Een foute man (65)

Een foute man (65)

Waar hij geen rekening mee had gehouden, was dat ze met ‘de hele dag’ bedoelde dat ze hem om half zeven zou wekken om in de auto te stappen. Slaapdronken liep hij achter haar aan. Ze droeg een kostuum van hem over haar arm en in haar hand droeg ze wat plastic tasjes, waarvan niet duidelijk was wat erin zat. Hij was te slaperig om zich er druk over te maken. Hij ging er simpelweg van uit dat ze hem graag in een kostuum zag en dat het haar opwond. Dat vond hij prima, want ook hij had zo z’n voorkeuren als het om haar uiterlijk ging.

Ondanks het vroege uur zag hij de dag met optimisme tegemoet. Ze had aangekondigd dat ze de moeilijkheidsgraad zou verhogen, maar hij ging er gewoon van uit dat ze daarmee bedoelde dat er weer een extra bekentenis zou komen, waarvan zij dacht dat die dramatische impact zou hebben, maar waar hij in het geheel het probleem niet van zou inzien. Dat was inmiddels zo vaak gebeurd dat hij het als vertrouwd was gaan ervaren. Het zou een dag worden in het teken van elkaars merkwaardigheden en dat hoorde nu eenmaal bij intimiteit en dat was ook vele malen leuker dan met haar op knellende schoenen naar een notaris te moeten om vervolgens een week lang in uiterste ernst te leven en na te denken over de invulling van een bedrijfsconcept. Eigenlijk was vrijwel alles beter dan nadenken over een bedrijfsconcept, zo oordeelde hij.

Dat het productiebedrijf op de een of andere manier organisch zou groeien, daar vertrouwde hij volledig op, maar als er zoveel geld in je ideeën gestopt werd, dan was het van het grootste belang om in ieder geval bij anderen de indruk te wekken dat je een soort systeem had. Dat zorgde voor vertrouwen in de samenwerking en het geruststellende gevoel dat er in ieder geval iemand was die wist waar hij mee bezig was.

Zo werkte succes niet, in ieder geval niet in de ogen van de foute jongeman. Succes was grilliger. Dat ontstond juist uit een strategie die faalde, maar daardoor een nieuwe laag kennis blootlegde, of uit een ongeluk dat onverwacht tot een nieuwe, gezondere koers dwong. Goedbeschouwd had de foute jongeman weinig vertrouwen in de mensheid als het ging om een rationele, logische methodiek om iets te laten werken. Als er te veel variabelen waren, dan was de menselijke geest gedoemd te falen en werd alles vanzelf een kansspel. Hij was het met weinig eens geweest waar zijn docent filosofie over had gesproken, maar hierin had hij hem gelijk moeten geven, waarop de man heel wijsneuzerig had gezegd dat filosofie niet om een gelijk vroeg.

Djippie leek ook op de een of andere manier in haar eigen gedachtewereld te verblijven, maar ze verbrak als eerste de stilte in de auto.

‘Je weet dat ik je niet kwijt wil,’ zei ze.

De foute man schoot recht overeind. Een dag die met zo’n uitspraak begon voorspelde niet veel goeds.

‘Dat weet ik niet, maar dat hoop ik vurig,’ zei hij.

‘Dan is het goed.’

Meer zei ze niet. Ze had er voor haar doen bijzonder ernstig bij gekeken, maar meer uitleg kwam er niet. Bovendien hadden ze de oprijlaan van het huis in Landsmeer bereikt.

Deze keer geen gedoe met veiligheidscodes, want haar hulp in de huishouding stond al met een blij gezicht in de deuropening.

‘Ah, Anita is er al,’ zei ze en de ernst verdween weer van haar gezicht.

Anita was een goedlachse vrouw, misschien van Surinaamse afkomst, als haar accent een betrouwbare indicatie was, en zij begon meteen een ontbijttafel te verzorgen en daar zaten ze dan. Hij met het angstige gevoel dat dit niet de dag ging worden waar hij op gehoopt had en Djippie die alweer in gedachten leek te zijn.

