Een foute man (38)

Een foute man (38)

Het bleek een ruime hotelkamer te zijn. Wel oud. Het interieur was een beetje jaren zestig, zoals je dat wel vaker zag in kleinere steden, maar wel schoon. De lakens leken licht te geven, zo wit waren ze.

De foute jongeman had zich voorgenomen dat hij seks tot het uiterste uit de weg zou gaan. Hij was best trots op dat besluit om geen initiatief te nemen, want zo zag hij de wereld nu eenmaal, zo vlak voor zijn achttiende verjaardag. Mannen namen het initiatief, vrouwen wezen af of gingen erin mee, maar wat er gebeurde nadat ze een eeuwigheid in de badkamer was geweest, paste niet geheel in zijn wereld.

Ze kwam geheel afgedroogd, maar met vochtige, losse haren en bijgewerkte make-up naakt naar hem toe lopen.

Al vrijwel bij de eerste aanblik van haar bleek zijn lichaam niet mee te willen gaan met wat zijn verstand bedacht had.

Tot zijn verbazing knielde ze vlak voor hem.

‘Mijnheer Fout,’ zei ze met omfloerste stem, ‘was u niet die man die mij dacht te choqueren door te zeggen dat ik hem driemaal daags oraal moest bedanken?’

‘Dat was bij wijze van spreken,’ zei hij nog, maar hij protesteerde niet toen haar lippen zijn lid omsloten.

Hij ging achterover liggen en hield zijn arm over zijn ogen, half uit schaamte en voor de andere helft omdat hij niet verder visueel geprikkeld wilde worden door haar lijf.

In gedachten had hij zich iets anders voorgesteld bij het lichaam van een 31-jarige.

Het duurde niet lang voordat hij niet eens meer wist dat hij andere voornemens had gehad voordat hij die hotelkamer was binnengekomen.

Om drie uur ‘s nachts lag ze in zijn armen na te hijgen en zei daarna:

‘Wie zegt dat we dit ons eigenlijk moeten ontzeggen?

Niemand hoeft daar wat van te weten.

Jij moet gewoon je eigen leven leiden met je vriendinnetjes, enkelvoud of meervoud.

Ik mag je jeugd niet afpakken en ik mag van mezelf geen smachtende oude vrijster maken.

Makkelijk zal het niet zijn, maar het is te doen.’

Daar gaan we weer, dacht de foute jongeman.

Heel even leek het erop dat hij daar gekomen was om leugens en verraad op te ruimen en nu ontkiemde er alweer iets waaruit nieuwe leugens en nieuw verraad konden groeien.

‘Het is niet makkelijk om een goede jongeman te zijn in een foute wereld,’ fluisterde hij voor zich uit.

‘Wat zei je?’

‘O, niks bijzonders.’

‘Ik zou zelfs durven te stellen dat het voor een mooie jongen onmogelijk is,’ zei Djippie. ‘Ja, ik had je heus wel gehoord, hoor. Ik ben oud, maar nog niet doof.’

‘Nee, alles werkt nog uitstekend, mevrouw Fout,’ antwoordde hij, terwijl hij haar opnieuw in zijn armen nam.

‘Ik denk wel dat ik voor morgenvroeg afzeg. Wil jij even de wekker zetten? Ik word kriegel van die digitale wekkers.’

‘Dat is goed, lieverd,’ zei hij, ‘want ik ben er immers mee opgegroeid. Maar zei je eerder niet dat je niet naar Maastricht ging om te werken, maar om je vriendin te bezoeken?’

‘Klopt. Zij werkt op een beurs en is daar hostess. Soms heb ik geen zin om de hele dag door Maastricht te dwalen, want daar is echt niks te beleven, en dan ga ik daar ook maar welgevallig in een mantelpakje naar auto’s staan wijzen. We hebben reuze schik daar samen, maar er hangen verder geen verplichtingen aan.’

Meteen daarna veranderde ze van onderwerp.

‘Trouwens, ik heb me net nog wat bedacht en dat is dat de telefoon bij jou afgesloten is wegens wanbetaling. Maar ik kan natuurlijk die rekeningen betalen en dan kunnen we gewoon telefoneren.’

‘Maar de Vodden Japies hebben de telefoon meegenomen. Die zat vol met brandgaten van sigaretten, maar ze waren er best blij mee. Gewoon “een ander kappie erop en dan is-ie weer als nieuw”, hoorde ik een van hen zeggen.’

‘Dan weet je ook meteen waar je een goedkope telefoon kunt aanschaffen.

Op het Waterlooplein!’

‘Je bent lief,’ zei hij.

Natuurlijk was het een enorme vooruitgang om in huis te kunnen telefoneren in plaats van in de rij te staan voor een telefooncel, maar hij zag ook wel wat beperkingen voor zijn privacy. Dat kon hem op dat moment, daar in die hotelkamer, echter geen zier schelen.

Hij boog zich naar haar toe en fluisterde:

‘Ik geloof dat ik van je hou.’

Ze leek al half in slaap te zijn, maar zat nu meteen recht overeind.

‘Doe even normaal, gek! Morgen heb je er spijt van dat je dat gezegd hebt.’

Even bleef ze zo zitten en gaf hem vervolgens de meest liefdevolle zoen die hij tot dan toe van haar had gehad.

Aan het ontbijt was ze weer de zakelijkheid zelve.

‘Vergeet alles wat je vannacht in je hoofd hebt gehaald.

Er was niets dat niet nog een keer kan gebeuren, als het aan mij ligt.

Maar denk aan je eigen leven en je eigen doelen.

En zeg tegen dat scharminkeltje dat het je spijt.

Of beter: zeg helemaal niets.

Niets houdt vrouwen zo fris en sexy als jaloezie.

Kijk maar naar mij.’

‘Wie zegt dat ze een scharminkeltje is?’

‘De hoofdrolspeelster van Junkieleed.

Neem nog even een straffe kop koffie, dan weet je het zelf ook weer.’

Ze schaterde het uit.

Ze namen innig afscheid op het perron en als laatste zei ze nog:

‘Ik denk dat ik nog een weekje langer in Maastricht blijf.

Ik heb het idee dat je dat nodig hebt om het huis een beetje eigen te maken.’

Een week geleden had hij een moord gedaan voor dat voorstel.

Maar nu voelde hij zich een beetje verlaten, terwijl hij op het perron stond te zwaaien.

Op weg naar huis, vanaf Amsterdam Centraal, kocht hij een telefoon, een supermodern toestel met druktoetsen in plaats van een draaischijf, en plugde die in de PTT-doos.

Er was nog geen kiestoon, maar Djippie kennende zou dat niet lang meer duren.

Op de trap lag nog een briefje van Arend.

Hij wilde die avond langskomen om iets te bespreken.

Hij kon wel raden wat dat zou zijn.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp