Een foute man (73)

Een foute man (73)

Omdat Djippie vaak ’s middags naar Landsmeer ging, besloot hij met haar mee te gaan. Zijn weerzin tegen de woning was nog steeds groot, maar er stond een fax, een kopieerapparaat en nog een aantal zaken die hij steeds vaker nodig had, maar liever niet in huis wilde hebben.

Bovendien stond Dutch Film Productions daar om administratieve redenen ingeschreven en, belangrijker nog, de post van de bank kwam daar binnen.

Hoewel hij aanvankelijk geen enkele interesse voor geld had getoond, begon dat langzaam maar zeker te veranderen, vooral omdat het geld dat in Junkieleed was geïnvesteerd mondjesmaat terug begon te druppelen. Hij verwachtte niet dat de film ooit winst zou gaan maken, maar als de film uit de kosten zou raken, was de weg vrij voor Arend om een nieuw project te starten.

In principe was Djippie daar nu al toe bereid, want ze vond het vooral leuk om met Deisha samen te werken, maar het was beter, zo vond hij, als het reeds geïnvesteerde geld goeddeels terug was gekomen. Hij dacht te weten wat de zwaktes van Junkieleed waren en zocht die vooral in technische tekortkomingen die met wat meer geld te ondervangen waren. Dat het beperkte succes van de film vooral te danken was aan de uitspraken van Sonja op de première, daar dacht hij liever niet over na.

Wie daar ook liever niet over nadacht, was Arend. Regelmatig kwam hij langs met allerlei ideeën voor een nieuwe film en daarin speelde opvallend vaak een bordeel een centrale rol.

‘Ja joh,’ zei hij dan, ‘je ziet toch maar weer wat een beetje publiciteit naar een groter publiek voor een art movie kan betekenen.’

Art movie was in die tijd zo’n beetje synoniem aan het worden voor een film met veel seks en naakt.

‘We moeten wel,’ zei Arend dan. ‘De grote Hollywoodproducties hebben eigenlijk al een claim gelegd op alles wat met geweld te maken heeft. Je kunt het zo platvloers niet bedenken of ze brengen het in 35mm. De Fransen zijn vooral met hun eigen cultuur bezig en het land is groot genoeg om zich dat te kunnen permitteren. De Duitsers zijn bezig om hun eigen gedrag in de Tweede Wereldoorlog te verwerken en wij zijn niet bang voor een beetje naakt!’

Arend bulderde van het lachen na zo’n opsomming, maar er sprak ook onzekerheid uit over wat Nederland zou kunnen betekenen op een internationale markt. Nederland was gewoon niet groot genoeg om producties rendabel te maken en diep in zijn hart wilde Arend helemaal geen internationale producties maken, want hij sprak bijna geen Engels, iets wat in die tijd niet ongewoon was.

Dat een Nederlandse schrijver nooit de Nobelprijs voor de literatuur zou winnen, daar had iedereen zich wel bij neergelegd, behalve Harry Mulisch misschien, maar in bewegend beeld moesten we toch wat kunnen presteren.

Hoe moeilijk kon het zijn? Een Amerikaanse blockbuster was vaak niet meer dan één enkele held die vanaf het begin tot het einde van een film iedereen dood liep te schieten met een buitenproportioneel grote revolver. Voor dat soort beeld had je geen Rembrandt, Vermeer of Frans Hals nodig.

Daar zat zeker wat in, zo oordeelde de foute jongeman, maar tussen het doodschieten van mensen zaten ook nog de bijna verplichte achtervolgingen en kettingbotsingen van politieauto’s en dat moest toch een bijzonder kostbare aangelegenheid zijn.

Al die zaken overwegend begon in zijn hoofd het idee wortel te schieten dat filmen vooral een geldkwestie was.

Natuurlijk werden er ook prachtige films gemaakt. Vooral Italianen als Fellini en Pasolini hadden hem verliefd gemaakt op film, maar echt grote internationale successen leken toch vooral voort te komen uit een totaal gebrek aan goede smaak, gekoppeld aan een vrijwel onbeperkt budget.

