Een foute man (33)

Een foute man (33)

Kennelijk kon de crew van Junkieleed wel wat extra inkomsten gebruiken, want de bereidheid om te helpen de kamer te schilderen was groot. Arend wist zijn vervoermiddel, de bakfiets, nog op te voeren als ‘kosten vervoer’ en daarmee zou hij, samen met zijn arbeid, een goed deel van wat hij voor het huren van ‘de set’ betaald had weer terugverdienen.

Dat voelde goed, zo oordeelde de foute jongeman.

Anja stond de dag nadat zij vertrokken was ook alweer op de stoep, want zij had ruzie gekregen met haar vader, die erachter gekomen was dat het bed van zijn dochter op het atelier twee nachten onbeslapen was gebleven. Ze stond met een grote koffer vol kleding voor de deur.

‘Ja, ik moet snel iets anders vinden om te wonen dan het atelier van mijn vader,’ zei ze terwijl ze de zware koffer de trap op hees. ‘Ik snap ook wel dat ik hier niet kan blijven als straks je moeder weer terugkomt.’

Dat was haar manier van omgaan met het feit dat er nog een andere vrouw in het leven van de foute jongeman was. Ze liet geen gelegenheid voorbijgaan om Djippie in een gesprek te betrekken.

Haar favoriete uitspraak was:

‘Als je moeder dat maar goed vindt.’

Ze had zelfs al een kraaklocatie op het oog waar ze vast met z’n tweeën een etage konden betrekken zodra ze allebei achttien waren geworden. Dat duurde nog amper een week.

‘Tenminste… als je moeder daar geen bezwaar tegen heeft, natuurlijk.’

De foute jongeman kon wel leven met die terugkerende grap, die weliswaar een zware ondertoon had. Zolang ze het over ‘zijn moeder’ had, begon ze ook geen ruzie over Djippie te maken.

Het was een soort bliksemafleider.

Hij kon daar op zijn manier weer luchtig op reageren door dingen te zeggen als:

‘Ik denk dat we de meeste kans maken als jij het haar zelf vraagt boven een kopje thee.’

Vlak na de komst van Anja werd er alweer aangebeld.

Het was de electrozaak met een grote doos waarin zich de Nilfisk-stofzuiger bevond.

‘Moet ik nog iets afrekenen?’ vroeg de foute jongeman.

‘Nee hoor, dat is allemaal al geregeld door uw echtgenote.’

Anja was razend.

‘Zie je dan niet wat ze doet? Ze heeft je een paar dagen in het Vondelpark gezien en als we jou op je woord moeten geloven is er niet eens sprake van seks geweest, en nu loopt ze iedereen te vertellen dat ze je echtgenote is. Dat gaat toch veel te ver?’

Zonder daarop in te gaan tilde hij haar op en gooide haar op het eenpersoonsbed.

Het had niet lang geduurd voordat hij ontdekt had dat dit de manier bij uitstek was om Anja weer even rustig te krijgen.

En het werkte.

Toen ze daarna lagen te soezen in elkaars armen, zei ze:

‘Iedereen moet toch zien dat wij voor elkaar bedoeld zijn. We zijn nota bene niet alleen op dezelfde dag jarig, maar we worden ook nog eens allebei tegelijk achttien. Jij en ik zijn voorbestemd om samen te zijn. Dat is toch duidelijk?’

‘Het kan ook gewoon toeval zijn.’

‘Toeval bestaat niet!’

‘Ja, maar stel dat je gelijk hebt,’ zei de foute jongeman, ‘dan hebben we nog steeds de toestemming van mijn moeder nodig.’

Het werkte iedere keer.

Zodra hij de moederkaart terugspeelde was de spanning gebroken.

Ze pakte het enige kussen en sloeg er hem een paar keer mee op zijn hoofd.

‘Wat kun jij toch een ongelooflijk rotjoch zijn! Echt een foute jongen. Dat moet ik weer hebben.’

Waarna ze heel hard moest lachen.

De spanning die zich eerst langzaam had opgebouwd, was weer verdwenen.

Anja kon nogal jaloers zijn, maar voor de rest was ze gewoon een watje, zo oordeelde de foute jongeman.

Inmiddels was Arend voorgereden met een bakfiets vol schildersspullen.

Emmers witkalk en hoogglanslak van de Hema.

Rollen afplaktape.

Kwasten.

Schuurpapier.

Stopverf.

Plamuur.

Rollers met bijpassende bakjes.

De bakfiets was bijna vol.

Er was duidelijk aan alles gedacht.

Arend hield een aantal bonnetjes in de lucht.

De foute jongeman wilde ze aanpakken, maar Arend trok ze meteen weer terug.

‘Die gaan naar je neef Pim, want hij heeft de verantwoordelijkheid voor de uren- en kostenadministratie op zich genomen. Want, en ik vaar hier geheel op mijn intuïtie, het zou zomaar kunnen dat hij je enige familielid is dat een beetje inzicht heeft in de wondere en abstracte wereld van financiën. Bovendien beheert hij ook het geld voor de productie van onze film en ik zie deze operatie toch een beetje als een Junkieleed Special.’

De foute jongeman was allang blij dat hij niet over het geld hoefde te gaan.

Hij was het overzicht volledig kwijt.

‘We gaan dit aanpakken als een militaire actie,’ vervolgde Arend. ‘Iedereen die beschikbaar is doet mee. We beginnen vroeg in de ochtend en geen van de creatieve geesten hoeft zijn geest te belasten met mogelijke vertragingen, want de plamuur is van het allernieuwste soort uit een ver land waar mensen zich liever vergiftigen dan als traag te boek staan. Die is dus sneldrogend! Twintig minuten, dames en heren. Geen minuut langer. Dan is het ook echt keihard.’

‘Wat jammer dat ik geen verfkleren heb meegenomen,’ zei Anja.

‘Als ik zeg dat aan alles gedacht is, dan is ook werkelijk aan alles gedacht. Toegegeven, de schilderoveralls pasten niet binnen het budget, maar de eindeloze rollen afdekplastic waren in de uitverkoop!’

Hij trok een plastic zak open, peuterde met zichtbare moeite een vel plastic los, knipte een gat in het midden en trok het vervolgens over haar hoofd.

‘Ze zijn alleen large, dus je zult de randen wat moeten inkorten. Maar dan kun je ook meteen over de loopplank met deze avant-garde Junkieleed-fashion.’

Anja draaide een rondje en glunderde.

‘Het is niet dat ik de diva wilde uithangen, hè Arend?’

‘Nee, en daar houden we je ook aan. In ieder geval tot de première van Junkieleed. Daarna is het uit onze handen.’

Anja bloosde.

Twee dagen later begon de ‘militaire actie’ en Arend leidde de klus zoals alleen een regisseur dat kon doen.

Meestal zittend op een klapstoeltje gaf hij aanwijzingen aan zijn crew, die hij voor de gelegenheid als gewoon werkvolk behandelde door ze korte commando’s te geven.

‘Anja, niet druppen!’

‘Henk, dat is nog nat. Even geduld!’

Tegen de avond keken ze naar een kamer waarin alles blonk en glom.

Tegen de foute jongeman zei hij:

‘Kijk eens goed om je heen en denk nu even het houtwerk weg van generaties timmerlieden die na een paar jenevers ook nog dachten dat ze op het oog alles recht konden zetten. Dan zie je net als ik bijna een nieuwbouwwoning.’

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp