
Eenmaal klaar met afdrogen pakte ze zonder enige terughoudendheid de kimono van Djippie van de haak en trok die aan. Hij had iets willen zeggen, dat ze beter haar eigen kleding kon aantrekken, maar hij was te verbouwereerd om adequaat te reageren.
Zo ging dat dus, bedacht hij zich. Het ene verraad baarde vrijwel automatisch het andere. Wat begonnen was met het stiekem verhuren van een ruimte – iets wat zeker niet de afspraak was geweest en waar geen overleg aan te pas was gekomen – liep nu uit in een situatie waarin Anja, gehuld in de kimono van Djippie, naast hem kwam zitten, een arm om hem heen sloeg en zei:
‘Ik denk dat het helemaal geen slecht idee is als jij en ik ergens een hapje gaan eten.’
Natuurlijk ging hij akkoord. Hij had weliswaar sinds enkele dagen een tijdelijk dak boven zijn hoofd, maar van enige richting in zijn leven was nog geen sprake. Alles voltrok zich sneller dan hij gewend was.
Hij had kunnen zeggen dat ze die kimono onmiddellijk weer uit moest trekken, maar dan zou ze opnieuw naakt voor hem hebben gestaan en daarmee zou het verraad niet opeens ongedaan gemaakt zijn.
Hij zuchtte en besloot de avond maar gewoon over zich heen te laten komen. Probeerde hij dat niet, dan gebeurde het toch wel. Hij was richtingloos en probeerde zich voor te stellen dat Djippie misschien aan het feesten was in Maastricht, maar hij wist zichzelf daarmee niet te overtuigen.
In zijn ogen was Djippie inmiddels een heilige geworden. Misschien juist omdat hij geen enkele poging had gedaan haar te verleiden. Niet dat hij dat niet gewild had, integendeel. Hij had niets liever gedaan, maar het leeftijdsverschil had hem ervan weerhouden.
Waarom eigenlijk? vroeg hij zich nu af.
Was dat niet een gedachte die voortkwam uit het idee dat je vroeg of laat zo’n vriendin aan je ouders moest voorstellen?
Kijk, pap en mam, dit is mijn grote liefde Djippie. Zij is een hippie die wel eens in het Vondelpark woont, soms omdat ze geen andere opties denkt te hebben en soms omdat ze het daar zo gezellig vindt. En o ja, ze heeft wel een baan, maar daar mag ik verder niets over weten.
In gedachten zag hij zijn ouders op de bank zitten, terwijl Djippie hen blij aankeek. Waarschijnlijk had ze op het allerlaatste moment nog een bosje bloemen voor hen geplukt in de tuin van hun meest gevreesde buurman. Uiterst herkenbare papegaaitulpen, die niemand anders in de straat in zijn tuin had.
Opeens snapte hij waar hij de laatste weken mee bezig was geweest.
Hij had zich willen bevrijden van een bepaald milieu, maar hij had tegelijkertijd de normen en waarden van datzelfde milieu, onzichtbaar als ze waren, met zich meegedragen.
Daarom ging alles steeds te snel voor hem.
Hij had nog helemaal geen eigen normen en waarden.
Daar kwam ook dat verraad uit voort.
Anja zag hoe hij zat na te denken en vroeg met een plagend stemmetje:
‘Ga me niet vertellen dat je paps en mams mist. Of dat je eerst nog toestemming moet vragen om een hapje te gaan eten met een vrouw die naakt in films speelt?’
Dat laatste gaf de doorslag.
Hij werd obstinaat.
Hij bedacht zich dat fouten maken misschien wel de enige manier was om erachter te komen wat zijn eigen normen en waarden dan wél waren. Het verraad was toch al onomkeerbaar en wat maakte het uit als hij daar nog een schepje bovenop deed?
Er bestond immers niet zoiets als half schuldig of een beetje schuldig.
Je was schuldig of je was het niet.
Dat hadden ze er op de katholieke school goed ingestampt.
En daar kwam nog iets interessants bij.
Degenen die de regels opstelden, waren per definitie altijd onschuldig, al stapelden de bewijzen van het tegendeel zich nog zo hoog op.
‘Een keer goed eten kan ik wel gebruiken. En een paar flessen alcohol erbij ook.’
‘That’s my man!’ riep Anja blij.
Ze trok haar rijglaarsjes aan, zonder de kimono voor haar eigen kleding te verruilen.
Zo liepen ze gearmd richting het centrum.