Dat besef had ervoor gezorgd dat zijn Olivetti grotendeels ongebruikt op zijn bureau stof stond te happen. De hele ambitie om scenario’s te schrijven was verdampt. Voor zover hij er inmiddels iets van begrepen had, schreef je een scenario vooral voor een ander, een regisseur of producent, die er dan iets anders van ging maken wat misschien ook goed was, of zelfs beter, maar hij wilde juist volledige controle over wat hij maakte.

Daarom was hij van school gegaan. Omdat ze hem die controle ontnomen hadden.

Natuurlijk miste hij het schrijven, maar zodra hij iets ging tikken, kwam het beeld naar voren van zijn ouders en de docenten die op de een of andere manier vonden dat hij niet goed bij zijn hoofd was, raar deed of niet aan de verwachtingen voldeed.

Dat eeuwige oordelen kwam hem zijn neus uit.

Om weer aan het schrijven te komen had hij Een Interview Met God keurig letter voor letter overgetikt op zijn Olivetti en gaandeweg was hem duidelijk geworden dat hij in het geheel niets fout had gedaan. Hij had hooguit de draak gestoken met een zo mogelijk nog absurder idee over een man met een lange witte baard die zo peilloos rancuneus was dat hij de hele mensheid in misère liet leven omdat een vrouw niet naar hem geluisterd had en een appel had aangenomen van een slang.

Goedbeschouwd was dat verhaal vele malen absurder dan zijn versie, waarin God gewoon een homoseksuele alcoholist was die een verhouding had met zowel Petrus als Judas. Misschien had hij God niet homoseksueel mogen maken. Of waarschijnlijker nog: niet zo nadrukkelijk joods, want in het milieu waarin hij was opgegroeid had men voor geen van beide veel begrip.

Hij had het overgetikte interview in Landsmeer op het fotokopieerapparaat gelegd en een exemplaar gestuurd naar een literair tijdschrift dat niet voor bekrompen versleten wilde worden. Hij had nog geen reactie ontvangen, maar er was ook niemand opgestaan om hem voor gek te verklaren en dat was voorlopig goed genoeg.

Misschien was dat wel het moment geweest waarop hij zich in geld begon te verdiepen. Schrijven betekende iets maken en het vervolgens uit handen geven. Bij film was dat nog veel sterker. Maar geld leek tenminste overzichtelijk. Een getal was een getal en vrijwel dagelijks bestudeerde hij de bankafschriften waarop de bescheiden inkomsten van Junkieleed verschenen.

Het eerste wat hij deed zodra hij in Landsmeer aankwam, was het eindsaldo controleren. Dat leverde weinig imposante schommelingen op, tot op een dag het saldo met 38.334,33 gulden verhoogd was.

Hij ging er eerst van uit dat het gewoon geld was dat Djippie had gestort, maar daar was het bedrag niet rond genoeg voor.

De oorspronkelijke storting was in dollars geweest en automatisch door de bank omgewisseld naar guldens. Het geld kwam van een Arubaanse bank en het bedrijf dat gestort had, heette Bluebird Shipping Inc. De ontvanger was Cordoza Cargo, de oorspronkelijke eigenaar van de bankrekening.

Hij haalde meteen Djippie erbij, trots als hij was dat hij inmiddels wel degelijk de financiën in de gaten hield.

‘Oh, dat is niets abnormaals,’ zei Djippie. ‘Dat gebeurt wel vaker op de oude rekeningen van mijn vader. De fiscalist heeft regelmatig onderzocht waar dat geld vandaan komt en waar het voor is, maar Bluebird Shipping zit in zo’n lange reeks van shell companies dat het voor hem niet te achterhalen is. Koosjer zal het ongetwijfeld niet zijn. Waarschijnlijk dubieuze contracten die mijn vader bij leven heeft afgesloten met bedrijven die niet weten dat hij inmiddels is overleden. De afspraak met de Belastingdienst, die ook geen idee heeft waar het vandaan komt, is dat ik het gewoon meld en dat ik er belasting over betaal.’

‘Maar is dit niet meer iets voor de politie?’ vroeg hij.

‘Ja, natuurlijk, maar die missen de mankracht, zeggen ze.’

Hij lag die nacht uren wakker.

Hoe kon je zoveel geld verdienen, zelfs als je al dood was?

(wordt vervolgd)

Hans van der Kamp