Een foute man (25)

Een foute man (25)

De foute jongeman besteedde de tijd tot de eerste draaidag met het leeghalen van de derde kamer, een kleine ruimte die vooral bedoeld was als naai- en rommelkamer. Ook stond daar de wasmachine.

Hij propte de kleding die hij inmiddels minstens een week gedragen had, samen met nog wat T-shirts uit zijn pukkel, in het apparaat en zag tot zijn grote verbazing dat het een wasmachine was met een ingebouwde droger. Hij had van het bestaan ervan gehoord, omdat zijn moeder het hoofd van zijn vader grijs had gezeurd om zo’n apparaat.

Uit dat besef putte hij de nodige vrolijkheid. Hij was nog maar iets meer dan een week in Amsterdam en hij had geld genoeg, bovendien ook nog eens de beschikking over een wasmachine die, als hij zijn vader goed genoeg kende, de komende jaren nog niet in de bijkeuken van zijn moeder zou komen te staan.

Eerder op de dag had hij al een aantal flessen Chlorix bemachtigd en daarmee ging hij de ruimte met douche en toilet te lijf. Het was zo’n typisch Amsterdamse douche-toiletcombinatie waarbij je, als je op het toilet ging zitten, meteen met je knieën tegen de deur zat en maar moest hopen dat het haakje niet onverwacht losschoot, waardoor de deur openzwaaide, precies op het moment dat je je iets vooroverboog om je achterste af te vegen.

Het was wel de schoonste ruimte van het appartement. Op een beschimmeld plastic bakje met gebruikte tampons na, dat hij in zijn geheel in een van de vuilniszakken propte die hij tegelijk met de Chlorix had aangeschaft, zag de ruimte er redelijk schoon uit. Maar wat schoon oogde, hoefde niet per se schoon te zijn. Daarom zette hij alles wat van tegel of graniet was rijkelijk onder de Chlorix, liet het een halfuur inwerken en spoot vervolgens alles schoon met de douchekop.

Tevreden over het resultaat van zijn arbeid ging hij onder de douche staan. Het was een kleine overwinning, maar één ruimte was in ieder geval klaar.

Hij droogde zich halfslachtig af met een handdoek die hij ergens in een kast had gevonden, keurig op een stapel opgevouwen handdoeken. Hij ging er dus maar van uit dat die schoon was, al rook de handdoek wat muf.

Eigenlijk hoefde er nog maar weinig aan die kleine ruimte te gebeuren. Misschien kon hij het plafonnetje nog schilderen, maar dan was het ook echt af.

De wasmachine was inmiddels klaar met zijn programma, maar de was was nog niet echt droog. Misschien zou iemand met verstand van zaken het strijkdroog noemen, maar hij was niet van plan te gaan strijken. Hij vond een knop waarmee de droogtijd verlengd kon worden en zette die op de hoogste stand.

Hij brandde bijna zijn vingers aan de metalen knopen van zijn Levi’s-jack, maar dat de was nu droog was viel niet te betwisten.

Daarna begon hij alles uit Djippies kamer te wassen: de kimono, de ochtendjas en ook het beddengoed. Bij dat laatste aarzelde hij nog even omdat hij iets van haar geur in het beddengoed meende te herkennen, maar dat was waarschijnlijk inbeelding, want buiten de Chlorix was de overheersende geur in huis nog steeds allesbehalve fris.

De foute jongeman had eigenlijk geen idee hoe de bezetting van een filmcrew eruitzag. In zijn gedachten waren het in ieder geval meer mensen dan zo’n appartement kon herbergen. Daarom besloot hij van de naaikamer annex wasruimte een soort wachtruimte te maken met klapstoeltjes en een opvouwbare campingtafel, die hij in het berghok had gevonden.

Want iedereen wist dat filmen vooral wachten was.

Het paste allemaal net en er was, met een beetje goede wil, ruimte voor vier tot zes mensen.

Hij haalde het schone beddengoed op en wilde Djippies bed opnieuw opmaken. Pas toen viel hem op dat alles in haar kamer bedekt was met een dikke laag stof.

In het gootsteenkastje vond hij een vrijwel onaangebroken verpakking stofdoeken en daarmee begon hij alles in de kamer af te stoffen, ook de vele snuisterijen op de boekenplanken. Daarna haalde hij de stofzuiger door de ruimte en maakte vervolgens met alle zorg het bed opnieuw op.