Ze vonden een pizzeria waar de wijn in karaffen werd geserveerd en voor het eerst sinds zijn aankomst vertelde hij Anja het hele verhaal over zijn ervaringen thuis en op school.
Voor zover zijn geheugen het toeliet, vertelde hij opnieuw het verhaal over de journalist met zijn goudvis die een vriendin wilde, een Japanse met sierstaarten nog wel, gevolgd door het interview met God en de homoseksuele driehoeksverhouding van Petrus, Judas en het Opperwezen.
Anja lag dubbel van het lachen.
Op haar beurt vertelde zij hoe ze als leerling van de toneelacademie gevraagd was voor de hoofdrol in Junkieleed. Ze had zich er heel wat van voorgesteld. Grote sets. Cameramensen. Talloze lampen. Draaiende Arriflex-camera’s.
Living the glam life!
Om uiteindelijk voorgesteld te worden aan Arend, die van de filmacademie was weggegaan omdat er volgens hem te weinig vrijdenkers rondliepen. Dankzij een erfenis van een tante had hij voldoende filmstock kunnen kopen, weliswaar over de datum, maar nog goed genoeg om een gevoelig drama als Junkieleed vast te leggen.
Hoe hij haar met de bakfiets langs mogelijke sets had gereden en hoe zij uiteindelijk gezwicht was.
Niet omdat hij een makkelijke man was om mee om te gaan, maar omdat ze iets in hem zag wat zij onverdund origineel noemde.
Zo had de foute jongeman ook willen zijn toen hij zijn teksten voor school begon te schrijven.
Vooral onverdund.
Of het origineel was, liet hij graag aan anderen over.
De sfeer van de rest van de avond was ontspannen en baldadig tegelijk.
Ze gingen van de ene nachtgelegenheid naar de andere en de alcohol leek al in hun keel te verdampen.
Op weg naar de Blue Note zag Anja een afgedankte kinderwagen staan, duidelijk neergezet voor het grofvuil. Ze duwde hem zonder aarzelen de gracht in en begon vervolgens, met een ernstige vorm van overacting, zwaaiend met haar armen te roepen:
‘Mijn kind! Mijn arme kind! Wie heeft mijn kind in de gracht geduwd? Moordenaars, dat jullie zijn!’
Ze hield dat minstens tien minuten vol.
Tegen die tijd waren drie mannen de gracht in gesprongen om haar ‘kind’ te redden, waarna zij het op een lopen zette en hij haar volgde.
Het was niet iets wat hij zelf ooit had gedurfd.
Maar hij genoot met volle teugen.
Ze verveelden zich al snel in de Blue Note omdat de muziek hun niet beviel, dus liepen ze met wankele benen weer richting de set.
Anja sprak die woorden steeds opnieuw uit.
Ze verzonnen voortdurend nieuwe zinnen waarin de set voorkwam en kregen vervolgens de slappe lach.
De foute jongeman, die zich nu pas werkelijk een beetje fout begon te voelen in plaats van alleen het etiket te dragen, opperde nog dat het misschien verstandiger was als zij in haar eigen huis ging slapen, zodat ze de volgende ochtend fris en op tijd op de set zou verschijnen.
Ze lachte hem recht in zijn gezicht uit.
Ze stak een vinger in de lucht alsof ze de aandacht van een volle zaal wilde trekken en begon met bolle tong aan haar monoloog.
‘Met wat we nu zoal gezopen hebben, lieve, brave, foute, mooie jongen, is de kans groot dat de make-up morgen weinig werk aan me zal hebben…’
Ze pauzeerde en liet een luide boer.
‘…en last but not least wordt het de aller-, alleréérste keer dat ik tijdens al die fukking draaidagen op tijd op de set ben!’
Eenmaal teruggekeerd dronken ze samen nog een kop koffie om iets nuchterder te worden.
Hij bood haar het eenpersoonsbed aan en vroeg waar zij wilde dat hij zou slapen.
‘Op mij, onder mij, in mij… het kan me allemaal geen reet schelen,’ zei ze. ‘Maar wij slapen vannacht in dat schone eenpersoonsbedje. Ruimte genoeg. We zijn nog jong.’
Het werd een wilde nacht, ondanks de drank en de vermoeidheid.
Ze deed dingen met hem waarvan hij niet eens wist dat ze bestonden.
Ze sliepen pas in toen de zon al boven de daken uitkwam.
Na wat een kwartier later leek, ging de deurbel.
Arend en de geluidsman.
(wordt vervolgd)