
Ze brachten de avond in bed door, pratend over hun levens.
Anja vertelde over haar ouders. Haar vader was beeldend kunstenaar, beeldhouwer om precies te zijn, en haar moeder gaf les aan het conservatorium. Haar favoriete instrument was de cello.
Het was precies het soort achtergrond dat je zou verwachten bij een jonge vrouw die de hoofdrol speelde in een lowbudgetfilm. Alleen die naam, Anja, paste daar niet bij. Eerder zou je zoiets verwachten als Sirmione, wat dan weer verwees naar een eiland waar ze ergens in een kunstenaarscollectief verwekt was.
Maar Anja?
‘Zo heette mijn grootmoeder,’ zei ze. ‘Een enorm bazige vrouw. Mijn ouders waren eind jaren vijftig uit een kraakpand gezet, toen dat juridisch nog vrij eenvoudig ging. Ze moesten bij haar intrekken, ergens in de Achterhoek, en zij stond erop dat de pasgeborene naar haar vernoemd zou worden. Anders moesten ze maar ergens een ander kraakpand zien te vinden. Dat wilde mijn moeder niet, want die had schoon genoeg van de rellen. Die wilde gewoon een veilige omgeving.’
Ze zweeg even en begon te lachen. Haar lach was bijzonder. Ongeremd vrolijk, maar met een licht sardonische ondertoon.
‘Hoorde je me?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik zei “rellen”. Dat mag ik thuis niet zeggen. Het moeten “acties” genoemd worden, want volgens hen vochten ze voor het recht op huisvesting voor iedereen, waarbij ze vergeten te vermelden dat ze uit alle hoeken en gaten van Nederland hierheen waren gekomen om een gratis woning te bemachtigen. En een potje matten met oom agent vonden ze politiek ook wel interessant.’
Ze keek even naar het plafond.
‘God, wat haat ik pseudoactivisme. Ik ben erin opgegroeid. Alles wat zogenaamd over het belang van iedereen ging, bleek in de praktijk alleen maar over hun eigen belangen te gaan. Uiteindelijk trok ik het niet meer en ben ik op mezelf gaan wonen. Interessant om te vermelden is misschien dat ik beslist niet in een kraakpand mocht gaan wonen, net zoals mijn vader ook liever niet heeft dat ik met kunstenaars omga. Vandaar dat we tot mijn achttiende verjaardag moeten wachten met het tekenen van het filmcontract. Wat een zelfhaat moet daarachter zitten…
Na drie keer weggelopen te zijn kreeg ik uiteindelijk het atelier van mijn vader toegewezen als tijdelijke verblijfplaats. Ook weer zo’n ruimte die hij voor een appel en een ei van de gemeente Amsterdam heeft losgekregen. Als ik daar wakker word, staat hij soms opeens onaangekondigd naast mijn bed, op zoek naar een stuk albast dat hij ergens dacht te hebben laten liggen.’
De foute jongeman vroeg zich af wat beklemmender was: alles van iemand weten, zoals nu bij Anja begon te gebeuren, of juist bijna niets weten, zoals bij Djippie.
Hij wist het niet zeker.
Wat hij wel wist, was dat mysterie een geheel eigen aantrekkingskracht had.
Alsof Anja zijn gedachten geraden had, zei ze:
‘Weet je dat ik eigenlijk wel wist hoe je echt heet? Je neef Pim heeft het een paar keer gezegd, maar ik ben het alweer vergeten. Ik zag toen het belang er niet van in. Hecht je er werkelijk zoveel aan om de foute jongen, of de foute jongeman, te zijn?’
Hij liet zijn hand langzaam over haar bovenlichaam glijden en dacht na.
‘Nou, niet zozeer aan jongen of jongeman. Het liefst zou ik gewoon Fout heten. Zonder verdere toevoeging. Geen achternaam. Gewoon Fout. Daar zit Fout. Daar loopt Fout. Heb je Fout de laatste tijd nog gezien?’
Hij lachte.
‘Dat is eigenlijk best vreemd,’ zei ze.
‘Nou, het is een etiket dat me opgeplakt is in een tijd dat ik juist mijn uiterste best deed om goed te zijn, of in ieder geval de dingen goed te doen. Maar ik leefde toen nog te veel in mijn fantasie en ik begreep de spelregels niet. Bovendien lijkt het bij me te passen, want mensen gebruiken het woord fout al snel om mij te omschrijven. Djippie noemde me fout en jij ook, toen je me leerde kennen.’
