
Anja besloot ’s middags naar haar tijdelijke verblijf te gaan om schone kleren te halen en ook om even te controleren of haar ouders niet overstuur waren geraakt doordat hun dochter twee dagen afwezig was geweest. Het atelier was bedoeld als een vorm van zelfstandig wonen voor haar, maar haar vader had de sleutel en kwam regelmatig langs om te controleren of alles in orde was.
De foute jongeman besloot maar weer eens te gaan stofzuigen en hij zag er als een berg tegenop, want de stofzuiger was een Holland Electro uit de jaren vijftig. Een apparaat dat uit een sciencefictionroman leek te komen, maar de zuigkracht was minimaal. Naar het geluid te oordelen had het ding een probleem met de koolborstels van de motor en hoe hij dat moest repareren wist hij niet. Of er überhaupt nog onderdelen voor te krijgen waren, was ook maar de vraag.
Het stof bleef maar neerdalen en hij had genoeg ervaring met het opknappen van de woningen van zijn ouders om te weten dat ook door het schilderen overal weer het nodige stof zou loskomen. Hij oordeelde daarom dat de Holland Electro de grootste sta-in-de-weg was bij het opknappen van de woning.
Thuis hadden ze een Nilfisk en dat was, zeker voor die tijd, een semi-industriële stofzuiger.
Hij kon zo’n apparaat gemakkelijk aanschaffen van het geld dat Djippie hem gegeven had. Dat bedrag had hij nog niet eens aangesproken, omdat alles wat tot nu toe uitgegeven was uit de vergoeding van Arend was gekomen. Natuurlijk had hij dat geld apart moeten houden, maar dat had dan weer als diefstal gevoeld, omdat het haar woning was die als filmset was verhuurd.
Hij besloot de aanschaf van een Nilfisk te beschouwen als een onverwachte uitgave. Dat was nu juist een van de redenen dat hij dat briefje met Djippies telefoonnummer had gekregen.
Hij sloot zich achteraan in de rij voor de telefooncel.
Weer kreeg hij de enthousiaste vrouw aan de telefoon en vrijwel meteen daarna hoorde hij de warme stem van Djippie.
‘O, wat heerlijk dat je weer belt,’ zei ze. ‘Gaat alles goed daar?’
Zijn eerdere voornemen om alleen nog in feiten te spreken en daarna maar te zien wat daarvan kwam, had hij inmiddels opgegeven. Hij had allerlei plausibele verklaringen geprobeerd te verzinnen, maar die bleken stuk voor stuk zo lek als een mandje. Terwijl hij in de rij voor de telefooncel stond, had hij besloten dat improviseren voorlopig zijn enige redding was.
Toch kon hij het niet laten te vertellen dat de kamer van haar moeder inmiddels leeg was gehaald.
‘O, lieverd, heb je dat helemaal alleen in je eentje moeten doen?’
Nu pas besefte hij hoe ongeloofwaardig dat zou klinken, zeker omdat zij wist wat voor werk dat geweest moest zijn.
‘Nee, ik heb hulp gehad van neef Pim en een paar van zijn kennissen.’
‘O, gelukkig. Maar heb je die wel netjes voor hun uren betaald? Ik wil niet dat ze denken dat ik een klaploper ben. Geef me anders hun telefoonnummers, dan regel ik dat zelf wel.’
Nu had hij zich definitief klemgepraat.
‘Dat kan later ook wel. Ik ken die nummers niet uit mijn hoofd. Ze komen bovendien nog helpen met schilderen, dus dat regelen we dan wel. En lieverd, er staat weer een hele rij wachtenden voor de telefooncel en ik moet je eigenlijk nog iets vragen.’
Ze giechelde.
‘Ik dacht dat je het nooit ging vragen, maar het antwoord is volmondig ja!’
‘Nee, dat is het niet. Het gaat over iets anders.’
‘Weet ik, schat. Jij trouwt niet met oudere vrouwen. Zoveel was me inmiddels wel duidelijk. Het was maar een grapje. Waarmee kan ik je van dienst zijn?’
‘Het is die Holland Electro. Die stofzuiger blaast beter dan hij zuigt.’
Ze schoot in de lach.
‘Ach, daar ben je dus ook achter gekomen. Schaf gewoon een nieuwe aan.’
‘Ja, maar ik dacht aan een Nilfisk, omdat er eigenlijk voortdurend gestofzuigd moet worden.’
‘Welk model?’
‘Geen idee.’
‘Nou schat, geen probleem. Ik bel gewoon die elektrozaak hier om de hoek en laat er een bezorgen. Die man is praktisch familie van mijn moeder en mij. Dat regelt hij wel. En verder had je me vast nog iets romantischers te vertellen dan een stofzuiger?’
‘Natuurlijk mis ik je,’ zei hij, bitser dan hij bedoeld had. ‘Ik kan moeilijk aan iets anders denken. Ik zit in jouw huis en ik slaap in jouw bed.’
‘Dat klinkt nog niet echt alsof je wilt dat ik straks weer naast je in dat bedje lig.’
