen op de ruiten bonsden om hem duidelijk te maken dat zijn telefoongesprek korter mocht duren.

‘Ik hoor dat je in een telefooncel staat. Ik kom nu naar je toe en ik neem Arend mee. Ik leg je later wel uit waarom. Geef me even snel het adres. We zijn er over een half uur.’

Het zou niet eens een half uur duren voordat neef Pim de trap op kwam stormen. Achter hem kwam Arend aan met een Bolex Paillard onder zijn arm. Ze liepen enthousiast de kamer binnen die de foute jongeman nog niet echt had durven betreden.

Hij hoorde het karakteristieke geluid van de draaiende Bolex, terwijl Arend enthousiaste kreten bleef slaken.

‘Wow, this is hard core reality! This is it! We have been looking so long for the real shit. Imagine the end scene here!’

Het overviel de foute jongeman allemaal een beetje. Natuurlijk was hij geïnteresseerd in alles wat met film te maken had, maar dit voelde vreemd.

Hij ging daarom op de rand van het eenpersoonsbed van Djippie zitten, in de enige kamer waar hij zich nog een klein beetje veilig voelde.

Neef Pim kwam naar hem toe.

‘Ja, ik snap dat dit allemaal een beetje vreemd op je overkomt, maar Arend maakt een film die Junkieleed heet en hij zoekt al een tijdje naar een set voor zijn slotscène. Dit is natuurlijk het echte werk. Hier hoeft geen stylist meer aan te pas te komen. Hoeveel krijg je om die rotzooi hier op te ruimen? Arend geeft je met gemak het driedubbele, want hij zoekt iets wat authentiek is en echter dan dit worden sets niet.’

‘Dat is het probleem niet,’ zei de foute jongeman. ‘De vrouw die mij dit gevraagd heeft wil dat niets, maar dan ook niets van het interieur hetzelfde blijft. Stel je voor dat ze ooit naar de bioscoop gaat en de kamer herkent waarin haar moeder een overdosis heeft genomen. Dan is alles wat ik hier gedaan heb voor niets geweest.’

Arend voegde zich bij hen. Ondertussen was hij bezig de belichte filmspoel vanuit de camera in een blikken doos op te bergen.

Hij sprak gewoon Nederlands, behoorlijk bekakt Nederlands zelfs, en dat contrasteerde merkwaardig met zijn lange haar en zijn kleding.

‘Luister, kerel. Ik heb je bezwaren gehoord. Maar als ik nou gewoon zeg: twee draaidagen en vierhonderd gulden, voel je je dan al wat beter?’

‘Dat weet ik nog niet zo snel,’ zei de foute jongeman, die nog nooit zaken had gedaan, maar wel wist dat je nooit het eerste bod moest accepteren. ‘Die twee draaidagen gaan van mijn tijd af om dit huis leeg te trekken en op te knappen. Bovendien loop ik het risico dat zij die film ooit ziet.’

‘Oké,’ zei Arend. ‘Jouw en haar verdriet liggen nogal ver achter de horizon. Maar als ik nou zeg dat ik genoeg Vodden Japies ken die niets liever doen dan gratis decors afbreken omdat ze zelfs in de ergste shit nog waarde zien?’

‘Dit is geen decor. Dit is een ruimte waarin iemand overleden is,’ zei de foute jongeman.

‘Whatever,’ zei Arend. ‘Als ik nou zeg dat die Vodden Japies de ruimte leegtrekken en een paar van mijn decorbouwers de boel netjes verven? Dan hoef jij geen tijd te verliezen en de verf en hun tijd betaal ik ook nog eens. Denk je dan dat je over je gevoelens heen kunt stappen?’

‘Pak die kans, man!’ zei neef Pim.

Dat laatste gaf de doorslag.

De foute jongeman schudde hem de hand.

Over twee dagen zou er gedraaid worden.

Het voelde niet helemaal goed, maar het voelde een stuk beter dan zelf die kamer leegtrekken.

Voorlopig had hij werk genoeg aan de rest van de woning en zijn ervaring van eerder die dag had hem geleerd dat wat Djippie van hem gevraagd had een stuk zwaarder was dan hij aanvankelijk had ingeschat.

En wie ging er in die tijd nou naar een Nederlandse speelfilm die ook nog eens Junkieleed heette? In ieder geval niemand uit Amsterdam, want daar was dat soort ellende op iedere straathoek te vinden.

Arend en Pim hadden bij hun vertrek de deur naar de kamer van Djippies moeder open laten staan.

Voor het eerst wierp hij een blik naar binnen.

Ze hadden gelijk.

Het was een filmset.

Maar wel een hele gore en bedroevende.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp