
Ze besloten in het hotel-restaurant te blijven eten. Het was geen Vondelpark en het leek alsof er een maand verstreken was in plaats van een week, maar tussen hen was alles hetzelfde gebleven. Niet helemaal natuurlijk, al was de basis ondanks alle leugens intact gebleven.
Ze maakten grappen over de woning, wat een week eerder beslist niet mogelijk was.
‘Ken jij nog een andere foute jongeman die door een vrouw helemaal gelukkig gemaakt kan worden met een Nilfisk-stofzuiger?’
‘En dan vergeet je de wasmachine met droger nog. Die is ook heel belangrijk in mijn nieuwe leventje in de grote stad.’
‘Moest je bij je ouders veel zelf doen?’ vroeg ze.
‘Het viel wel mee. Het is beduidend minder moeilijk dan een moeder die verslaafd is, maar een moeder die een oorlogsslachtoffer is vraagt ook om een bijzondere aanpak.’
‘Zoals?’
‘Nou ja, die oorlog was lang geleden afgelopen, dat realiseerde ze zich wel, maar elke dag begon voor haar met het gevoel dat elk moment een nieuwe oorlog kon uitbreken. Dus heeft ze mij van jongs af aan Spartaans opgevoed. Zo noemde zij dat in ieder geval. Soms kwam het dichter in de buurt van kindermishandeling.
Op mijn derde levensjaar kreeg ik een longontsteking omdat zij me zonder dekentje urenlang in een kinderwagen door de vrieskou van een van de meest barre winters reed om me te harden tegen de kou.
Mijn hele opvoeding stond in het teken van voorbereid zijn op een oorlog.
Dus alles wat er maar te doen was in huis moest ik beheersen.
Zo moest ik al vroeg leren breien en haken.
Misschien waren er meer kinderen die dat leuk vonden, maar ik moest het doen om kleding te kunnen maken voor als het oorlog werd en er niets meer te krijgen was.
En dat haalde de hobby er wel een beetje uit.’
‘Dat moet zwaar geweest zijn.’
‘Zeker niet zwaarder dan wat jij hebt meegemaakt, denk ik, maar het was anders dan wat mijn vriendjes op school meemaakten.
Anders zijn is nooit fijn als je een kind bent.
Maar ze leerde me veel zinnigs.
Ze leerde me onder andere de werking van de wasmachine en toen ik dat onder de knie had, zo rond mijn tiende, heeft ze ook nooit meer kleding van me gewassen.
Iets dergelijks gold ook voor de stofzuiger.
Een Nilfisk, zoals je wel zult raden.’
Haar ogen werden vochtig.
‘Ik wist niet dat er zo’n verhaal achter die stofzuiger zat. Anders was ik er anders mee omgegaan.’
De foute jongeman lachte.
‘Een strik eromheen en een kaartje erbij met daarop: Your Mother is Watching You?’
‘Doe niet zo flauw.
Het is gewoon dat ik zo weinig van je weet en daardoor zomaar iets kan doen wat je kwetst zonder dat ik me dat besef.’
‘Ik denk dat het wel mee zal vallen.
Ik weet zo mogelijk nog minder van jou.
Ik weet iets van je jeugd.
Ik zal er ook niet naar vragen als ik merk dat je ergens niet over wilt praten.
Misschien is dat ook iets wat je leert als kind van een oorlogsslachtoffer.
Ik herinner me hoe een oor van mijn teddybeer nog maar aan twee draadjes hing.
Toen trok ik dat oor maar gewoon los.
Dat vond ik beter dan dat het er maar een beetje bij bungelde.
Mijn moeder zag dat en viel flauw.
Het duurde uren voordat ze weer bijkwam.
Toen heb ik haar gevraagd wat er gebeurd was.
Ze was duidelijk nog niet helemaal bij, want ze begon met een vreemde, half afwezige blik op te sommen wat ze om zich heen zag, tot in de meest gruwelijke details, terwijl het algemene beeld van artsen juist was dat zij zich onmogelijk kon herinneren wat er gebeurd was.
Ze was negen jaar oud, dus ze moest alles wel verdrongen hebben.
Misschien is dat zelfs zo en ben ik de enige die al die details kent.
Want de volgende dag wist ze zich niets meer te herinneren van wat ze mij verteld had.
En ik ben jong, maar kennelijk wijs genoeg geweest om daar nooit verslag van te doen.’
‘Maar wat ik niet wil vertellen is in de verste verte niet dramatisch.’
‘Dat snap ik.
Of misschien voel ik dat aan.
Maar ik heb wel geleerd geen vragen te stellen aan mensen die iets niet willen vertellen.’
Ze nam een fikse teug van haar glas en zocht duidelijk naar een manier om van onderwerp te wisselen.
‘Weet je al wat je met die kamer gaat doen?’ vroeg ze uiteindelijk.
‘Daar heb ik alleen nog over nagedacht vanuit de vraag wat jij met die kamer zou willen.
Dus dat is nog even omschakelen voor mij.’
‘Ik zou in ieder geval een groot bed kopen.
Je moet zat geld over hebben en dat kun je daar mooi voor gebruiken.
Jacobson op de Albert Cuyp heeft de beste matrassen.
En dan zo’n bedbak, een mooi oud bureau en natuurlijk vloerbedekking.’
De oude Djippie was weer even terug.
Enthousiast plakte ze financiële pleisters op wonden.
‘Ik heb trouwens helemaal geen zin om zo laat nog terug te gaan.
Jij wel?’
Hij kon nog gemakkelijk terug; er waren treinen genoeg.
Maar hij besloot te blijven.
Uit pure nieuwsgierigheid naar wat zich nu weer zou gaan voltrekken.
Hij zat aan de bar te wachten terwijl hij hoorde hoe ze geroutineerd, contant betalend, een tweepersoonskamer boekte.
‘Ja, een ruime kamer met twee bedden,’ hoorde hij haar zeggen.
‘Op naam van mijnheer en mevrouw Fout.
Moet ik het spellen?
F.O.U.T.
Een rare naam, dat geef ik meteen toe, maar je zult er maar mee geboren worden, zeg ik altijd.’
De man achter de balie gaf geen krimp en overhandigde haar de sleutels.
‘Heeft u nog bagage die ik voor u naar de kamer kan laten brengen?’
‘Bedoelt u geestelijke of materiële bagage?
Alleen het eerste, dank u!’
De hotelbediende stak zijn neus in de lucht en zweeg.
Giechelend kwam ze naar hem toe, de sleutel als een trofee in haar hand.
‘Kom, schat, het is morgen weer vroeg dag,’ zei ze, helemaal in haar rol als mevrouw Fout.
‘Dus teken dat bonnetje maar snel af, dan neem ik alvast mijn slaappil.’
(wordt vervolgd)