
Op de heenweg had ze nog vrij rustig gereden, maar nu trapte ze het gaspedaal stevig in, scheurde over trambanen en nam stoplichten alsof ze kleurenblind was. Vanwaar de haast, dacht hij. Het was pas vier uur ’s middags. Ze had duidelijk schik in het breken van verkeersregels. Ze was sowieso in een opperbeste stemming.
Ze reed bij gebrek aan parkeerruimte de stoep op bij een kantoorboekhandel.
‘Blijf jij maar even zitten,’ zei ze en een paar minuten later stond ze weer buiten met een bediende van de winkel. De man had een doos in zijn handen en daarbovenop nog eens vijf pakken A4-papier. Die werden braaf door de man op de achterbank geplaatst.
‘Ja, ik zei wel dat ik alles netjes afgehandeld had en ik heb ook braaf meebetaald aan je Olivetti, maar het idee dat je na mij gedumpt te hebben vrijwel meteen een succesvol scenario zou schrijven, vond ik toch wat moeilijk. Dus het idee om meteen papier, schrijflinten, Tipp-Ex en mappen mee te leveren vond ik wat te ver gaan. Onverwacht krenterig van me, maar vanuit een vrouwenziel die verwacht gedumpt te worden heel begrijpelijk.’
Ze lachte en reed weer even zwierig achteruit de stoep af. Twee automobilisten trapten op de rem en begonnen te claxonneren.
‘Ja, ik heb niet voor niets deze auto gekocht,’ zei ze, ‘en ik weet ook wel dat het me kleiner doet lijken dan ik ben, maar met dit ding rij je probleemloos een tram uit de rails als dat nodig is.’
Ze lachte en pakte de eerste tramrails die in beeld kwamen om een rij stilstaand verkeer te passeren.
Ze stopte bij een antiquair. ‘Ja, nu zul je toch even mee moeten, want dit gaat over persoonlijke smaak. Zelf hou ik nogal van oude troep, maar dat is niet ieders smaak. Ik zag hier een oud bureau staan dat me wel wat leek voor een foute jongen.’
Het was een immense hal met antieke tafels, stoelen en kasten. Helemaal achterin stond een art-decobureau. Het was inderdaad prachtig, met ingelegde motieven en twee open boekenkastjes aan de voorzijde en ladekastjes aan de achterzijde. Hij schrok wel van het prijskaartje.
‘Dat is veel te duur,’ zei hij.
‘Dat ligt er maar net aan,’ zei ze. ‘Kijk, als jij een beetje gaat zitten klungelen achter je Olivetti, dan is het inderdaad zonde van het geld, maar als je je best doet, is het misschien een heel verantwoorde investering.’
Dat woord investering sprak de foute jongeman wel aan, want dat betekende dat ze toekomst in hem zag en dat was belangrijker dan gewoon aan de keukentafel schrijven, zoals hij van plan was geweest.
‘Ach, mevrouw Cordoza, wat heerlijk om u weer te zien,’ zei de verkoper die aan was komen lopen. ‘Bent u geïnteresseerd in deze prachtige…’
‘Ja, twintig procent korting en vanavond nog leveren. Afgesproken?’
‘Dat zou ik toch even moeten overleggen…’
‘Met wie? Je bent de eigenaar. Ik zie dit bureau al staan sinds ik hier voor het eerst kwam en het is voor hem en ik moet het hem echt opdringen, want hij is een bescheiden jongen en hij zei gisteren nog dat hij liever aan de keukentafel schrijft.’
‘Dan leveren we na sluitingstijd af. Als ik niemand bereid kan vinden, rij ik desnoods zelf. Kunnen we mijnheer nog voor een bureaustoel interesseren?’
Djippie wilde een antiek exemplaar, maar hij zag meer in een gewone Gispen die ze ook op voorraad hadden. Ook een jaar of dertig oud, maar zonder de krullen en frivoliteiten van de stoelen die Djippie in gedachten had. Na ook nog een bureaulamp uitgezocht te hebben, verdween ze met de verkoper in een soort glazen hok dat kennelijk als administratie dienstdeed en even later kwam ze opgewekt weer naar buiten met bonnetjes in haar hand.
‘Zo,’ zei ze, ‘nu heb ik alles echt netjes afgehandeld.’
‘Dus je verdwijnt uit mijn leven?’ zei hij, half spottend en half onzeker.
‘Nee, lieve schat, de werkelijkheid is altijd gruwelijker dan je zelf kunt verzinnen. Dit betekent gewoon dat het je nog moeite zal kosten om van me af te komen. Voordat je het weet, krijg je nog heimwee naar je moeder ook.’
Ze besloten een stukje langs de Amstel te lopen en aten een paar broodjes bij het Rembrandtplein. Ze waren uiteindelijk net op tijd terug om de bezorgers van het bureau te ontvangen. Het meubelstuk paste niet door de bocht van het trappenhuis, maar ze hadden touw en blok bij zich. Het breedste raam, dat bij de komst van de Vodden Japies ook slechts met moeite omhooggeschoven kon worden, bleek nu vastgeschilderd te zijn en weer werd een soort breekijzer gebruikt om het raam omhoog te schuiven.
‘Het is maar goed dat hoogglanslak langzaam echt hard wordt,’ zei een van de bezorgers en even later stond het bureau er met de stoel erbij. Er was geen stopcontact dichtbij genoeg voor de bureaulamp, maar Djippie vond in de meterkast een kaars die gebruikt werd om in het donker na een kortsluiting stoppen te kunnen verwisselen en maakte die passend voor de hals van de inmiddels lege whiskeyfles.
‘Eigenlijk ook veel romantischer, vind je niet?’
‘Ja, het ziet er nu eindelijk uit als het bureau van een hongerkunstenaar die zijn bijdrage aan de wereldliteratuur gaat schrijven om vervolgens aan tuberculose te overlijden, maanden voordat zijn werk in de boekhandels verschijnt.’
‘Doe niet zo eng,’ zei ze.
‘Het was een grapje!’
‘Ja, maar grapjes hebben de roteigenschap om werkelijkheid te worden.’
Ze ging op het bed liggen en riep met overdreven theatrale stem: ‘Breng me wijn en breng me liefde.’
De foute jongeman liep naar de keuken en vond nog een ongeopende fles wijn, schonk een glas in en bracht dat naar haar toe.
‘Ach nee, grapjas. Dat is gewoon een tekst die ik ooit in een oude film heb gehoord. En ik heb die altijd zelf eens willen uitspreken, maar nu je er toch bent…’
Hij gaf haar het glas en ging naast haar liggen. Hij zag haar blik ernstig worden toen ze zei: ‘Was je wel een beetje blij met je verjaardag?’
Hij knikte.
‘Ik ook,’ zei ze. ‘Je wilt niet weten hoeveel rottigheid ik in deze kamer beleefd heb. En het was alsof die kamer opeens niet meer bestond. Er was een verse start gemaakt die alle oude ellende in één keer uitgewist had, waar ik Djippie kon zijn, omringd door mensen die ik kon helpen, maar die zich tegelijkertijd ook wel zelf konden redden. Ik was gewenst, maar niet noodzakelijk. Gewone mensen met bescheiden doelen in dit bestaan, zoals ik ooit zelf was. Maar genoeg gemijmer, kom nu maar op met die liefde. Dat van vanmiddag was lief, maar wel een beetje behelpen.’
(wordt vervolgd)