‘Doe niet zo flauw…’
‘Lieve, lieve schat. Jij werkt je daar het heen en weer en ik zit hier alleen maar te wachten. Ik mis je gewoon. Bovendien doe je meer voor mij dan welke man ook ooit voor me gedaan heeft. Ik snap heel goed dat je hoofd nu helemaal vol zit met stofwolken die zo snel mogelijk in een Nilfisk moeten verdwijnen. Maar je bent het Vondelpark toch niet vergeten? En hoe je ‘s nachts tegen me aankroop?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Nou, geef een vrouw dan de mogelijkheid om een beetje te dromen… Wat is het leven zonder dromen?’
‘Helemaal niets,’ zei hij.
Tegelijkertijd bonkte hij een paar keer tegen de binnenkant van de ramen van de telefooncel, alsof buiten een rij ongeduldige wachtenden stond.
‘Ik hoor het al,’ zei ze lachend. ‘Er staat weer geteisem voor de cel. Ga maar snel naar huis en laat je niet door vrouwen als ik klem praten.’
Hij zei nog iets liefs.
Hij bleef na het ophangen nog heel even naar de hoorn kijken.
Heel even had hij de neiging opnieuw te bellen.
Toen hing hij de hoorn langzaam terug en slaakte een diepe zucht.
Dit ging fout lopen.
Onherroepelijk.
Hij haatte zijn eigen leugens, want juist daardoor kon hij niet meer op haar reageren zoals zij dat verdiende. En misschien nog wel belangrijker: zoals hij zelf graag had gewild.
Hij hoefde haar stem maar te horen en hij voelde zich veilig.
Zo veilig als hij zich zelden gevoeld had.
Maar was veiligheid liefde?
Of was begeerte liefde, zoals hij die bij Anja ervoer?
Hij wist het niet meer.
Het enige wat hij nog helder zag, was dat zijn eerste verraad aan Djippie – en misschien nog wel meer aan zichzelf – een lopende band van nieuwe leugens en nieuw verraad had voortgebracht. Alles leek steeds verder samen te trekken, als een trechter waarvan de smalle opening uiteindelijk alleen maar in narigheid kon uitmonden.
Bij thuiskomst, voor zover hij die woning inmiddels thuis kon noemen, zat Arend op de stoep te wachten met een halve fles jenever in zijn hand.
‘Je was niet thuis,’ zei hij, ‘maar ik dacht: zo ver kan hij nooit zijn, want hij kent de stad amper. Soms heb ik hele heldere ingevingen, alleen meestal op de verkeerde momenten. Want je ziet er allesbehalve vrolijk uit en ik was juist gekomen om…’
Hij onderbrak zichzelf.
‘…om mezelf weer eens tegen te vallen.’
De foute jongeman moest ondanks alles lachen.
‘That’s my boy,’ zei Arend. ‘Één blik op het tobberige smoel van je favoriete regisseur en je kunt alweer lachen. Dat zie ik overigens vooral als jouw verdienste, want ik kom eigenlijk alleen maar slecht nieuws brengen. En dat ik je favoriete regisseur ben, komt alleen doordat je nog geen andere regisseurs kent. Dat maakt dat mijn onheilstijding zo meteen des te harder gaat landen.’
‘Laten we eerst maar naar boven gaan,’ zei de foute jongeman. ‘En schenk mij dan ook maar een jenever in, want ik heb vandaag ook niet alleen maar meevallers gehad.’
Bij gebrek aan glazen veegde Arend de hals van de fles schoon en schoof hem naar hem toe.
‘Mijn advies,’ zei Arend, ‘is dat je niet al te gulzig drinkt. Gewoon kloek-kloek-kloek… en daarna kom ik met mijn nieuws.’
Hij wachtte keurig af terwijl de foute jongeman zijn uiterste best deed jenever te drinken zonder in een hoestbui uit te barsten.
‘Ik zie dat de Vodden Japies goed werk hebben geleverd. Ze waren trouwens zeer over je te spreken omdat je dat familiealbum beloond had. Maar nu mijn punt. Ik ben misschien een beetje te enthousiast geweest over “mijn” decorschilders. Af en toe weet ik wel een paar idioten bereid te vinden om voor mij een kamer te schilderen, maar dat lukt nu even niet.’
‘Arend,’ zei de foute jongeman, ‘dat is misschien wel het beste nieuws dat ik vandaag heb gehoord.’
De regisseur keek hem aan alsof hij water zag branden.
De foute jongeman vertelde het hele verhaal over Djippie, die de mensen die hem geholpen hadden fatsoenlijk wilde betalen en zelfs persoonlijk contact met hen wilde opnemen. Dat hij daardoor behoorlijk in verlegenheid was gebracht en dat dit probleem nu in één klap opgelost kon worden door de schilderuren wat ruimer te begroten.
‘Maar dan gaan we zelf schilderen,’ zei Arend.
‘Nog beter,’ antwoordde de foute jongeman opgewekt.
Voor het eerst sinds dagen voelde het niet als verraad.
Het voelde alsof hij Djippie juist een pijnlijke ervaring had bespaard.
(wordt vervolgd)