
Hoewel hij in zijn achterhoofd steeds een gevoel van medelijden met zijn ouders had gevoeld, was dat, na hun actie om het Interview met God rond te sturen om aan te tonen dat hij niet goed bij zijn hoofd zou zijn, geheel verdwenen.
Hij draaide een vel papier in de Olivetti en begon: Beste pa en ma. Voor wat volgde had hij geen prullenbak of Tipp-Ex nodig. Het werd een aanklacht van epische lengte over alles wat hij burgerlijk en bekrompen vond aan zijn opvoeding. Vooral zijn moeder en haar Katholiek Vrouwengilde kregen het zwaar te verduren, terwijl zijn problemen mogelijk meer bij zijn vader lagen, die hij slechts terloops aanstipte als een impotente hork met plaatsvervangende prestatiedriften.
Hij had zijn moeder een leven lang gespaard, omdat ze immers dat oorlogsslachtoffer was dat sowieso te allen tijde gespaard diende te worden. Nu zat er geen rem meer op zijn kritiek op haar. Hij brak haar tot de bodem af in drie vellen A4. Hij was trots op wat hij aan het schrijven was en hij moest regelmatig hardop lachen om zijn eigen formuleringen.
Pas bij het teruglezen drong tot hem door dat als ze echt munitie nodig hadden om hem wilsonbekwaam te laten verklaren, deze brief heel wat nuttiger was om als bewijs te dienen dan het Interview met God.
Die laatste tekst had sommige mensen weliswaar overstuur gemaakt, maar er zat een zekere dosis humor in die de waanzin als het ware in bedwang hield. Ook stond de God die in zijn interview de hoofdrol speelde ver genoeg van de God die door velen aanbeden werd. Wat hij nu geschreven had, was een hoogstpersoonlijke kijk op niet alleen zijn ouders, maar vooral ook op de naoorlogse maatschappij waar zij een product van waren. Dat was geen aanval op mensen of ideologieën, dat was een aanval op het systeem.
Naast de persoonlijke aanval op zijn ouders, die nog te categoriseren was onder de uitval van een puber of adolescent, was zijn aanval op de twee scholen die hij bezocht had en met name de socialistische school een aanval op de kernwaarden van de maatschappij op dat moment. Dat was vergelijkbaar met ‘hondenlul’ roepen naar prins Bernhard tijdens de minuut stilte van de Dodenherdenking. Iedereen wist weliswaar dat de prins een dubieus personage was, maar juist daarom kon kritiek in zijn richting niet openlijk geuit worden, want dat zou een ander systeem, in dit geval de monarchie, kunnen schaden en daarmee kwam ook het daaraan gekoppelde democratische systeem zachtjes op de tocht te staan.
Daar stond gevangenisstraf op.
Dat de Dodenherdenking om een minuut stilte vroeg, was niet voor het herdenken van de slachtoffers, want die herdacht je immers het hele jaar door als het je familieleden waren. Daar was geen minuut stilte voor nodig. Ook de mensen die geen familieleden verloren waren, hadden geen minuut stilte nodig om zich te beseffen hoe gruwelijk die oorlog was geweest voor alle betrokkenen.
De foute jongeman wist natuurlijk heus wel dat die minuut stilte bedoeld was als een teken van respect, maar tegelijkertijd zag hij het ook als symbool voor de collaboratie van Nederland met nazi-Duitsland, iets waaraan zelden of nooit, en zeker niet op scholen, enige aandacht werd besteed. En als er toevallig door een enkele docent, los van de lesboeken, wel over gesproken werd, kreeg het zeker niet meer aandacht dan onze ‘politionele acties’ in Nederlands-Indië.
Hoezeer hij ook doordrongen was van de functie van die minuut stilte, zelf kon hij er niets anders in zien dan een heel mooie herinnering aan het feit dat je over sommige zaken maar beter je mond kon houden, omdat er anders zomaar scheuren konden ontstaan in de grote betonnen constructie die we wel aanduiden als consensus.
Het gebruik van de Olivetti had ogenschijnlijk niets opgeleverd, in ieder geval geen bruikbare tekst, maar het had hem een heel belangrijke les over schrijven geleerd. Ideologieën kon je redelijk schadeloos aanvallen, zeker als je het met de nodige humor deed, maar als je zowel een katholieke als een socialistische school in hetzelfde betoog aanviel, viel je het systeem aan dat juist zo gul uiteenlopende keuzes bood.
