Een foute man (31)

Een foute man (31)

De nacht, die toch al kort was omdat ze geen genoeg van elkaar hadden kunnen krijgen, werd zo mogelijk nog korter toen in alle vroegte de deurbel ging.

De foute jongeman had geen idee hoe laat het was, maar naar de stand van de zon te oordelen, die nog lang niet boven de daken uitkwam maar wel al voldoende licht gaf, moest het zo rond een uur of zeven zijn.

Wie er ook aanbelde, het kon onmogelijk voor hem bedoeld zijn.

Toch liep hij voor de zekerheid naar het raam en zag dat er drie achter elkaar geparkeerde bakfietsen stonden.

De Vodden Japies!

Arend had ze zo beschreven dat de indruk ontstond dat het een paar losse scharrelaars waren, maar wat stampend de trap op kwam was een team professionals.

Misschien zagen ze er niet zo uit, met de versleten kleding die om hun magere lijven hing, maar degene die als eerste bovenkwam had een halve sigaar tussen zijn lippen die misschien al dagen niet aangestoken was geweest.

Hij haalde de sigaar uitsluitend uit zijn mond om ergens in de ruimte naar te wijzen.

Alles ging bijna zonder woorden.

Ze hadden duidelijk een strategie.

Het aanbod van koffie werd afgewezen.

Ze hadden al vier bakken op, omdat ze op voorspraak van Arend niet al te vroeg voor de deur mochten staan.

Dat ze zeven uur ‘s ochtends behoorlijk laat vonden en écht iets voor mensen die niet wisten wat werken was, dat straalde er vanaf.

De foute jongeman wilde nog uitleggen waar ze wel en waar ze beslist niet de boel mochten leegtrekken, maar de man met de sigaar haalde een bierviltje tevoorschijn met een plattegrond die duidelijk door Arend getekend was.

Hij herkende de stijl van de schetsen die Arend ook zo gemakkelijk met een groene balpen bij zijn scenario’s maakte.

‘U ken beter weer in bed gaan liggen, want het gaat hier straks heel stoffig worden. Als alles een beetje volgens plan verloopt, dan vermoed ik dat u hier over een uurtje, halfuurtje geen hand voor ogen meer ken zien,’ zei de man met de sigaar. ‘Het nadeel van rotzooi is dat je het moeilijk netjes ken verplaatsen.’

De foute jongeman ging naar de slaapkamer, gaf Anja een kus op haar voorhoofd en zei dat ze beter nog even kon doorslapen, of op zijn minst in bed kon blijven liggen.

Zelf wilde hij meemaken wat hier ging gebeuren.

Hij had haar die kus nog niet gegeven of hij hoorde al het splinteren van hout en het gedraaf van voetstappen op de trap.

Het duurde minder dan een half uur voordat alles wat niet spijker- of schroefvast was al op de eerste bakfiets lag, die meteen naar het Waterlooplein vertrok.

Daar hadden ze kennelijk een vaste uitvalsbasis, ontdekte hij.

Vandaar dat ze zeven uur laat vonden, want het oude Waterlooplein van de jaren zeventig begon al om half vijf ‘s ochtends.

‘Het is wel een allejezus grote teringzooi hier,’ zei de voorman, terwijl hij met zijn mouw iets wat een boek leek stofvrij probeerde te maken. ‘Slaapkamerameubelement, mijn reet. Maar ik heb misschien wel iets moois voor u gevonden in dit achenebbisj zooitje. Kijk maar.’

Hij gaf hem het boek aan dat hij zojuist stofvrij had geprobeerd te maken.

Het was een fotoalbum met wat de hele familiegeschiedenis van Djippie leek te zijn.

‘Kijk, dat soort dingen, daar doen we het eigenlijk voor. Dat is tenminste beter te verkopen dan de rest van de tinnef hier. Maar Arend was strikt. We mochten niks persoonlijks rauzen.’

Ontroerd pakte de foute jongeman het album aan.

Hij haalde een paar tientjes uit zijn portemonnee en gaf die aan de man.

‘A sheynem dank.’

Meteen stortte die zich met hernieuwd enthousiasme op het geven van opdrachten.

Hij haalde de jongste medewerker naar het midden van de kamer en trok met zijn halve sigaar een denkbeeldig kruis naar alle vier de hoeken.

Dat was voldoende.

De jongen begon onmiddellijk met het verwijderen van de vloerbedekking, die amper nog als vloerbedekking te herkennen was.

Het was geen geringe klus, want het tapijt was niet alleen gelijmd maar ook nog eens gespijkerd.

Dat was het moment waarop de reeds aangekondigde stofwolk ontstond.

Niet alleen in de kamer, maar overal.

Zelfs in het trappenhuis en op het trottoir.

Een raam dat vastzat werd met een soort breekijzer omhoog geschoven.

Een bakfiets werd onder het raam geplaatst en het hele tapijt landde keurig op de laadbak, die bijna onder het gewicht bezweek.

De bestuurder reed hoestend en proestend weg.

‘Hij hep een tetanusprik gehad, hoor,’ zei de voorman.

Hij tikte met twee vingers tegen zijn pet, waarna hij als een vorst op een inmiddels geleegde en teruggekeerde bakfiets de straat uit werd gereden door zijn secondant.

Het was inmiddels vijf voor elf en het stof begon langzaam neer te dalen, een proces dat de foute jongeman effectief wist te bespoedigen door met een plantenspuit water om zich heen te sproeien.

Tevreden keek hij om zich heen.

De ruimte was kaal.

Er was niets, maar dan ook helemaal niets meer wat nog herinnerde aan het drama dat zich hier had afgespeeld.

Hij was deelgenoot geworden van iets waarvan hij gedacht had dat het dagen werk zou zijn geweest.

Of weken.

Misschien wel maanden, als hij het zelf had moeten doen.

Even later verscheen Anja in de gang met slaperige ogen.

‘Volgens mij ben ik door vrijwel alles heen geslapen, maar nu barst ik wel van de honger. Hadden we niet nog broodjes van gisteren?’

Hoe iemand door dit alles heen had kunnen slapen begreep hij niet, maar het was wel een feit dat ze nauwelijks slaap had gekregen.

‘Het lijkt me niet veilig die broodjes nog op te eten. Het overviel mij vanochtend ook een beetje, dus ik ben vergeten ze veilig op te bergen voordat het tapijt verwijderd werd en die enorme stofwolk ontstond.’

Anja deed een paar stappen naar voren.

‘Wow… de hele set is verdwenen!’

‘Dat,’ zei de foute jongeman met een zeker gevoel voor plechtigheid, ‘en nog veel meer.’

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp