
Hij droomde dat hij te laat was voor school. De wekker op zijn nachtkastje stond te rinkelen, maar elke keer dat hij de wekker wilde pakken om hem met een knopje uit te zetten, verdween de wekker en stopte het gerinkel om dan even later weer door te gaan.
Midden in die repeterende ergernis werd hij wakker met een daverende hoofdpijn en een droge mond. Hij had hier helemaal geen wekker. Het was de deurbel die met gepaste regelmaat en steeds langer werd ingedrukt.
Hij stond op, haalde een hand door zijn haar en liep de gang op om de voordeur te openen via het touw langs de leuning. Hij hoorde twee etages lager de deur opengaan en er klonken voetstappen op de trap.
In de keuken hield hij zijn mond onder de kraan en probeerde zoveel mogelijk water naar binnen te krijgen.
In de deuropening verscheen Djippie. Even dacht hij dat hij nog droomde, maar ze stond daar toch echt en ze leek kleiner dan ze al was door een enorme bos bloemen die ze meetorste.
‘Wat doe jij hier?’
Ze keek hem bezorgd aan. ‘Ik zou willen dat ik hier stond vanwege je achttiende verjaardag, maar ik kom je iets vertellen dat ik je pas veel later had willen vertellen. Sterker nog, ik had het bij wijze van spreken tot na mijn dood willen uitstellen.’
‘Nee, niet nog meer shit. Laten we gewoon afspreken dat alles of nonsens is of een aperte leugen en daarmee proberen te leven.’
‘Dat kan niet meer,’ zei ze. ‘Dit is het punt waarop ik je waarschijnlijk ga verliezen. Dat heb ik van tevoren geweten, maar ik moet schoon schip maken.’
‘Een nieuwe dag, een nieuw verhaal,’ bromde de foute jongeman voor zich uit. Hij pakte een glas dat hij recent had aangeschaft, nog niet afgewassen en met de prijssticker er nog op. Hij goot daar wat whiskey in, een hoeveelheid die volgens hem een dubbele whiskey was. ‘Je zult wel weer nerveus zijn, net zoals in Arnhem, vandaar dat ik even je favoriete drankje voor dat soort gelegenheden heb ingeschonken. Ik heb overigens een hekel aan mensen die met een bos bloemen komen. Echt hartelijk is dat niet, want dan dwingen ze je om in de keuken de stelen te gaan bijsnijden en een vaas te zoeken. Daarna wordt er ook nog geoordeeld over je bloemschikkunsten. Dus leg die maar even ergens in een hoek.’
Hij pakte een klapstoeltje en zette dat voor haar neer en ging zelf op de rand van het bed zitten. Zij raakte de dubbele whiskey niet aan, dus schonk hij zichzelf een driedubbele in, eigenlijk alleen om te provoceren.
Ze pakte zijn hand beet en keek hem liefdevol aan, een beetje bezorgd ook.
‘Ja, leugens komen met lieve gezichtjes, zo ver ben ik inmiddels ook wel.’
Hij zag de pijn die de uitspraak haar deed en nam een te grote slok van de whiskey en barstte in hoesten uit. Toen hij weer lucht kreeg, zei hij: ‘Weet je, misschien moet je eens naar mij luisteren in plaats van dat jij weer iets gaat vertellen dat volgende week herzien gaat worden. Je zegt dat ik nog veel moet leren, maar vannacht op straat heb ik iets heel belangrijks geleerd. Ik dacht aan je stiekeme gedoe en je gemanipuleer en ik wilde razend worden en dat lukte me maar niet en ik vroeg me af: zou ik dan toch van je houden? Nee, natuurlijk niet, in Arnhem had je duidelijk genoeg gemaakt dat mijn houden van jou onzin was. Je had erom gelachen. Het paste niet in jouw verhaal en mijn hele leventje wordt bepaald door jouw verhaal, of beter: door steeds een ander verhaal. Ik kan ook heel goed liegen, niet zo goed als jij, maar waar Pim, Arend, Anja en jij zo in excelleren is vooral jezelf iets voorliegen. En dat is nu precies wat ik nooit doe. Liegen naar anderen, geen enkel probleem, liegen naar mezelf vind ik wel een groot probleem. Dus vertel wat je wilt vertellen, maar bedenk je bij elke zin die je uitspreekt wie je aan het voorliegen bent. Mij, of jezelf?’
‘Mijn naam is Miriam Cordoza. Ik heb mijn vader nooit gekend, in ieder geval niet dat ik mij herinner. Mijn overleden vader heette Mosje Cordoza, in het Amsterdam van toen beter bekend als Harrie de Vork.’
‘Dat begint al goed. De meest ongeloofwaardige bijnaam aller tijden. Harrie de Vork.’
‘Lieverd, als je nu alles in twijfel trekt, dan kan ik ook opstaan, weglopen en nooit meer terugkomen.’
‘Nee, ga rustig verder, want ik heb het gevoel dat er een goed filmscript aankomt dat ik later alleen nog maar hoef uit te tikken.’
‘Mijn vader moest zich met andere Joden tegenover Artis verzamelen. In een Nederlands kamp bij de grens moest hij wachten. In de eetzaal daar noemde een bewaker hem een ‘teringjood’ en hij reageerde daarop door de bewaker met kracht in de arm te steken met zijn vork. Waarschijnlijk door een administratieve fout ontsnapte hij aan een executie en hij overleefde twee, misschien wel drie of meer concentratiekampen en kwam terug in een Nederland waar hij niet echt hartelijk ontvangen werd.’
Hij schonk zichzelf nog eens bij. Hij was per slot van rekening jarig.
‘Hij was van oorsprong kleermaker van beroep, maar hij liet dat vallen en werkte zich omhoog in de penose. Hij bouwde een imperium op van misdaad en half-legale praktijken. Hij erkende mij als zijn kind, maar weigerde mijn moeder te trouwen. Een aantal jaren geleden kwam hij te overlijden en liet mij, bij gebrek aan andere kinderen, zijn hele imperium na.’
Hij dacht aan zijn moeder en zijn eigen jeugd en vroeg zich af of die oorlog ooit voorbij zou zijn. Misschien pas na een volgende oorlog.
Djippie schoof zenuwachtig heen en weer op haar stoeltje. ‘Waarom zeg je niets?’
‘Omdat ik dit verhaal op me in laat werken en ik kan niet anders dan sympathie voelen voor een man met zoveel vermogen tot overleven. Dit verhaal is ongetwijfeld waar op een paar details na die onder de slijtage van de overlevering geleden hebben.’
‘Maar hij was een misdadiger!’
‘Je bedoelt in de ogen van de Nederlandse staat?’ zei hij, terwijl hij zich nog eens bijschonk en de smaak van whiskey begon te waarderen.
‘Nee, gewoon. Hij heeft vreselijke dingen gedaan.’
‘Vreselijke dingen. Die had hij meegemaakt en die heeft hij op zijn beurt een hypocriete naoorlogse maatschappij aangedaan. Wat is het probleem, zou ik haast zeggen, maar dat zeg ik niet, want het probleem zal waarschijnlijk in deel twee van deze familiegeschiedenis zitten. Het moment waarop Miriam de Vork de macht overneemt. Zonder dat ze…’
Djippie wierp haar onaangeroerde glas naar zijn hoofd en miste hem op een haar en het glas spatte uiteen tegen de muur en liet daar een grote vlek achter.
‘Bingo!’ zei de foute jongeman. ‘Ik weet dat je vindt dat ik nog veel moet leren, maar je vergeet hoe snel mensen leren in jouw omgeving. Al het liegen en verzwijgen zit in deel twee over Miriam de Vork.’
Ze begon te huilen en hij deed het enige wat hij geleerd had dat werkte in zo’n situatie.
(wordt vervolgd)