Het systeem kon pas aangevallen worden als je het in een fantasiemodel kneedde dat elk verband met een bestaand en actueel systeem niet aantoonbaar maakte. Hield je je niet aan die conventie, dan werd je tekst afgedaan als een schreeuwerig en ongefundeerd pamflet en in de juiste handen konden je ouders je er wilsonbekwaam mee laten verklaren.
Die fout zou hij nooit meer maken.
De middag bracht hij door met het overschilderen van de vlek op de muur die achtergelaten was door het glas whiskey dat Djippie naar zijn hoofd had geworpen en daarna ging hij op zijn gemak zitten genieten van de goudvis met zijn Japanse vriendin met sierstaarten. Toen hij daar genoeg van had, ging hij boodschappen doen.
Thuisgekomen was hij in een opperbest humeurtje. Hij begon de buurt steeds beter te kennen en af en toe werd hij zelfs gegroet door mensen met wie hij eens gesproken had, al was het nog zo oppervlakkig.
Onderweg was het hem opgevallen dat iedereen in de straat de televisie op exact dezelfde plek had geplaatst, wat hem deed vermoeden dat er zich misschien toch een antenneaansluiting in de woning bevond, zodat hij de kleurentelevisie zou kunnen aansluiten om niet al te ondankbaar over te komen.
Hij vond de antenneaansluiting op de plint, precies daar waar de buren hun televisie hadden staan. Hij plaatste de televisie dan ook maar op exact die plek, omdat de meegeleverde kabel te kort was om een andere plek te kiezen. Daardoor stond de televisie nu op de grond aan het hoofdeinde van zijn bedbak en zo ontdekte hij televisiekijken in bed, wat hij best wel een prettige gewaarwording vond.
Zij was nu drie dagen in Maastricht en hij zou nog moeite genoeg hebben om voor haar terugkeer alle dingen af te krijgen die hij op zijn actielijstje voor het huis had staan.
Tevreden ging hij die avond, na de vissen gevoerd te hebben, naar bed en hij viel vrijwel meteen in slaap, wat hij de eerste nacht na haar vertrek aanzienlijk moeilijker had gevonden. Hij had mooie dromen over Friesland en de vele meren. Hij hield het roer vast van een nieuw aangeschafte 16-kwadraatzeilboot en genoot van de natuur. Dat soort dromen had hij niet vaak. Meestal waren zijn dromen onrustiger.
Ergens midden in de nacht werd hij wakker van het geluid van een sleutel in het slot van zijn etage. Even dacht hij aan een inbreker, maar die hadden meestal geen sleutels bij zich, dus hij wachtte keurig af. Het was stikdonker en hij hoorde het geluid van een rolkoffertje. Het was zonder twijfel Djippie die binnenkwam. Dat kon niet anders. Hij hield zich slapend en toen haar hand langs zijn wang streek, kreunde hij en zei heel amechtig met slaapdronken stem:
‘Anja?’
Met die flauwe grap ontketende hij een hele reeks handelingen. Djippie trok alle kastdeuren in huis open en begon aan een zoektocht naar het kleinste bewijs dat Anja, als ze nu niet aanwezig was, toch in ieder geval in de laatste dagen aanwezig was geweest. Ze vond helemaal niets, zelfs geen tweede tandenborstel in de douche.
‘Klootzak, je was gewoon wakker en je dacht: laat ik Djippie eens een hartverzakking geven.’
Hij kwam lachend overeind. ‘Het was gewoon een grapje dat ik niet kon weerstaan. Wist ik veel dat jij als commissaris Maigret de hele woning ging doorzoeken.’
Ze zag er de humor niet van in en dat had hij eigenlijk ook wel kunnen weten. Misschien wilde hij haar gewoon iets laten voelen.
‘Ik rij verdomme midden in de nacht het halve land door omdat ik…’ Ze viel stil. ‘Nou, in ieder geval niet om hier een beetje door jou in de maling genomen te worden.’
‘Ach, stel je niet zo aan en kom bij me liggen, maar ga eerst even onder de douche, want ik hoef niet half Maastricht erbij te hebben!’
Haar boze blik veranderde in een vertederde glimlach.
‘Je houdt nog van me,’ zei ze.
(wordt vervolgd)