
Er was alweer wat veranderd in hun relatie na zijn actie bij Jorritsma. Wat er gevoelsmatig veranderd was, kon hij niet goed duiden, maar op zakelijk vlak was het helder. Steeds vaker vroeg ze hem haar kamertje binnen voor advies. Meestal ging het om inkoop voor de clubs, wat eigenlijk vooral huishoudelijke artikelen en drank betrof. Zaken waar hij weinig verstand van had. Maar nu kwam ze toch met iets waar hij een duidelijke mening over had.
‘Jij vindt dat ik België en Duitsland beter kan laten vallen, hè?’
‘Eigenlijk wel, ja. Je hebt meer band met Maastricht en Amsterdam-Noord en je ergert je aan België. Over Duitsland hoor ik je verder nooit.’
‘De club in Dortmund is best gezellig. Ik ben er een keer geweest, maar het blijft wel Duitsland en bij de douane krijg ik al het heen en weer van de hoge petten die ze dragen. Het is gewoon mijn land niet. Fabiola, ergens in de prairie tussen Kontich en Aarschot, besodemietert volgens mij de boel en eigenlijk kan me dat qua geld ook niet zoveel schelen, want dat handeltje daar stelt weinig voor, maar wie wil er nu besodemieterd worden?’
Hij knikte. ‘Misschien kun je die twee beter afstoten. Dat scheelt administratief ook, want dan heb je meteen met twee belastingdiensten minder te maken.’
‘Precies, beide partijen hebben eerder aangegeven dat ze me uit willen kopen, maar ik had gewoon het gevoel dat ze dat wel wilden, maar het geld niet hadden.’
‘Wat heb je dan in gedachten?’
‘Ik heb besloten de prijs aanzienlijk te verlagen. Als ik er maar vanaf kom.’ Ze schoof een papiertje naar hem toe met twee bedragen, een in Duitse marken en een in Belgische franken. De gulden was gekoppeld aan de Duitse mark, dus hij begreep om welk bedrag het ging, maar het Belgische bedrag zei hem niet zoveel.
‘Dan doe je dat toch gewoon,’ zei de foute jongeman.
‘Ik had eigenlijk gedacht dat het precies iets voor jou was. Denk er rustig over na, het heeft geen haast.’
Hij pakte het papiertje op en ging ermee naar zijn eigen kantoortje, waar hij het bedrag in Belgische franken omrekende. Eigenlijk had hij een grens voor zichzelf getrokken. Hij wilde zich hoe dan ook niet met de clubs bezighouden, maar met het gesprek met Jorritsma nog vers in het geheugen had hij eigenlijk wel zin om wat te onderhandelen. Hij mocht dan geen verstand hebben van clubs en ook geen zakelijk genie zijn, maar hij had op school altijd hoge punten voor hoofdrekenen gehaald en de bedragen die op het papiertje stonden leken hem veel te laag.
Binnen een half uur stond hij alweer in haar kamertje. ‘Weet je zeker dat die bedragen kloppen?’
‘In zakelijke zin niet, maar ik wil ervan af. Jouw leven is veranderd, maar het mijne ook. Als ik ergens nog wat tijd over wil houden voor ons, dan zal ik dingen moeten laten vallen. Bovendien denk ik echt niet dat ze het geld hebben. Vorige gesprekken liepen ook stuk op de financiering.’
‘Maar dat was een paar jaar geleden en misschien hebben ze je in de tussentijd dusdanig vakkundig bestolen dat ze het geld nu wel hebben.’
Ze keek hem aan als door een wesp gestoken en meteen daarna was er weer die liefdevolle glimlach. ‘Wat een monster ben je toch geworden onder mijn bezielde begeleiding… Maar ik denk nog steeds niet dat ze het geld hebben, dus ik weet het goed met je gemaakt: elke cent die je meer uit weet te trekken is voor jou.’
Daarmee had ze een uitdaging gesteld die de foute jongeman terstond deed vergeten wat hij zoal aan grenzen had gesteld voor waar hij zich wel en niet mee bezig wilde houden. Het geld interesseerde hem op zich niet zoveel. Het salaris als bestuurslid kon hij met zijn eigen uitgavenpatroon niet opmaken en de ton van Jorritsma stond ook nog op zijn rekening. Zelfs in de envelop met geld die Djippie hem in het begin gegeven had, zat nog voldoende. Dat had niets veranderd aan zijn levensstijl, die het best te omschrijven was als krenterig. Ja, voor zakelijke doeleinden nam hij wel eens een taxi die hij vervolgens netjes declareerde.
‘De gevaarlijkste mensen,’ had Djippie eens gezegd, ‘zijn de mensen die in de basis niets met geld hebben, maar er wel steeds meer van willen hebben.’
Hij had dat weggelachen. Dat kon onmogelijk op hem van toepassing zijn.
Toch vermenigvuldigde hij de vraagprijs van Djippie eerst met vier en na enig hoofdrekenen met de factor vijf. Als je ergens op kon bouwen, zo dacht hij, dan was het wel dat wanneer je mensen de mogelijkheid gaf om je te bestelen, ze dat ook zouden doen.
Bovendien had hij nog een ander levensmotto voor zichzelf geformuleerd: als je maar fout genoeg bent, dan ben je gedoemd respectabel te worden.
De Duitsers schrokken in het geheel niet van het overnamebedrag, maar ze deden wel hun best af te dingen. Dat verliep allemaal vrij makkelijk, want ze beschikten over een fax. Bij elke poging af te dingen vroeg hij om extra Bescheinigungen van de Belastingdienst, de bordeelvergunning, de horecavergunning, alles wat hij maar kon verzinnen. In gedachten bedankte hij zijn docent Duits die hem niet alleen fatsoenlijk Duits had geleerd, maar hem ook had bijgebracht dat je in Duitsland overal een Bescheinigung voor nodig had. Wilde je je ziekmelden, dan moest je bij de Oosterburen toch eerst even langs een huisarts om een papiertje op te halen.
Het duurde niet lang of de Duitsers gingen akkoord met zijn vraagprijs, wat hem eigenlijk enorm teleurstelde, want dat kon maar één ding betekenen en dat was dat hij toch nog te weinig had gevraagd.
Met Fabiola in België liep alles wat stroever, want alles moest telefonisch geschieden. Ten eerste verstond hij haar Nederlands niet goed en ten tweede was er voortdurend geroezemoes op de achtergrond. Kennelijk had ze een telefoon tot haar beschikking en waarschijnlijk stond die in de bar. Alles wat hij zei, liet ze hem twee of drie keer herhalen en elk gesprek eindigde met een: ‘Amai zeg, dat is toch veel te veel geld voor dit kot.’
Zelfs zijn dreigement de zaak dan maar op te heffen wilde niet werken. Ze was óf de beste onderhandelaar van het westelijk halfrond óf ze had het geld gewoon niet. Uren zat hij te piekeren over wat nu de beste strategie was. Zijn kaart bij de Duitsers waren de Bescheinigungen geweest, maar waar lag een Belg eigenlijk van wakker? In de krant had hij wel eens iets gelezen over de Belastingdienst in België en de B.O.B., oftewel de Bewakings- en Opsporingsbrigade. Hij vermoedde dat die laatste dienst vergelijkbaar was met de Nederlandse recherche.
Informeren naar de Belastingdienst had geen effect. ‘Ja, m’n onkel zit bij de Belastingdienst,’ zei ze, ‘die zou ik dat kunnen vragen natuurlijk, maar dat kan efkes duren, natuurlijk.’
Bij het volgende gesprek was hij het zat om in de hoorn te schreeuwen om zich verstaanbaar te maken en bij het eerste ontwijkende antwoord dreigde hij de B.O.B. langs te sturen.
Er klonk een droge klik en ze had de verbinding verbroken.
Hij had Djippie al ingelicht dat er mogelijk een andere onderhandelaar moest komen die bereid was om met haar vraagprijs aan de slag te gaan, toen de volgende dag de telefoon ging.
Het was Fabiola. Ze sprak voor de gelegenheid heel netjes Nederlands, er was geen geroezemoes op de achtergrond en ze ging met haar welgemeende excuses akkoord met zijn aanbod en vroeg of hij vooral de groeten wilde doen aan die lieve mevrouw Cordoza.
(wordt vervolgd)