‘Ja, maar dat telt niet mee, want ik vind alle aantrekkelijke jongens fout. Misschien is dat voor haar ook zo.’
‘Misschien. Maar de docenten op zowel de katholieke als de rode school hebben me ook regelmatig fout genoemd. Niet om hoe ik eruitzag, niet om hoe ik me gedroeg, maar om hoe ik dacht en vooral om wat ik opschreef.’
‘Vreemd,’ zei Anja.
‘Ja, ergens zou ook iemand moeten rondlopen die Vreemd heet.’
Hij grijnsde.
‘Maar heb je er weleens bij stilgestaan waarom je jongens die jij aantrekkelijk vindt automatisch als fout bestempelt?’
‘Nou, ik heb een zwak voor mooie jongens en voordat ik het in de gaten heb verlies ik mijn eigen wil en raak ik gekwetst. Soms. Niet altijd. Maar die angst is er wel altijd. Nu bij jou ook weer. Vanmiddag was ik nog razend om die brief en nu lig ik alweer als een lieve Lolita in mijn blootje naast je.’
‘Is dat echt een probleem?’
‘Nou, misschien nu nog niet, maar ik moet wel op mijn hoede zijn.’
De foute jongeman dacht pijlsnel na.
Hij wilde iets zeggen, maar was tegelijkertijd bang dat wat hij zou zeggen hun korte relatie meteen in de kiem zou smoren.
‘Dus jij hebt jezelf niet helemaal in de hand bij jongens die jij aantrekkelijk vindt en zijn zij daarom fout? Of zou jij je misschien minder moeten laten leiden door wat je aantrekkelijk vindt en meer door wat je belangrijk vindt?’
‘Nou ja,’ zei Anja enigszins kribbig. ‘Ze hoeven me natuurlijk ook niet te kwetsen. Dat is niet verplicht. Ze kunnen ook gewoon mooi en aantrekkelijk zijn en verder geen poespas.’
‘Natuurlijk is dat ook weer zo,’ zei hij.
Eigenlijk had hij nog wel even door willen gaan op die vraag, maar hij begreep dat hij zich op gevaarlijk ijs begon te begeven.
Anja dacht duidelijk ook nog na over wat ze zojuist gezegd had en kwam met een afleidingsmanoeuvre.
‘Ik heb eigenlijk best honger. Ken je die avondwinkel hier verderop? Die hebben heerlijke broodjes.’
‘Dan ga ik even wat halen,’ zei de foute jongeman. ‘Ik ben zo terug.’
Op weg naar de avondwinkel vroeg hij zich af waarom hij zich zo aangetrokken voelde tot Anja en waarom zij zo’n directe verbinding met de kern van zijn seksualiteit had.
Hij had in het afgelopen etmaal meer seks gehad dan voor hem gebruikelijk was, tenminste voor zover hij kon bouwen op een bredere ervaring dan een handvol vriendinnetjes, die hij meestal uitgezocht had omdat ze wat mollig waren. Dat was nu eenmaal wat hij aantrekkelijk vond en bovendien waren er veel van in Friesland.
En mollig was misschien niet eens het juiste woord.
Stevig.
Of het ouderwetse struis.
Meisjes die veel aan sport deden en er ook niet tegen opzagen om twaalf kilometer naar school te fietsen met wind tegen.
Anja was anders.
Ze was klein en tenger.
Ze had, tegen het heersende modebeeld in, zeer kort haar en haar lichaam leek geen grammetje lichaamsvet te hebben. Ze leek vooral uit pezen te bestaan, niet uit de stevige spieren op kuiten en bovenbenen van meisjes die veel fietsten en schaatsten.
Kortom, ze was anders.
Ze voelde anders.
En juist dat laatste wond hem mateloos op.
Voor de gezelligheid nam hij ook nog een fles wijn mee.
Ze had op hem gewacht.
Ze lag boven op de dekens in een kimono die eigenlijk alleen haar schouders bedekte en hield haar benen uitdagend uit elkaar.
Ze besloten dat de broodjes nog wel even konden wachten.
De wijn niet.
(wordt vervolgd)