
Hij werd ergens in de nacht wakker en hij wist heel even niet waar hij was. Hij keek uit het raam en zag dat de straat in duisternis was gehuld. Hij hoorde geen geluiden van trams in de verte. Hij gokte dat het zo’n twee of drie uur in de nacht was. Hij wist dat er iets naars gebeurd was, maar hij had moeite om alles te reconstrueren. Zijn eerste heldere gedachte was dat hij jarig was. Achttien jaar met het zelfbeschikkingsrecht dat daaraan gekoppeld was. Hij was lang genoeg op de vlucht geweest om zich te bevrijden van de druk van zijn ouders om keuzes te maken waar hij niet achter kon staan. Hij zou geen arts, jurist of notaris meer hoeven te worden om hun eigen gemiste kansen alsnog in vervulling te laten gaan.
Voor het eerst durfde hij zichzelf de vraag te stellen of ze bezorgd waren geweest na zijn onverwachte vertrek, of dat ze hem gemist hadden.
De eerste vraag was het makkelijkst te beantwoorden, want ze waren altijd bezorgd geweest. Bezorgd dat er oorlog zou komen, bezorgd dat het zou regenen op hun weekendje uit, bezorgd dat de buren hadden gemerkt dat de achterdeur te hard op de wind was dichtgeslagen, bezorgd dat de nieuwe stereoradio nog meer reparaties nodig zou hebben nadat de garantie was verlopen.
Bezorgdheid was hun basisinstelling. Dat was meteen ook wat hen modelburgers maakte. Tobben en verantwoordelijkheidsgevoel waren voor hen een en hetzelfde begrip. Hoe kon je immers de juiste beslissingen nemen als je niet voortdurend op je hoede was voor de verkeerde beslissingen?
Hij herinnerde zich hoe zij als een van de eersten in de buurt een auto hadden. Een tweedehands Volkswagen Kever. Was het een impulsaankoop geweest, misschien? Nee, waarschijnlijk niet. Eerder was die beslissing ingegeven door het gerucht in de straat dat de overburen van plan waren om als eerste in de straat een automobiel aan te schaffen. Dat kon toch niet waar zijn, want dat waren hele gewone mensen die wel eens vergaten de stoep ijsvrij te maken als het had gevroren. Het kon toch niet zo zijn dat die onverlaten als eersten in de straat een auto bezaten?
Nee, dan maar stoppen met sparen en een tweedehands exemplaar aanschaffen, want dat konden ze niet over hun kant laten gaan. Eén enkele middag reden ze met de Kever heen en weer in de straat met steeds weer andere kinderen achterin die joelden en krijsten omdat ze nog nooit in een auto hadden gezeten. Misschien wel eens in een bus of ander stadsvervoer, maar nooit in een auto die het eigendom was van een van hen.
Maar na die ene middag lol om met kinderen heen en weer te rijden in hun eigen straat, omdat ze eigenlijk ook nog niet met de verse aanschaf verder van huis durfden te gaan, begon het getob alweer. De middag heen en weer rijden in de straat werd afgesloten met een oliecontrole. Zijn vader trok aan het oog van een lange pen die van de olie droop en haalde hem uit de motor. Daarop stonden duidelijke streepjes die correspondeerden met de streepjes in de handleiding van Volkswagen. Meteen paniek, want er zat duidelijk te veel olie in de motor en dat kon ook niet goed zijn. Een technischer ingestelde buurman lachte zijn vader in het gezicht, net toen de aandacht van iedereen op hen gevestigd was. Hij offerde een katoenen zakdoek op, veegde de pen schoon, stak hem opnieuw in het motorblok en trok hem er weer uit. Meteen werd zichtbaar dat de olie zich precies tussen de door Volkswagen aangegeven streepjes bevond.
Het was een beetje een openbare vernedering die zijn vader moest doorstaan op zijn eerste dag als autobezitter. In ieder geval werd het zo door hem ervaren. Dat iedereen vreselijk had moeten lachen, was misschien gewoon de uitgelatenheid van kinderen die voor het eerst in een automobiel hadden gezeten, maar zo zag zijn vader dat niet. En zijn moeder ook niet. Wat een historische en gezellige middag had kunnen zijn, was een fiasco geworden waar ze maar liever niet aan herinnerd werden.
En het serieuze getob moest nog beginnen. Had een tweedehands Volkswagen wel de eerste 10.000 kilometerbeurt nodig, zoals in de Bedienungsanleitung van VW beschreven werd? Waarschijnlijk was dat door de vorige bezitter al gedaan. Maar als dat nu een onverlaat was geweest, dan had hij dat misschien wel overgeslagen.
Dan waren er nog andere kwesties die verantwoord aangepakt moesten worden. Waren er bijvoorbeeld wel voldoende reservelampjes voor de koplampen, de achterlichten en de richtingaanwijzers? Die waren in de aanschaf meegeleverd, maar kon je dat wel vertrouwen? Zou die man niet gewoon de reeds kapotte lampjes weer in de originele verpakking hebben geduwd?
En de krik, waar zat die eigenlijk in een Volkswagen? Ongetwijfeld op een onverwachte plek, want ze hadden de motorkap opengemaakt en daar zat geen motor in, dat was een gewone bergruimte. De motor bleek tot hun grote verbazing achterin te zitten, waar bij de meeste auto’s de bergruimte zat.
Was die krik eenmaal gevonden, dan begon het getob over hoe je met zo’n ding een band kon verwisselen. Wat vrijheid voor het hele gezin moest worden, zoals dat zo mooi verbeeld werd in de advertenties van Volkswagen, werd een existentiële crisis die maanden duurde met als hoogtepunt de vakantie, want dan moest je wel op pad met zo’n vierwieler. Dan kon je niet zomaar twee weken lang gewoon op de fiets naar het strand van Bloemendaal.
De foute jongeman ging zo op in de ergernis over zijn jeugdervaringen dat hij bijna vergat zichzelf de vraag te stellen of ze hem gemist hadden. Hij wist het niet. Hij was onderdeel van het ideale gezin dat zijn ouders wilden uitstralen en zijn vertrek kon gezien worden als iets dat eenvoudigweg niet zo hoorde. Iets wat een verkeerd signaal uitzond naar buren en vrienden.
De foute jongeman besloot dat hij wat frisse lucht nodig had, want in plaats van zich druk te maken over zijn jeugd, kon hij beter op een rijtje zetten wat er recent in zijn leven gebeurd was. Hooguit tien uur geleden.
Misschien dat een nachtelijke wandeling door Amsterdam helderheid zou verschaffen. Hij betwijfelde dat, maar slapen lukte nu ook even niet meer. Op een kerktoren zag hij dat het half drie was. Het viel hem opeens op hoeveel kerken je niet in Amsterdam had, terwijl kerken door vrijwel niemand spontaan met Amsterdam geassocieerd werden.
Hij slenterde langs grachten en keek in etalages, maar een duidelijk beeld van wat er gebeurd was, wilde niet tot hem doordringen. Ja, misschien dat Anja een teleurstelling was gebleken, dat was helder. Ze had een hoop drama gemaakt over Djippie, terwijl ze zichzelf ruime vrijheden gunde waar ze dan vervolgens de verantwoordelijkheid niet voor wenste te nemen. Als hij niet indirect de film, waarvan ze zoveel verwachtte, had vertegenwoordigd, dan had ze de laatste keer dat hij voor haar deur had gestaan gewoon niet opengedaan en was verdergegaan met die andere jongen. Dat ze gelogen had over haar leeftijd kon je een actrice in spe ook niet verwijten.
Dat Arend zijn film had geprobeerd te redden kon hij hem ook moeilijk verwijten. Maar de rol van Djippie in het geheel kon hij niet plaatsen. Je kon haar bemoeienis als verraad bekijken, of als nare bemoeizucht, maar op de een of andere vreemde manier voelde het ook een beetje alsof ze hem en zijn vrienden voor iets had willen behoeden.
Het leek te ver gezocht, maar misschien had het iets te maken met de vraag die hij zichzelf amper had durven stellen. De vraag of zijn ouders hem hadden gemist, want de vraag of hij haar gemist had, kon hij zonder moeite beantwoorden. Ja, hij had haar ongelooflijk gemist. Alles wat hij de laatste dagen voor de woning gedaan had, was vooral ook voor haar geweest. Dat bed was niet voor Anja gebouwd.
Midden in dat besef zag hij een winkel die tot vijf uur ’s ochtends geopend was. Daar haalde hij een verse fles jenever, voor het geval er iemand langs zou komen, en een fles whiskey voor zichzelf.
Die fles was voor de helft leeg toen hij bij zonopkomst in slaap viel.
(wordt vervolgd)