Tevreden keek hij naar het resultaat.

Het was weliswaar Djippies kamer, maar hij had nu zelf ook een plek waar hij zich tijdens het filmen veilig kon terugtrekken. Hij nam zich voor af te dwingen dat dit zijn terrein zou zijn en dat de crew de rest van de woning mocht gebruiken.

De volgende dag zag hij hen al van verre aankomen.

Het was een oud model brede bakfiets. In de houten bak zat centraal Arend met een Bolex Paillard op statief over zijn schouder en naast hem lag de microfoonhengel van de geluidsman, die tegelijkertijd de bakfiets bestuurde, zo leerde hij later.

Hij dacht aan de gesprekken die hij met Pim had gehad over de opkomst van de Nederlandse cinema. Door budgetoverschrijdingen zou die, zo te zien, minder geplaagd worden dan bijvoorbeeld de films van Italianen als Fellini.

‘Waar blijft de rest?’ vroeg de foute jongeman, die zich steeds meer zorgen was gaan maken of hij wel een volledige filmploeg kon herbergen in het kleine appartement.

‘Hoofdrolspeelster en make-up komen nog op de fiets,’ zei Arend.

Hij sprak het ‘op de fiets’ uit alsof hijzelf in een limousine was komen voorrijden, maar voor hem was een bakfiets ongetwijfeld een beter vervoermiddel in het centrum van Amsterdam dan een bestelbusje. Zo’n bakfiets met bijna evenveel laadvermogen als een bestelwagen kon je immers overal parkeren, desnoods midden op de stoep. Niemand die daar moeilijk over deed, want het bleef gewoon een fiets, ook al kon je er bijna een complete filmproductie mee vervoeren.

De grimeuse kwam een minuut later inderdaad ook aanfietsen. Ze had roze haar, precies in de kleur van haar fiets.

Daarna begon het wachten op de hoofdrolspeelster.

Arend moet enige verbazing op het gezicht van de foute jongeman hebben gelezen, want hij begon aan een verklaring.

‘Als ik iets van mijn grote held Jean-Luc Godard heb geleerd, dan is het wel dat je de fanfare thuis moet laten. Gewoon een 16mm-camera op je schouder en filmen maar. Het leven doet de rest.’

De foute jongeman schaamde zich een beetje. Hij had eigenlijk niet het recht om neer te kijken op deze productie. Ze compenseerden hem immers ruim voor hun verblijf.

‘Toch is er met film, hoe klein of hoe groot het budget ook is, een onoplosbaar probleem,’ vervolgde Arend. ‘En dat is veel groter dan de industrie zelf. Het probleem zou in de basis triviaal moeten zijn, maar het heeft menige grote film en regisseur genekt. Hoe krijg je je hoofdrolspeler of hoofdrolspeelster op tijd op de set? Dat is een internationaal probleem en voor zover ik weet heeft niemand dat ooit weten op te lossen.’

De foute jongeman wilde koffie gaan zetten. Niet alleen begon hij bewondering voor Arend te krijgen, hij schaamde zich ook een beetje voor zijn vooroordelen. Hij besefte inmiddels dat híj een flinke belasting voor het budget van deze productie moest zijn.

‘Koffie zetten is niet nodig,’ zei Arend. ‘We hebben onze eigen catering bij ons.’

Hij draaide de dop van een thermoskan af en haalde uit een tas een stapel plastic bekertjes tevoorschijn.

Het zou nog een volle twee uur duren voordat de hoofdrolspeelster de trap op kwam.

‘Sorry hoor,’ zei ze. ‘Ik had het verkeerde knopje van mijn wekker ingedrukt.’

Op dat moment deed Arend weer iets wat van groot psychologisch inzicht getuigde.

‘Lieverd, we hebben al koffie gedronken en nog een extra bakkie ook, want je wilt goed wakker zijn bij het filmen van zo’n slotscène. Daarna hebben we het statief opgezet, de film gecontroleerd, het licht gemeten en toen alles klaar was dacht ik: “En toch missen we iets.” Ik wist bij God niet meer wat, omdat je bij zo’n film op zoveel verschillende dingen tegelijk moet letten. En toen ging de deurbel en kwam jij de trap op.’

Hij maakte een grap van een dag die met veel ergernis had kunnen beginnen.

Anja, de hoofdrolspeelster, glimlachte en ging opgewekt de make-up in.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp