Een foute man (41)

Een foute man (41)

De foute jongeman had zo zijn bedenkingen bij de komst van de telefoon. Het apparaat was in zekere zin een verrijking, want hij hoefde niet meer in de rij te staan bij de telefooncel en dat hij een stuk van zijn privacy zou moeten inleveren, dat had hij van tevoren al bedacht, maar zo’n telefoontje van Arend was toch heel anders dan wanneer hij gewoon op de stoep stond met een halve fles jenever en hem een uur lang volpraatte met zijn geheel eigen logica.

Arend mocht dan niet representatief zijn voor wat film is in de ogen van mensen die in Hollywoodproducties dachten, maar op de een of andere manier was alles wat de grote films kenmerkte ook vertegenwoordigd in Arend, met zijn brede bakfiets, zijn kleine crew en zijn psychologisch inzicht.

Hij bewonderde Arend, misschien zelfs nog meer dan neef Pim met zijn wisselende vriendinnen die allemaal even mooi waren. Voor Arend stond altijd een fles jenever klaar die hij zelf had aangeschaft. Bier, de favoriete drank van Pim, had hij nooit ingeslagen. Zelf dronk hij, als hij alleen was, eigenlijk alleen thee en af en toe koffie.

De telefoon onderbrak zijn gedachtegang. Hij wist dat het Djippie zou zijn en hij wist ook dat dit telefoongesprek bepalend ging worden als het ging om zijn vrijheid. Hij liet de telefoon rustig een paar keer overgaan en haalde diep adem.

‘Ha, lieverd, ik probeerde je te bereiken, maar ik kreeg geen gehoor, dus ik dacht…’

‘Klopt,’ zei hij gedecideerd, zonder haar uit te laten praten. ‘Ik was bij het scharminkeltje!’

Zo, dat was eruit.

Hij hoorde haar aan de andere kant even slikken.

‘Bij Anja?’

‘Ja, ze was hier boos weggelopen na je telefoontje bij de buurvrouw, zoals je weet. Daarna had ze drie draaidagen afgezegd en Arend kwam daardoor in de problemen en vond dat ik het goed moest maken.’

‘Ja, die film moet gewoon een keer af. Dat zei Deisha ook al tegen me.’

Wat verder volgde in dat telefoongesprek was eigenlijk heel ontspannen. Ze vertelde weinig over zichzelf, maar vroeg wel of hij in de nacht met Anja de neiging had gehad om vergelijkingen te maken. Hij beaamde dat, maar vertelde heel wijs niet wat zijn conclusie was geweest. Ze drong aan en hij zei dat wat hij ook zou zeggen consequenties zou hebben die hun leven onnodig zwaarder zouden maken.

‘Als ik zeg dat ik je geraffineerder vond in bed en misschien zelfs liefdevoller, dan is mijn vrijheid weg en als ik zeg dat ze een afknapper was vergeleken met jou ook.’

‘Zozo,’ zei ze met een lach. ‘Ik begrijp dat mijn mooie jongen uit het Vondelpark volwassener aan het worden is. Maar nog niet echt handig genoeg om je gedachten af te schermen, want als het met Anja beter was geweest dan met mij, dan was je beslist gaan liegen. In plaats daarvan honoreerde je onze afspraak over vriendinnetjes en was je gewoon eerlijk naar mij, dus mijn inschatting is dat zij een beetje een tegenvaller was vergeleken met mij, want je bent dichter naar me toe gekomen.’

Nu was hij degene die slikte.

‘Het geeft niet, schat, je leert het allemaal nog wel.’

Ze had duidelijk schik in dat gesprek en hij diep in zijn hart ook. Hij had nog steeds weinig inzicht in wat liefde zou moeten zijn, maar dat het ongeveer net zo beklemmend als bevrijdend kon zijn, dat had hij nu wel zo’n beetje begrepen.

Hij vertelde over zijn fiets en haar reactie was voorspelbaar: ‘Je had toch ook een nieuwe kunnen kopen?’

Het meest verbaasde hem nog wel dat ze opeens, bijna vanuit het niets, zei: ‘Zorg nou even dat je het gezellig houdt met Anja, in ieder geval totdat die film af is. Daarna kom ik even met trompetgeschal je leven binnen. Met een beetje mazzel staat zij dan inmiddels ergens op het filmfestival van Cannes of Berlijn naast de kandidaat voor de nieuwe Bondfilm en heeft ze je alles vergeven. Maar nu moet ik rennen. Ik bel je morgen nog wel even. Kusjes!’

Dat laatste bleef even nazeuren in zijn hoofd. Dat ze Anja accepteerde was volgens afspraak, maar het hoefde ook niet zo ontzettend gul te worden, wat hem betreft. Eigenlijk voelde hij zich daardoor een beetje afgewezen, hoe onlogisch dat ook was in het licht van wat ze in Arnhem besproken hadden. Met de vluchtende jongeman op de brandtrap nog in het achterhoofd, begon het erop te lijken dat Anja vooral een keuze van Arend en Djippie was. Niet zozeer van hem.

Bovendien was er nog iets wat hij niet begreep. Sinds wanneer besprak zij zaken met Pims vriendin Deisha? Hij begreep dat er contact was vanwege de onkostenposten, maar dat er gesproken was over Junkieleed als een film ‘die gewoon af moest’ was een beetje vreemd. Technisch gezien was dat het probleem van neef Pim niet, want die leverde hooguit wat hand- en spandiensten voor die productie.

Even overviel hem de achterdochtige gedachte dat Djippie zich gewoon ingekocht had in de productie. Dat ze over onbeperkte middelen beschikte, was hem inmiddels wel duidelijk. Hoe kon Arend anders in korte tijd die laatste productiedagen draaien? Voor zover hij ervan begrepen had, werd het meeste uitstel veroorzaakt door budgettaire kwesties. Rekeningen van het lab die eerst betaald moesten worden en dat soort trivia. En niet te vergeten de liefdesperikelen van de hoofdrolspeelster, wat kennelijk zijn taak was geworden in de ogen van Arend.

Nee, hij moest niet paranoïde gaan worden. Deisha en Djippie kenden elkaar van vroeger en hadden bij toeval elkaars wegen gekruist.

Met zijn verjaardag op komst kon hij beter even wat huisraad gaan inslaan en misschien een bezoek brengen aan Jacobson op de Albert Cuyp, maar hij was eigenlijk veel benieuwder naar het Waterlooplein, waar hij nog niet echt was geweest. Hij was eraan voorbijgekomen en zijn ouders hadden er weleens over gesproken. Hij pakte de fiets en ging op weg.

Daar aangekomen moest hij denken aan de voorman van de Vodden Japies, die iets gezegd had over rotzooi die je moeilijk netjes kon verplaatsen.

Dat had het motto van het Waterlooplein kunnen zijn, maar toch zat er een systeem in de uitgestrektheid van kramen en bakfietsen die overal verspreid hun waren aanboden. De foute jongeman keek zijn ogen uit. Hij zag een slecht nageschilderd schilderij met een stuk karton erbij waarop in grote letters stond geschreven: Egte Rembrant! Het was een soort Artis van dode dingen. Alles wat de mensheid ooit geproduceerd had, was daar vertegenwoordigd. Kapot, deels functionerend of ogenschijnlijk heel, maar stokoud.

Helemaal aan het einde trok een koopman aan zijn arm. Het bleek de voorman van de Vodden Japies te zijn, die hem aankeek alsof hij staatsgeheimen te koop had.

‘Ik heb voor jou iets heel moois,’ zei hij, terwijl hij met zijn gedoofde sigaar naar een grote vierkante televisie wees.

‘Mag weg voor een habbekrats, omdat je zo’n fijne jongen bent,’ zei de man.

‘Maar die kan ik nooit op de fiets vervoeren. Het is nogal een bakbeest en bovendien heb ik geen aansluiting voor een antenne.’

‘Aluminium kleerhanger en een stukkie koperdraad krijg je er gratis bij. Dan heb je Nederland 1 hagelscherp. Je zou er nog een bakkie bij kennen kopen, dan heb je Nederland 2 ook, maar als je het mij vraagt is NTS2 hetzelfde als NTS1, maar dan erger.’

‘Die televisie is volgens mij nog van eind jaren vijftig…’

‘Ja, toen ze nog echt vakwerk maakten. En heb ik al gezegd dat we hem na de markt gratis langsbrengen?’

De foute jongeman betaalde het tientje en ’s avonds laat liep hij door de woning met de aluminium kleerhanger te zoeken naar de juiste plek voor de ontvangst van Nederland 1.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp