
In de taxi naar Landsmeer vroeg hij zich af of hij niet eigenlijk een beetje gebruikt was door Jorritsma, maar hij verwierp die gedachte snel weer. In de wereld van geld gebruikte iedereen elkaar. Dat was de onderste laag van wat men economie noemde. Hij snapte heus wel dat het bedrag van 100.000 gulden geen investering in de opkomende Nederlandse filmindustrie was. Met dat geld werd de verwachting uitgesproken dat hij ervoor zou zorgen dat de hele bedrijfsstructuur bij Jorritsma als klant zou blijven. Dat de man zonder blikken of blozen met een paar pennenstreken zoveel geld had gedoneerd, betekende dat hij daar een veelvoud voor terug zou krijgen.
Zelfs Djippie had haar eigen economie. Hoewel ze zelf moeilijk met haar jaloezie om kon gaan, wist ze hem steeds weer te laten doen wat zij wilde dat hij deed, omdat ze anders weer op zoek ging naar afstandelijke seks, zoals ze het zelf noemde. Het was weliswaar al een tijdje niet gebeurd en dat had rust kunnen brengen, ware het niet dat hij inmiddels gewend was geraakt aan haar loyaliteit en het waarschijnlijk heel moeilijk zou krijgen als haar ongedurigheid weer op zou spelen.
Hij was immers in Amsterdam aangekomen als iemand zonder geld of kansen en nu had hij een woning, een kleine vriendenkring, allerlei vormen van luxe en een spectaculair liefdesleven. Precies daar had zij het centrum van haar macht geconsolideerd.
Zijn macht lag merkwaardig genoeg juist in zijn behoefte haar te beschermen en voor haar te zorgen. Zij had die behoefte aan bescherming nodig en daarmee had ook hij macht over haar.
Dat was dan kennelijk wat een foute jongeman deed. Misschien moest hij, wilde hij in de piranhavijver van het grote geld overleven, gewoon zijn naam eer aandoen. Niet langer zichzelf in het hoekje ‘fout’ plaatsen zonder dat hij er ook echt goed in paste, maar zich daar goed in leren voelen.
Daarvoor zou hij zichzelf iets wijs moeten maken, namelijk dat je best zielsveel van iemand kon houden, maar dat manoeuvreren niet altijd genoeg was en manipuleren in bepaalde situaties onvermijdelijk zou zijn.
In plaats van daarmee in de liefde tekort te schieten tegenover Djippie, bewoog hij dan gewoon mee met de stroom, zonder ertegenin te hoeven zwemmen. Zij zou daar waarschijnlijk nog begrip voor hebben ook, zolang hij haar eigen doelen geen strobreed in de weg legde. Ze zou hem misschien zelfs aanmoedigen.
Neef Pim maakte zichzelf wijs dat hij een scenarioschrijver was, terwijl hij hoofdzakelijk reclameteksten zat te schrijven. Arend waande zich een groot regisseur, terwijl zijn marginale succes vooral had afgehangen van de uitspraken van Sonja, die niets met hoge of lage cultuur te maken wilde hebben, maar alles wist over het runnen van een bordeel. Dezelfde Sonja maakte zichzelf wijs dat ze prima zonder liefde kon.
Ze waren allemaal, en hij voorop, makelaars in dromen. De enige die zich niet met dromen bezighield, was Jorritsma, die gewoon een financieel tastbaar percentage pakte van de dromen van anderen en daar geen nacht van wakker lag.
Heel even, op dat moment in die taxi, dacht de foute jongeman het hele leven begrepen te hebben.
Toen hij de taxichauffeur betaalde, zag hij haar al bij de ingang staan. Niet blij, niet verdrietig. Hij kon eigenlijk helemaal niets opmaken uit haar houding en dat was vreemd, want Djippie was iemand die haar emoties aan de buitenkant droeg, in houdingen en handgebaren. Nu stond ze daar kaarsrecht als een erewacht naast een paleisgang.
‘Kijk me aan,’ zei ze, terwijl ze hem van top tot teen opnam. ‘Ja, dit is precies de man die ik in het Vondelpark heb gezocht.’
Nu zag hij aan haar make-up dat ze misschien even gehuild had. Hij liep achter haar aan naar haar kantoor en ze hield de fax van Jorritsma in de lucht.
‘Goed lezen!’ zei ze.
Hij las de fax en die was precies zo opgesteld als hij hem min of meer aan Jorritsma gedicteerd had. Even was hij bang dat zij niet tevreden was dat ze bij het kantoor van Jorritsma, Verdonck & Van Straten waren gebleven.
‘Weet je wat dit voor mij betekent?’
Hij zweeg.
‘Ze hebben me een bestaand leven afgepakt en nu heb ik zwart op wit dat mijn gekozen leven niet meer weggepoetst hoeft te worden. En ik weet precies wie dit voor mij bereikt heeft en dat is niet de hardleerse Jorritsma, maar dat ben jij, de man die tot vervelens toe zegt dat hij van mij houdt en het kennelijk nog meent ook.’
Ze ging zitten, bracht een hand naar haar mond en klemde haar kaken opeen om te voorkomen dat ze weer ging huilen, maar het water bolde alweer over haar mascara.
De deurbel ging. Door het glas zag hij de koerier met een gigantisch veldboeket.
Op weg naar de keuken las hij het kaartje:
Hopend op een gelijkwaardige samenwerking in de toekomst!
Evert Jorritsma.
De oude boef had nog charme ook. Poëzie was het niet, maar het was zo mogelijk nog effectiever dan wat hij gedicteerd had.
‘Ach, dat had je echt niet hoeven doen…’ zei ze toen ze hem met het boeket zag aankomen.
‘Die komen niet van mij, maar van de schurken aan de gracht.’
Ze griste het kaartje uit zijn handen en de huilbui die ze eerder had geprobeerd in te houden, brak nu in alle hevigheid los.
De foute jongeman stond er wat ongemakkelijk bij. Uiteindelijk keek ze opgelucht op en zei: ‘Je bent een beest, jij!’
‘Ik heb dat kaartje niet geschreven, hoor. Dat komt recht uit het hart van Evert, je nieuwe bewonderaar.’
‘Ja, maak dat de kat wijs.’
De telefax, die letterlijk was wat hij gedicteerd had, was bij haar als waarachtig binnengekomen, maar het kaartje waar hij niets mee te maken had gehad, werd nu aan hem toegeschreven. De bloemen legde ze opzij alsof die niets voorstelden, terwijl het toch een bijzonder kostbaar boeket was. Het kaartje zette ze rechtop tegen de poot van haar bureaulamp en ze bleef er minutenlang naar staren met een dieptevreden blik.
‘Ik weet niet hoe je dat gannef daar zo op de knieën hebt gekregen en ik geloof dat ik het ook niet wil weten, maar ik ben je eeuwig dankbaar.’
Ze stond op en omhelsde hem.
Heel even was ze een volledig rustige en normale vrouw die haar geliefde begroette na een dag op het werk.
(wordt vervolgd)