‘Je weet dat ik niet altijd eerlijk ben,’ opende ze, ‘maar dat is vaak gewoon omdat ik iets zelf niet doorzie en dan doe ik er maar een gooi naar, omdat ik mensen niet teleur wil stellen.’

Anita ging de kamer uit en hij knikte. Het was immers een vertrouwd ritueel geworden. Djippie die een verwachting creëerde en die even later weer torpedeerde.

Ze lachte. ‘Ik zie je denken: daar gaat mijn dag. Maar dat is het niet. Tenzij je vergeten bent dat ik gezegd heb dat ik vandaag de moeilijkheidsgraad zou gaan verhogen, natuurlijk. Maar nee, ik heb je hier eigenlijk niet naartoe genomen om het jou moeilijker te maken. Ik snap nu pas dat ik ook daar weer niet geheel eerlijk ben geweest. Ik denk dat ik vandaag de moeilijkheidsgraad voor mezelf ga verhogen…’

‘Dat is zeker niet wat ik van je vraag,’ zei de foute jongeman.

‘Nee, dat voel ik aan en misschien dat ik daarom heb gezegd dat ik voor jou de moeilijkheidsgraad ging verhogen. Jij wilt geen pijn voor mij, dat is de voortdurende constante die je meegebracht hebt in alles wat we samen doen. Maar ik kan mijn behoefte aan pijn niet blijven wegstoppen.’ Ze dacht even na en barstte in lachen uit. ‘Heb je er wel eens bij stilgestaan dat je als foute jongen eigenlijk een enorme mislukking bent?’

Ze kwam niet meer bij van het lachen en hij was meteen weer op zijn hoede. Als de stemming van Djippie in korte tijd omsloeg van melancholie naar hilariteit, dan was er iets op komst wat het hele schaakspel op de kop kon zetten. Het was zaak voorzichtig te zijn nu.

‘Ik moet toegeven dat ik daar zelf wel eens zo over denk. Ik heb dat etiket fout nu eenmaal, maar als ik terugkijk op de tijd waarin ik dat etiket kreeg, denk ik dat er nog wel meer fout was dan alleen ik.’

‘Ja, Amsterdam zal in dat opzicht je ogen inmiddels wel geopend hebben.’

‘Nee, juist niet. Het crepeert hier weliswaar van de vrolijke oplichters, maar ik zie niets wat ernstig genoeg is als ik het vergelijk met het stille kwaad van docenten die pretenderen wetenschappers te zijn en generaties jeugd aanzetten om vrijdenkers te worden, terwijl ze hen in de praktijk alleen klaarstomen voor een toekomst waarin gehoorzaamheid vaak meer gewaardeerd wordt dan originaliteit of kritisch inzicht. Dat is volgens mij het grote kwaad. Je kunt niet generatie na generatie opvoeden met valse verwachtingen zonder daarmee de fundamenten onder het hele systeem te ondermijnen, van democratie tot en met het eigendomsrecht.’

‘Whatever,’ zei Djippie. ‘De luxe om zo breed te denken over het leven heb ik nooit gehad.’

Hij schaamde zich. Waar kwamen die uitspraken nu opeens vandaan? Misschien omdat hij een tijdje geleden met veel moeite de beslissing had genomen toch maar niet naar de filmacademie te gaan, omdat hij het eigenlijk wel een beetje gehad had met onderwijs.

Djippie was gelukkig alweer over zijn uitspraken heen gestapt, om niet te zeggen dat zijn theorieën haar volledig koud lieten.

‘Ik ga eerst even wat dingen telefonisch regelen. Mijn levensgenietertjes van de clubs zullen nog wel op één oor liggen, maar banken en andere instellingen horen nu toch wel wakker te zijn. Dan kunnen we later op de dag nog wel een pauze invoeren om de levensgenietertjes te bellen.’

En weg was ze alweer.

Dit was geen goed begin van de dag, zo oordeelde hij. Er miste iets, of hij had iets over het hoofd gezien, maar wat het ook was, zelden had hij het gevoel gehad dat ze zo langs elkaar heen hadden zitten praten.

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp