Een foute man (51)

Een foute man (51)

Het huis van Djippie was precies zoals hij zich dat had voorgesteld. Twee etages, twee carports, wit stuukwerk aan de buitenzijde en een pompeuze, anderhalve meter hoge cherubijn die via een hoorn water in een kleine vijver spoot, die gevuld was met koikarpers.

Roterende luiken over alle ramen, zoals je die ook wel zag in België, die voor de achteloze bezoeker aangaven dat hier mensen woonden die óf wat te verbergen óf te beschermen hadden, of gewoon zelf gevaarlijk waren en elk moment een tegenactie verwachtten van de door hen benadeelde tegenpartij.

‘Ja, mijn smaak is het ook niet, maar het is zo aan me overgedragen en ik heb eigenlijk nooit de tijd gevonden om dingen te veranderen. Het zou een huis moeten zijn, maar het is vooral een kantoor geworden. Ik ben hier zelden en als ik er wel ben, is het eigenlijk vooral om te werken.’

De foute jongeman begreep nu waarom ze er zoveel nadruk op had gelegd dat hij zijn woning vooral eigen moest maken en hij had met haar te doen. Dit pand paste in geen enkel opzicht bij haar.

Het alarmsysteem was behoorlijk uitgebreid en ze was minutenlang bezig met het intoetsen van codes en het omdraaien van sleutels en nog ging het alarm af toen ze naar binnen liepen, waarna uiteraard de telefoon ging en zij een code moest verstrekken om aan te tonen dat ze geen inbreker was. Een code die ze maar met moeite wist te verstrekken.

Het was hem al opgevallen dat er geen post op de mat lag, maar die lag keurig op tafel bij binnenkomst, reclame en reguliere post netjes van elkaar gescheiden.

‘Ja, dat doet mijn werkster,’ zei Djippie, ‘ze werkt hier om de dag een ochtend en ik ga meestal als zij hier is, want zij is handiger met het alarmsysteem.’

Altijd praktisch, dacht de foute jongeman, een externe kracht die beter met het alarmsysteem om kon gaan dan de eigenaar.

Het interieur had veel weg van een kapsalon waar de haardrogers en andere apparatuur uit verwijderd waren. De vloeren waren van Italiaans marmer, wit met grijze tinten. Het meubilair had een zekere antieke uitstraling, maar was, net zoals de cherubijn voor de deur, wit gespoten met bladgouden accenten en aan de muren hingen opvallend veel spiegels, afgewerkt met gouden randen. Ondanks al het wit voerde goud daardoor de boventoon.

Ze deed een korte ronde door het huis, eigenlijk alleen de helft van de benedenetage, deed de deur van een goedgevulde koelkast open, wees een tafeltje aan waarop wat tijdschriften en een handvol boeken lagen en legde uit hoe de kleurentelevisie werkte. De foute jongeman had nooit in een huis verkeerd waar hij de kleurentelevisie mocht bedienen.

Zijn ouders vonden dat de pas in de mode geraakte kleurentelevisies vooral gemaakt waren voor arme mensen die moeite hadden met hun huishoudelijke uitgaven.

‘Je ziet op zo’n ding exact hetzelfde als op een zwart-wittelevisie, maar dan in de verkeerde kleuren,’ was het argument van zijn vader. Hij was duidelijk na zijn ervaringen met de eerste auto in de straat niet van plan om nog eens voorop te lopen bij nieuwe ontwikkelingen.

Zijn vader had overigens wel een punt, want de eerste kleurentelevisies hadden vaak problemen met de natuurlijke weergave van kleuren, wat de bezitters van die apparaten met knopjes en schuifjes in de weer liet gaan, wat het uiteindelijke beeld niet echt verbeterde.

Hij realiseerde zich dat zijn kritiek op de woning vooral voortkwam uit het feit dat hij al die tijd gedacht had dat ze bij hem kwam wonen en nu overviel hem enige melancholie. Dit was waarschijnlijk een van de woningen die ze voor zichzelf had gehouden om haar bedrijven van een afstand te runnen. Tien woningen hebben en je in geen daarvan echt thuis voelen was eigenlijk ook een vorm van dakloos zijn.

Er was maar één oplossing en dat was om de kamer in zijn huis die nu amper gebruikt werd zo mooi en gezellig mogelijk te maken dat ze zich daar wat behaaglijker zou voelen.

‘Nu moet ik echt het een en ander gaan doen,’ zei ze. ‘Ga jij je maar voorbereiden op het kruisverhoor dat ik je straks ga geven over het produceren van films!’ Ze gaf hem een innige omhelzing en liet als afronding daarvan haar tong langs zijn oorlel gaan, een gebaar dat weer beelden opriep van het Vondelpark, waar ze precies hetzelfde had gedaan. Meteen daarna verdween ze in een kamer die kennelijk als kantoor was ingericht.

Zij luisterde naar de boodschappen op haar antwoordapparaat. Hij kon de boodschappen niet verstaan, maar naar het eindeloze aantal piepjes te oordelen waren het er veel. Minstens twee uur luisterde hij naar haar getelefoneer. Hij kon niets verstaan, behalve als ze echt haar geduld verloor. Eén keer hoorde hij haar letterlijk bijna schreeuwen: ‘Als Estella de regels van de club niet wil respecteren, dan moet ze een andere club zoeken. Nee, wacht, laat haar vanavond gewoon niet binnen, dan kijken we morgen wel of ze zich dan wél aan de regels wil houden. Even kijken of haar portemonnee misschien wel fatsoen heeft!’

Maar dat was slechts een van de weinige gesprekken die hij deels had kunnen verstaan. Hij had geen idee wat er verder zoal besproken werd. Het waren rustig kabbelende gesprekken die over weinig anders konden gaan, althans zo stelde hij zich dat voor, dan bestellingen en allerlei andere trivia.

Na iets meer dan twee uur kwam ze vermoeid de kamer binnen, nadat ze haar kantoor met een klap van de deur gesloten had.

‘Dat was dat,’ zei ze, terwijl ze in haar handen klapte. Vervolgens keek ze om zich heen en zei: ‘Dit is verdomme niet eens een geschikte ruimte voor een kruisverhoor!’

De foute jongeman keek haar vragend aan.

‘Laat me maar even,’ zei ze, ‘we gaan weer op pad. Ik heb geen rust in mijn lijf vandaag.’

Ze ging weer in de weer met het alarmsysteem, de rolluiken sloten zich vanzelf en ze reed de auto uit de garage, duwde de deur aan de passagierskant open en gebaarde hem in te stappen. Hij had de deur nog maar half dicht of ze trapte het gaspedaal in en het grind van de oprijlaan spoot meters de lucht in.

Daarna leek ze zich weer te ontspannen en ze keek hem met een ondeugende blik aan. ‘Heb je erg in de zenuwen gezeten voor dat kruisverhoor?’

‘In het geheel niet. Ik heb je al voldoende informatie gegeven. Voor jou als zakenvrouw is de rest makkelijk in te vullen. Je hoefde eigenlijk alleen maar te weten dat je er beter van kunt worden en de rest laat ik aan je instinct over.’

‘Je overschat me,’ zei ze. ‘Toen ik net aan de telefoon zat en voor de zoveelste keer dezelfde dingen aan dezelfde sukkels zat uit te leggen, merkte ik dat ik dat gewoon op de automatische piloot doe, dus ik had genoeg ruimte om over andere dingen na te denken. Het financiële beeld dat je schetste vertelt zijn eigen verhaal, maar ik heb meer nodig…’

Ze keek hem pseudodreigend aan. ‘Dus ik rij je nu naar een onbekende locatie en dan zul je toch het achterste van je tong moeten laten zien…’ Ze schaterde van het lachen.

De onbekende locatie bleek een avondsupermarkt in de buurt van zijn woning te zijn.

‘Ik zei het toch, lieverd, een onbekende, maar laat het achterste van je tong nu nog maar even niet zien, want het is een ontzettend beschaafde winkel met onbeschofte prijzen, dus daar willen ze altijd graag dat je je netjes gedraagt. Na alles wat je met me doorstaan hebt, wil ik je nog één laatste test laten doorstaan. Ik ga voor je koken in je eigen huis!’

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp